RECHTBANK ROTTERDAM
vonnis
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/686095 / HA ZA 24-809
Vonnis van 8 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] handelend in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van GLOBAL CREWMANAGMENT B.V,
wonend in Haren,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. T. van Dijken te Groningen,
tegen
ECE OFFSHORE PROJECTS B.V.,
gevestigd te Wateringen,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M. Straus te Amsterdam.
Partijen worden hierna de curator en ECE genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 3 september 2024, met producties 1 tot en met 19;
de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 25;
de (oproep)brieven van de rechtbank voor de mondelinge behandeling van 13 en 27 januari 2025;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de akte houdende overlegging producties (20 en 21) van de curator;
de producties 26 en 27 van ECE;
de mondelinge behandeling van 6 maart 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, en waarbij de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
Het vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De feiten
De curator is de curator van Global Crewmanagement B.V. (hierna: Global). Global was een bedrijf dat zich bezig hield met het uitlenen van arbeidskrachten in de scheepvaart- en offshore sector en het verlenen van aanverwante diensten. ECE is een consultancybureau en een ingenieursbedrijf op het gebied van energie.
Op 15 augustus 2023 hebben Global en ECE ten behoeve van het project Luchterduinen een “secondment agreement”, een detacheringsovereenkomst, gesloten met als ingangsdatum 1 augustus 2023 voor de duur van het project (hierna: de overeenkomst).
In de overeenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“WHEREAS:
(…)
D. The Parties wish to enter into an agreement in relation to the secondment of employees ('the Employees’) of Global Crew to the Company.
(…)
HAVE AGREED AS FOLLOWS:
1.Secondment
Global Crew shall second the Employees to the Company for the duration of the project as described under Annex 1.
(…)
During the secondment the Employees, however, remain in the service of Global Crew and the employment agreements between Global Crew and Employees remain in full force. Global Crew remains fully entitled to exercise its employer's authority. Amongst others, this includes the right to suspend or to release the Employees from their duties and to take disciplinary measures. Global Crew will only exercise its authority after consulting the Company.
(…)
2. Start and termination of the secondment
This agreement shall become effective on August I’1, 2023 and is entered into for a fixed period of time, that is for the duration of the project as described under Annex 1
Notwithstanding this, in the event of serious culpable failure by any party, the other party may terminate this agreement in writing with immediate effect without observing any term of notice by letter sent to the other party, specifying the reason for termination, provided that prior to doing so that party shall have cautioned the party being in default and shall have allowed the party in default a reasonable length of time within which to remedy its default.
This agreement may also be terminated with immediate effect by any party if and as soon as the other party or parties is adjudged bankrupt, is granted a suspension of payment or is dissolved.
(…)
3. Salary and employment conditions
The salary, holiday allowance, any other benefit including social security premiums and any other costs pertaining to the employment agreement between Global Crew and the Employees remain for the account of Global Crew. Likewise, salary and other payments during illness will be for the account of Global Crew. Throughout the secondment Global Crew remains responsible for processing any payments and benefits in accordance with its normal practice.
Global Crew shall deduct from the Employees' salary all statutory payments, including wage tax and social security contributions, to be made in respect of the employee to the tax authorities designated to receive such payments and within the applicable payment periods. The Company is not responsible for salary payments nor for payment of tax and social security premiums.
4. Liability
Global Crew shall indemnify and keep Company harmless from any and all claims for which Global Crew is liable if it would have been the formal employer of the Employees, including but not limited to claims under section 6:170 Dutch Civil Code.”
Global heeft voor een project van Ballast Nedam ook bemanning aan ECE uitgeleend.
Bij beschikking van 13 september 2023 heeft de rechtbank Noord-Nederland aan Global voorlopig een surseance van betaling verleend, een rechter-commissaris en een bewindvoerder benoemd.
Op 15 september 2023 heeft ECE de overeenkomst met Global per direct opgezegd. In de e-mail van 15 september 2023 aan ([naam 1], de bestuurder van) Global (hierna: [naam 1])) schrijft ([naam 2] van) ECE (hierna: [naam 2])) het volgende:
“In accordance with the signed Manpower Services agreement between ECE Offshore Projects BV and Global Crew Management BV dated 15th August 2023 and in light of the notified temporary suspension of payments by Global Crew Management BV on 14th September 2023 ECE Offshore Projects B.V. (ECE) hereby terminates the agreement for justified cause pursuant to Clause 2.3. ECE Offshore sends you hereby the notice of termination which shall have immediate effect.
In order for ECE to limit its damages and based on the justified expectation considering the actual facts and circumstances that Global Crew will be unable to meet its obligations towards the personnel supplied under the agreement and towards ECE for the completion of the services towards its contracting party, the agreement is hereby, in as far as is necessary in relation to the aforesaid termination effective as of the date of conclusion of the agreement, also considered to be dissolved.
ECE Offshore Projects B.V. reserves its right to seek further redress under Dutch Law in respect of this termination.
