RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/710482 / JE RK 25-2399 en C/10/710878 / JE RK 25-2465
Datum uitspraak: 3 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F.H. Tamboenan, kantoorhoudende te Barendrecht,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 20 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, ingeschreven onder zaaknummer C/10/710482 / JE RK 25-2399;
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 28 november 2025, ingeschreven onder zaaknummer C/10/710878 / JE RK 25-2465.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 4] , de begeleider van de moeder. Zij is ter zitting ook als informant gehoord.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 20 november 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 20 februari 2026.
3. De verzoeken
Het verzoek met zaaknummer C/10/710482 / JE RK 25-2399
De Raad heeft verzocht [minderjarige] met spoed voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 20 november 2025 is dit verzoek toegewezen. De belanghebbenden dienen hierop nog te worden gehoord.
Het verzoek met zaaknummer C/10/710878 / JE RK 25-2465
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Op 20 november 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Op dat moment liep al een onderzoek van de Raad, naar de noodzaak van een reguliere ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing. Na afronding van het raadsonderzoek heeft de Raad verzocht om een reguliere ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, zonder een machtiging tot uithuisplaatsing. Ondanks de grote zorgen om de thuissituatie van [minderjarige] twijfelde de Raad over de noodzaak van een uithuisplaatsing, aangezien [minderjarige] met de moeder op een aparte plek verblijft, afzonderlijk van de vader, en er tussen de moeder en [minderjarige] een sterke band bestaat. Inmiddels heeft de Raad alsnog een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verzocht. [minderjarige] heeft in het verleden veel meegemaakt en het lukt hem niet om voldoende tot rust en ontwikkeling te komen. Het probleemgedrag van [minderjarige] neemt hierdoor steeds verder toe. De moeder en de vader lijken elkaar soms nog - tegen de gemaakte veiligheidsafspraken in - op te zoeken, wat niet helpend is. Het is van belang dat voor [minderjarige] en de ouders, via een reguliere ondertoezichtstelling van [minderjarige] , passende hulpverlening wordt ingezet. Naast de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig, zodat voor iedereen de rust ontstaat om met de inzet van die passende hulpverlening aan de slag te gaan en daadwerkelijk positieve stappen te zetten. Met de problematiek van [minderjarige] is het niet makkelijk om een passende verblijfsplek voor hem te vinden. De GI zal daarom zoeken naar een plek binnen ASVZ, van welke organisatie al hulpverlening betrokken is en waar eventueel ook dagbesteding mogelijk is.
De GI brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat de zorgelijke situatie tussen de ouders al jarenlang bestaat en dat het voor hen lastig zal zijn om dit te doorbreken. Het lukt de ouders niet om zich te houden aan de gemaakte veiligheidsafspraken, wat het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] beïnvloedt. Het probleemgedrag van [minderjarige] neemt steeds verder toe en [minderjarige] komt niet tot ontwikkeling. Hij uit zich verbaal en fysiek agressief en vertoont seksueel overschrijdend gedrag, waardoor hij niet meer naar de opvang bij de Zorgnijverheid kan en waardoor de moeder en [minderjarige] binnen de plek waar zij verbleven moesten verhuizen naar een aparte unit. De betrokkenheid van de GI en de inzet van passende hulpverlening is voor [minderjarige] , maar ook voor de ouders, noodzakelijk om positieve stappen te zetten. Daarbij is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig, zodat iedereen tot rust kan komen en er ruimte ontstaat voor verbetering. De GI zoekt op dit moment naar een passende verblijfplek voor [minderjarige] binnen ASVZ, zodat voor hem specialistische hulpverlening kan worden ingezet. In Rotterdam is op dit moment geen plek, maar de GI hoort morgen of ergens anders wel een plek beschikbaar is. De GI heeft versneld een WLZ-indicatie aangevraagd, maar de diagnostiek die hiervoor nodig is zal pas in januari 2026 afgerond zijn.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI om [minderjarige] onder toezicht te stellen. Het is belangrijk dat voor [minderjarige] en de ouders passende hulpverlening wordt ingezet, want de zorgen om [minderjarige] zijn groot. De moeder heeft al vaker gevraagd om hulpverlening voor [minderjarige] , maar dit is door wachtlijsten en de problematiek van [minderjarige] nooit gelukt. Het is jammer dat dit pas kan nu de situatie is geëscaleerd. Een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is naast de ondertoezichtstelling niet nodig. De moeder en de vader hebben elkaar niet ongeoorloofd gezien, naast de twee bekende en verklaarbare incidenten. De vader is een keer naar de kinderboerderij gegaan toen hij niet wist dat de moeder daar met [minderjarige] was, maar is toen meteen weer weggegaan. De vader is daarnaast een keer naar de speeltuin gegaan waar de moeder met [minderjarige] was, omdat de situatie met [minderjarige] escaleerde en de moeder hulp nodig had. De moeder wilde op dat moment niet de politie bellen, omdat dit haar in het verleden door betrokken hulpverlening is afgeraden en zij [minderjarige] niet wilde laten schrikken. Zij heeft daarom de vader gebeld. Het klopt dat de moeder graag weer met [minderjarige] bij de vader zou willen wonen, maar zij is bereid om hiervan af te zien als dit een uithuisplaatsing van [minderjarige] voorkomt. De nodige hulpverlening kan ook worden ingezet als [minderjarige] bij de moeder blijft wonen. Het is dan wel belangrijk dat [minderjarige] vijf dagen in de week structuur krijgt.
