beslissing
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: 701744 HARK 25-598
Beslissing van 17 juli 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster],
wonende in Schiedam, hierna: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. V.F. Milders,
rechter in team Kanton 2 van de rechtbank Rotterdam, hierna: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer 11559954 VZ VERZ 25-1097. Die zaak betreft een geschil tussen verzoekster en haar werkgever [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
- het wrakingsverzoek van verzoekster van 16 juni 2025,
- de schriftelijke reactie van de rechter van 7 juli 2025.
Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verschenen:
- verzoekster, vergezeld door haar echtgenoot,
- de rechter,
- mr. D. Spek, gemachtigde van de werkgever.
2. Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
Verzoekster heeft het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De rechter heeft zich tijdens de zitting partijdig uitgelaten. Nog voordat de rechter naar de visie van verzoekster had gevraagd, maakte hij zijn vooringenomen mening kenbaar door te zeggen dat de werkgever een voorbeeldige en perfecte werkgever was die behoorlijk geduldig zou zijn geweest met verzoekster. Er werd geen enkele vraag aan de werkgever gesteld, terwijl verzoekster werd 'volgegooid' met vragen en steeds door de rechter werd onderbroken en afgesnauwd wanneer zij haar standpunt duidelijk probeerde te maken. Toen verzoekster hierdoor een emotionele uitbarsting kreeg, gaf de rechter haar met tegenzin vijf
minuten om tot rust te komen. Ook bij een tweede schorsing van de zitting om te kijken of er een schikking mogelijk was, was de rechter geïrriteerd. De rechter kwam zeer intimiderend, kortaf en ongeduldig over. Verzoekster voelde zich ongemakkelijk, in het nauw gedreven en gekleineerd en zij voelde zich niet gehoord.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster er nog nadrukkelijk op gewezen dat zij met name de lichaamshouding en lichaamstaal van de rechter als onprettig heeft ervaren.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op het verzoek gereageerd.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
De wrakingskamer is van oordeel dat een zwaarwegende aanwijzing als hiervoor bedoeld niet is gebleken en licht dat hierna toe.
Uit de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling op 12 juni 2025 volgt het volgende. De advocaat van de werkgever (mr. Spek) heeft in het begin van de zitting onder meer opgemerkt - kort gezegd - dat hij niet eerder zo'n zorgvuldige en geduldige werkgever heeft meegemaakt. Daarna heeft de rechter verzoekster gevraagd naar haar visie op het door de werkgever ingediende verweerschrift en heeft hij verzoekster kritisch bevraagd over het re-integratietraject. Onder verwijzing naar de eerder door mr. Spek gemaakte opmerking heeft de rechter vervolgens - kort gezegd - opgemerkt dat de werkgever zich ten aanzien van verzoekster en het re-integratietraject een geduldig werkgever heeft getoond die veel moeite heeft gedaan voor de re integratie van verzoekster.
Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de voorzitter van de wrakingskamer geciteerd uit de zittingsaantekeningen zoals hiervoor beschreven. Op de vraag of verzoekster de in de zittingsaantekeningen vermelde gang
van zaken herkent, heeft zij bevestigend geantwoord. Op de vraag van de voorzitter van de wrakingskamer of het dan misschien niet juist is dat de rechter direct de opmerkingen van mr. Spek herhaalde en overnam maar toch eerst vragen aan verzoekster heeft gesteld, heeft verzoekster geantwoord dat dat wel kan kloppen. Op grond hiervan gaat de wrakingskamer ervan uit dat de in de zittingsaantekeningen vermelde gang van zaken, zoals beschreven in 3.5, juist is.
Daarmee staat vast dat de rechter verzoekster eerst in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het verweerschrift van de werkgever en dat de rechter verzoekster vragen heeft gesteld alvorens hij de in 3.5 beschreven opmerkingen met betrekking tot de werkgever heeft gemaakt. De stelling van verzoekster dat de rechter die
opmerkingen al maakte vóórdat hij verzoekster in de gelegenheid had gesteld om te reageren of vóórdat hij vragen aan haar had gesteld, gaat dus niet op. Op dit specifieke punt is dus niet van vooringenomenheid van de rechter gebleken. Ook uit het feit dat de rechter tijdens de zitting zijn voorlopige visie op het geschil tussen verzoekster en haar werkgever heeft gegeven kan geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid, aangezien vast staat dat de rechter eerst hoor en wederhoor heeft toegepast alvorens hij zijn voorlopige visie op de zaak heeft gegeven.
Verder wordt overwogen dat de rechter op de zitting de regie voert en daarbij een grote mate van vrijheid heeft bij de bepaling van het verloop en de voortgang van
de zitting. Het staat de rechter vrij om (een van de) partijen kritische vragen te stellen en te onderbreken wanneer de rechter dat nodig acht. Wanneer hier tijdens de mondelinge behandeling sprake van is geweest, dan kan daaruit evenmin vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
Verzoekster stelt verder dat de rechter intimiderend, kortaf en ongeduldig overkwam. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster er nog nadrukkelijk op gewezen dat zij de lichaamstaal en lichaamshouding van de rechter als onprettig heeft ervaren. Deze klachten betreffen in wezen de manier waarop zij door de rechter is bejegend. Voor dat soort klachten is de wrakingsprocedure niet bedoeld. Verzoekster kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn onvoldoende gesteld of gebleken.
Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert objectief niet gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking is daarmee ongegrond en zal daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.C. Santema, voorzitter, en mr. G.A. Bouter Rijksen en mr. K.A. Baggerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Stehouwer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.
de griffier de voorzitter.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddelen open.