Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
[nummer 3] – [nummer 4]
uitspraakdatum: 20 oktober 2025
[verzoeker]
en
[verzoekster] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 17 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 13 oktober 2025.
Ter zitting van 13 oktober 2025 is verschenen en gehoord:
- de heer [persoon A] , werkzaam bij Staal & Steen Advocaten, (hierna: advocaat van verzoekers).
Verzoekers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De heer [persoon B] (hierna: verweerder) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De advocaat van verzoekers heeft na de zitting op 13 oktober 2025 een aanvullend
e-mailbericht aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker werkt als zelfstandig ondernemer in de bouw en heeft volgens het verzoekschrift een inkomen van circa € 5.000,00 per maand. Verzoekster heeft geen inkomen. Daarnaast ontvangen zij maandelijks zorg-, huur- en kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. De kale huur bedraagt € 850,00 per maand. Verzoekers hebben op 25 september 2025 een intakegesprek gehad bij de gemeente voor schuldhulpverlening. De advocaat van verzoekers heeft verklaard dat het schuldhulpverleningstraject niet is opgestart door verzoekers.
De advocaat van verzoekers heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan nadat het pand waar verzoekers thans in verblijven was verbouwd tot een woonruimte. Verzoekers zouden een afspraak hebben gemaakt met de verhuurder over het verrekenen van de huur. Volgens verzoekers zou de verhuurder na de verbouwing de gemaakte afspraak niet zijn nagekomen. De verhuurder heeft een procedure gestart om de huurtermijnen alsnog te incasseren en tot ontruiming over te kunnen gaan. De advocaat van verzoekers heeft verklaard dat verzoekers de huur over oktober 2025 niet hebben voldaan omdat zij van mening zijn dat zij conform de gemaakte afspraak de huur mogen verrekenen.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerder geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 9 september 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 24 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis in kort geding van 7 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Nu het verzoekschrift op 17 september 2025 is ingediend en de huur van oktober 2025 niet is voldaan hebben verzoekers hiermee niet aan hun lopende betalingsverplichting voldaan. Verzoekers zijn van mening dat zij conform de gemaakte afspraak de huur mogen verrekenen. De vraag of dat terecht is, kan in deze procedure niet worden beantwoord. Voor toewijzing van dit verzoek is essentieel dat de lopende huur tijdig en volledig wordt betaald. Het is in dit geval onvoldoende gewaardborgd dat verzoekers de lopende huurtermijnen tijdig zullen voldoen. Daarnaast hebben verzoekers op 25 september 2025 een intakegesprek gehad met schuldhulpverlening van de gemeente. Na de intake is het schuldhulpverleningstraject niet opgestart. Er is voor de rechtbank geen vooruitgang gebleken bij verzoekers om met de schuldeisers een regeling tot stand te brengen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2025.