RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3555
(gemachtigde: [persoon A] ),
en
(gemachtigde: mr. R. Hummel-Fekkes).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de staatssecretaris om eiseres op medische of psychische gronden ontheffing te verlenen van haar inburgeringsplicht. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aangevraagde ontheffing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de ontheffing terecht heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een ontheffing van haar inburgeringsplicht op medische of psychische gronden. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een nader stuk ingediend. Eiseres heeft op 16 oktober 2025 nadere medische stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.
Op zitting heeft de gemachtigde van de staatssecretaris bezwaar gemaakt tegen de late indiening van de medische stukken door eiseres op 16 oktober 2025. Gelet op artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), betrekt de rechtbank deze stukken niet bij de beoordeling van het beroep.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 21 april 2021 een brief gekregen waarin haar is medegedeeld dat zij moet inburgeren. In deze brief heeft eiseres tot 21 april 2024 de tijd gekregen om aan de vereisten voor inburgering te voldoen. Eiseres heeft op 8 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een ontheffing van haar inburgeringsplicht op medische of psychische gronden. Naar aanleiding van de aanvraag is eiseres op 30 januari 2025 door een verzekeringsarts werkzaam bij Argonaut op het spreekuur gezien en onderzocht. Op basis van het onderzoek en op grond van medische documentatie die eiseres heeft ingebracht, acht de verzekeringsarts het plausibel dat eiseres mentale klachten en belemmeringen op persoonlijk- en sociaal gebied ervaart. De verzekeringsarts verwacht dat de klachten binnen een termijn van twaalf tot achttien maanden kunnen verbeteren als deze worden behandeld. De prognose is daarmee vooralsnog gunstig. De verzekeringsarts acht eiseres daarom in staat om binnen een termijn van vijf jaar het inburgeringsexamen te halen. Wel kan een tijdelijke ontheffing tot achttien maanden worden overwogen gezien de actuele medische problematiek en de lopende behandelingen. Vervolgens heeft de staatssecretaris geweigerd om eiseres ontheffing te verlenen van de inburgeringsplicht. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en heeft hij de weigering gehandhaafd.
Toetsingskader
De staatssecretaris ontheft de inburgeringsplichtige geheel of gedeeltelijk van de inburgeringsplicht, onder meer als de inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn aan de inburgeringsplicht te voldoen. De ontheffing kan worden verleend als redelijkerwijs verwacht mag worden dat de aard en de ernst van de psychische of lichamelijke belemmering zodanig is dat niet binnen vijf jaar na de aanvraag van de ontheffing aan de inburgeringsplicht of aan een of meerdere onderdelen daarvan kan worden voldaan.
Het advies van de verzekeringsarts van Argonaut is een deskundigenadvies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet een bestuursorgaan indien het een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt zich er op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit (naar wijze van totstandkoming) zorgvuldig en (naar inhoud) inzichtelijk en concludent is. De betrokkene kan met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van een deskundigenadvies betwisten. Met stukken van zijn behandelaars kan hij de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van een deskundigenadvies aan de orde stellen, dan wel concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud ervan.
Mocht de staatssecretaris zijn besluit op het rapport van Argonaut baseren?
5. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychische klachten. Uit de stukken die eiseres heeft overgelegd blijkt volgens eiseres dat zij niet in staat is om binnen een termijn van vijf jaar aan haar inburgeringsverplichting te voldoen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft in beroep geen stukken overgelegd waaruit volgt dat het deskundigenadvies van de verzekeringsarts van Argonaut niet juist is. Ook is niet gebleken van (medische) informatie van eiseres die de verzekeringsarts niet heeft meegewogen in zijn advies. Verder blijkt uit wat eiseres in beroep naar voren heeft gebracht niet dat het voor haar in objectieve zin niet mogelijk is om binnen vijf jaar na aanvang van de inburgeringstermijn in te burgeren. De staatssecretaris heeft de aanvraag daarom terecht afgewezen.
Indien na behandeling van de klachten blijkt dat eiseres nog steeds niet in staat is in te burgeren, kan eiseres op dat moment een nieuwe aanvraag om ontheffing indienen die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van de Wet inburgering en artikel 2.8 van het Besluit inburgering. De staatssecretaris kan op basis van nieuwe informatie een nieuwe aanvraag om ontheffing aan Argonaut voorleggen voor advies op basis van een nieuwe inschatting. De rechtbank wijst eiseres er op dat een ontheffing alleen toegekend of geweigerd kan worden. Er is geen wettelijke basis voor de staatssecretaris om een ontheffing (slechts) voor achttien maanden te verlenen.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen ontheffing krijgt van haar inburgeringsplicht. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.