Your confirmation and acceptance of this termination is required by 1200 hours Monday 18th September 2023.”
In de daarop volgende e-mail van 18 september 2023 schrijft ([naam 2] van) ECE aan ([naam 1] van) Global het volgende:
“Further to the below mail [rechtbank: hier is bedoeld de bovenstaande e-mail] and in the absence of any response from Global Crew Management BV please accept this mail as confirmation that ECE considers the Manpower services agreement to be terminated which has retro-active effect. Secondly, as far as is necessary, it further considers the agreement to be dissolved.
In order for ECE Offshore Projects BV to prevent and/or limit the damages that the non-performance of the contractual obligations may and/or will cause, ECE shall take over the provision of the services and ensure that the project can be completed. Any invoices submitted to ECE Offshore Projects B.V. under the dissolved agreement have no legal title and are herewith rejected.”
In reactie hierop schrijft ([naam 1] van) Global in zijn e-mail van 19 september 2023 13:36 uur aan ([naam 2] van) ECE het volgende:
“Thanks for your message, please note that we accept the contents of your message under the following condition:
Global Crewmanagement B.V. to provide two (2) credit notes for below invoices:
• 2021211030 @EUR 63.470,00
• 2021211044 @EUR 66.640,00
The rest of the still outstanding invoice amounts to be paid by ECE Offshore Projects B.V. (total amount: EUR 56.852,53) to Global Crewmanagement B.V. Services for these invoices have been performed and paid for.”
Bij beschikking van 19 september 2023 heeft de rechtbank Noord-Nederland Global om 14.00 uur in staat van faillissement verklaard, een rechter-commissaris en de curator benoemd.
In zijn brief van 26 september 2023 aan ECE heeft de (advocaat van de) curator van Global betaling gevorderd van het toen bekende openstaande bedrag van € 186.962,53. Onder verwijzing naar de e-mail van 19 september 2023 van ([naam 1] van) Global (zie 2.5) heeft de (advocaat van de) curator aangegeven genoegen te nemen met een betaling van (na creditering van € 130.110,00) € 56.852,53, uiterlijk te betalen vóór 10 oktober 2023.
In zijn brief van 1 november 2023 aan ECE heeft de (advocaat van de) curator zijn aanbod van 26 september 2023, bij gebreke van betaling van ECE, herroepen en betaling gevorderd van € 192.878,36 en ECE gesommeerd dit bedrag te betalen vóór 17 november 2023.
In zijn brief van 29 november 2023 aan de (advocaat van de) curator heeft de (advocaat van) ECE uiteengezet hoe een en ander volgens haar in elkaar steekt en dat ECE, behalve een bedrag van € 6.370,54 voor het project Ballast Nedam, omdat zij de overeenkomst met Global heeft vernietigd dan wel ontbonden, niets aan de curator verschuldigd is en dat dit bedrag verrekend kan worden met de door ECE door toedoen van Global geleden schade van € 91.500,00.
In de periode van 18 januari tot en met 30 mei 2024 hebben de advocaten van de curator en ECE gecorrespondeerd over de vordering van de curator en de onderbouwing van de door ECE gestelde geleden schade.
In zijn e-mail van 6 augustus 2024 aan de (advocaat van) ECE heeft de (advocaat van de) curator om een onderbouwing van de schadevordering van ECE verzocht. Daarnaast heeft de curator zijn vordering (€ 186.962,53) met een bedrag van € 114.320,00 verhoogd (voor de door Global aan ECE geleverde bemanningsleden in week 36 (4 tot en met 10 september 2023) en deels in week 37 (11 tot en met 15 september 2023)) tot in totaal
€ 307.198,36.
De advocaten van partijen hebben hierover nog op 9 en 21 augustus 2024 met elkaar gecorrespondeerd, maar tot een oplossing van het geschil is het niet gekomen.
Op 21 augustus 2024 heeft de curator conservatoir (bank)beslag gelegd ten laste van ECE.
3. Het geschil
in conventie
De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ECE veroordeelt tot betaling aan hem van:
een bedrag van € 307.198,36, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (subsidiair wettelijke rente) vanaf de vervaldatum van de onderligende facturen, voor zover opgesteld, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding;
een bedrag van € 3.311,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
een bedrag van € 679,68 aan beslagkosten en een bedrag van € 320,00 van het griffierecht in het beslagrekest;
de proceskosten en nakosten.
ECE voert verweer en concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat de overeenkomst van rechtswege is geëindigd dan wel is ontbonden dan wel is vernietigd;
de curator niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, dan wel zijn vorderingen afwijst;
de curator veroordeelt in de proceskosten en nakosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
ECE vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat Global tegenover ECE toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de opdrachtovereenkomst;
Global dan wel de boedel van Global veroordeelt tot betaling van een bedrag van
€ 91.500,00 te vermeerderen met € 37.500,00 dan wel tot betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
indien en voor zover de rechtbank vaststelt dat ECE een bedrag aan de boedel verschuldigd is, Global dan wel de boedel van Global uit hoofde van de verleende vrijwaring veroordeelt tot betaling van eenzelfde bedrag, dan wel tot betaling van een in goede justitie vast te stellen bedrag, maar niet meer dan € 56.852,53;
de curator veroordeelt in de proceskosten en nakosten.