De vader brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat hij het liefst met de moeder en [minderjarige] samenwoont, maar dat hij inmiddels begrijpt dat dit in het belang van [minderjarige] niet haalbaar is. Het is belangrijk dat voor de ouders en [minderjarige] passende hulpverlening wordt ingezet en dat de situatie verbetert. De betrokkenheid van de GI is hierbij nodig, maar de machtiging tot uithuisplaatsing niet. De ouders hebben elkaar niet ongeoorloofd gezien, naast de twee bekende en verklaarbare incidenten, die de moeder al heeft genoemd.
De begeleider van de moeder brengt tijdens de mondelinge behandeling de volgende informatie naar voren. De plaatsing van de moeder en [minderjarige] op een aparte plek, zonder de vader, had met de inzet van passende hulpverlening in de thuissituatie voorkomen kunnen worden. Sinds het verblijf van de moeder en [minderjarige] op de aparte plek is het probleemgedrag van [minderjarige] steeds verder toegenomen, waardoor zij moesten verhuizen naar een aparte unit. Dat hoeft niet per se te komen doordat de ouders (ongeoorloofd) contact met elkaar zouden hebben. [minderjarige] heeft de afgelopen periode veel veranderingen meegemaakt. Hij is veel stabiele factoren zoals zijn woning, school, opvang en de aanwezigheid van de vader verloren. De toename in het probleemgedrag van [minderjarige] kan hiermee ook worden verklaard. Met de inzet van passende (systemische) hulpverlening, waarbij ook de vader wordt betrokken, kan hierin verbetering komen. Voordat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt overwogen, dient dit te worden geprobeerd. De moeder staat open voor de inzet van hulpverlening en heeft op de aparte plek altijd adequaat op het probleemgedrag van [minderjarige] gereageerd.
5. De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft de afgelopen jaren veel meegemaakt, zoals huiselijk geweld en psychische problematiek bij en alcoholmisbruik door de vader. Bij [minderjarige] is sprake van een ontwikkelingsachterstand en van fors toenemende gedragsproblematiek, waaronder agressief gedrag richting een onbekende en richting professionals en fors seksueel grensoverschrijdend gedrag. De betrokkenheid van de GI is het komende jaar nodig, zodat de situatie verder kan worden onderzocht en passende hulpverlening en begeleiding voor de ouders en [minderjarige] kan worden ingezet. Tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] is tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd.
Gedurende de periode van ondertoezichtstelling moeten ouders aan de slag met hun persoonlijke problematiek, zoals door de Raad beschreven.
Naast de ondertoezichtstelling acht de kinderrechter ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. [minderjarige] en de moeder verblijven al enige tijd op een plek, apart van de vader. Ook hier escaleerde het gedrag van [minderjarige] dusdanig dat de moeder en [minderjarige] naar een andere woonvorm moesten. Ondanks dat is voor [minderjarige] helaas nog steeds niet de nodige rust ontstaan om tot een positieve ontwikkeling te komen. Er is bij [minderjarige] sprake van toenemende forse gedragsproblematiek wat op zijn school, zijn opvang, op straat en op de plek waar hij met de moeder verblijft voor veel onrust zorgt. [minderjarige] lijkt zodanig te ontregelen dat zijn probleemgedrag toenemend problematisch en grensoverschrijdend is. Het is onduidelijk waardoor dit probleemgedrag steeds verder toeneemt, maar het is duidelijk dat voor iedereen voldoende rust en stabiliteit nodig is om daadwerkelijk positieve stappen te zetten. Hiertoe is van belang dat [minderjarige] , in ieder geval de komende drie maanden, op een plek verblijft waar voor hem specialistische hulpverlening kan worden ingezet. In deze periode moet worden bekeken wat voor [minderjarige] en de ouders nodig is, zodat vervolgens kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij (één van) de ouders. Tijdens de uithuisplaatsing moet aandacht besteed worden aan een zo regelmatig en positief mogelijk contact tussen [minderjarige] en zijn beide ouders. Duidelijk is dat de ouders veel van [minderjarige] houden, maar dat zij op dit moment onmachtig zijn – mede door hun eigen problematiek en hun langdurige en hardnekkige onderlinge spanningen – om hem te geven wat hij nodig heeft. Ouders moeten leren om [minderjarige] niet te belasten met hun (onderlinge) spanningen. Ook moeten zij leren omgaan met de beperkingen van [minderjarige] .
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, met ingang van 3 december 2025 tot 3 december 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 december 2025 tot 3 maart 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.