ECLI:NL:RBROT:2025:15274

ECLI:NL:RBROT:2025:15274, Rechtbank Rotterdam, 23-12-2025, C/10/711668 / FA RK 25-9470

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 15-01-2026
Zaaknummer C/10/711668 / FA RK 25-9470
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij. Het gezag wordt momenteel niet uitgeoefend, hierdoor kunnen belangrijke zaken zoals een schoolinschrijving of de inzet van hulpverlening niet geregeld worden. De voorlopige voogdij maatregel is dringend en onmiddelijk noodzakelijk om te voorzien in het gezag.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/711668 / FA RK 25-9470

Datum uitspraak: 23 december 2025

Beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, verblijvende in het buitenland en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 11 december 2025.

Op 23 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:

- twee vertegenwoordigers van de Raad, [naam 1] en [naam 2] ;

- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 3] .

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] is aanwezig geweest tijdens de mondelinge behandeling.

2. De feiten

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft bij [naam instelling] . Zij heeft geen bekend (vast) inschrijfadres in Nederland.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 februari 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 november 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 19 februari 2026.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De maatregel is volgens de Raad dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening over [minderjarige] te voorzien.

4. Standpunten

De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. De afgelopen periode is er niets in de situatie van [minderjarige] veranderd. De vader verblijft nog steeds in het buitenland en het is onduidelijk wanneer hij terugkomt. De vader is soms bereikbaar voor de Raad. De moeder van [minderjarige] is niet in beeld. De voorlopige voogdij maatregel is daarom nodig om de noodzakelijke beslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen.

De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. De GI heeft meerdere malen geprobeerd om contact te leggen met de vader en dit is vorige week voor het eerst gelukt. Naar aanleiding van dit contact moment heeft de vader per e-mail laten weten dat hij het goed vindt dat de GI beslissingen over [minderjarige] neemt gedurende de periode dat hij in het buitenland verblijft.

5. De beoordeling

De Raad kan op grond van artikel 1:241, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de kinderrechter verzoeken om in de gezagsuitoefening over een minderjarige te voorzien, indien blijkt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend. Op grond van artikel 1:241, tweede lid BW kan de kinderrechter op verzoek van de Raad een gecertificeerde instelling belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening over de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen. De kinderrechter is van oordeel dat hiervan sprake is en overweegt daartoe het volgende.

[minderjarige] is begin 2025 samen met haar meerderjarige broers en de vader naar Nederland gekomen. Half oktober 2025 is de vader naar het buitenland gegaan en zijn [minderjarige] en haar broers dakloos geraakt. Sindsdien is de vader nauwelijks bereikbaar voor de Raad, de GI en andere instanties. Het is bovendien onduidelijk wanneer de vader terugkeert naar Nederland. De moeder heeft sinds 2018 geen gezag meer over [minderjarige] . Geconstateerd moet worden dat de vader momenteel niet in staat is om zijn ouderlijke verantwoordelijkheid te nemen en het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Hierdoor kunnen belangrijke zaken zoals een schoolinschrijving of de inzet van hulpverlening niet geregeld worden.

Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de vader het gezag over [minderjarige] niet uitoefent en dat de verzochte maatregel dringend en onmiddellijk noodzakelijk is om in het gezag over [minderjarige] te voorzien en op deze wijze de belangen van [minderjarige] te kunnen behartigen. De kinderrechter zal daarom de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belasten.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

belast de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering gevestigd te Rotterdam, met de voorlopige voogdij over [minderjarige] ;

stelt vast dat de voorlopige voogdij van rechtswege na drie maanden eindigt, namelijk op 23 maart 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de rechtbank een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dat verzoek is beslist;

verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 7 januari 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?