De curator voert verweer en concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ECE niet ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, dan wel alle vorderingen van ECE afwijst, met veroordeling van ECE in de proceskosten en nakosten.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Hoewel de vorderingen in conventie en in reconventie samenhangen zullen de vorderingen, omwille van de overzichtelijkheid, apart worden beoordeeld.
in conventie
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de overeenkomst een einde is gekomen. Bij de beoordeling van de vorderingen van partijen is dat dan ook het uitgangspunt. Partijen twisten over de vraag wat de consequenties zijn van de beëindiging van de overeenkomst. De curator stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat ECE toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de openstaande facturen van Global voor de door haar tot en met 15 september 2023 beschikbaar gestelde bemanning onbetaald te laten.
ECE daarentegen stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de overeenkomst van rechtswege is geëindigd dan wel dat zij de overeenkomst heeft ontbonden en daarom met terugwerkende kracht niet gehouden is de openstaande facturen te betalen. Daartoe voert ECE aan dat Global toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat Global in strijd met onder meer de artikelen 1 en 3 van de overeenkomst de aan haar uitgeleende bemanning niet zelf in loondienst had, maar dat een payrollorganisatie zorg droeg voor de betaling van de salarissen en sociale premies. Ook het beroep van ECE op dwaling is op deze leest gestoeld.
Partijen verschillen van mening hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd en welke verplichtingen uit die overeenkomst voortvloeien. In het bijzonder twisten partijen over de vraag of uit de overeenkomst voortvloeit dat op Global de verplichting rust de uitgeleende bemanning zelf in dienst te hebben en zelf voor de betaling van de salarissen en sociale premies zorg te dragen.
Uitleg overeenkomst
Bij de uitleg van de overeenkomst is van belang dat sprake is van een commerciële overeenkomst, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld. In de overeenkomst zijn de wederzijdse rechten en verplichtingen nauwkeurig vastgelegd. Dit betekent dat aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de overeenkomst in beginsel grote betekenis toekomt. Dit neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bewoordingen van de bepalingen in de overeenkomst moet worden toegekend. Bij de uitleg van de bepalingen zijn onder meer van belang de aard van de overeenkomst, de omvang en gedetailleerdheid ervan, de wijze van totstandkoming (waarbij van belang is of partijen werden bijgestaan door deskundigen) en de overige bepalingen ervan. Daarnaast komt betekenis toe aan de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg en aan de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst. Doorslaggevend blijft uiteindelijk de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet uit de bewoordingen van de overeenkomst dat Global verplicht was om de bemanning in dienst te hebben. Niet uit sub D onder “Whereas” en ook niet uit de artikelen 1 en 3 van de overeenkomst waarop ECE zich uitdrukkelijk beroept. De verplichting uit de overeenkomst voor Global is het beschikbaar stellen van bemanning aan ECE voor het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van het project Luchterduinen, niet dat de bemanning bij Global in dienst moet zijn. Een andere uitleg dan deze letterlijke tekst in de overeenkomst ligt dan ook niet voor de hand. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tussen partijen is gesproken over het verplicht bij Global in dienst zijn van de bemanning. Bezien in samenhang met de door de curator omschreven gebruikelijke werkwijze in de uitleenbranche van scheepsbemanning, die door ECE is bevestigd, heeft ECE redelijkerwijs niets anders mogen begrijpen dan dat de overeenkomst Global verplichtte tot het beschikbaar stellen van de bemanning aan ECE
De overeenkomst is niet van rechtswege geëindigd
Met de hiervoor gegeven uitleg van de overeenkomst kan er geen sprake van zijn dat de overeenkomst op grond van artikel 2.4 van de overeenkomst van rechtswege is geëindigd vanwege het niet in dienst zijn van de bemanning bij Global. Global was uit hoofde van de overeenkomst gehouden tot het beschikbaar stellen van bemanning en heeft dat gedaan. Dat Global de bemanning beschikbaar heeft gesteld is door ECE erkend.
De overeenkomst is geëindigd door opzegging op grond van artikel 2.3 van de overeenkomst
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de overeenkomst per 15 september 2023 in ieder geval een einde is gekomen door de opzegging van ECE per die datum op grond van artikel 2.3 van de overeenkomst vanwege de op 13 september 2023 uitgesproken surseance van betaling van Global. Bij de beoordeling van de vorderingen van partijen is dat dan ook het uitgangspunt.
Geen ontbinding van de overeenkomst op grond van een toerekenbare tekortkoming van Global
Naar het oordeel van de rechtbank laat de letterlijke tekst van de overeenkomst geen ruimte voor de door ECE gegeven uitleg van de artikelen 1 en 3 over het verplicht in dienst zijn van de bemanning bij Global en het betalen van de salarissen en sociale premies van de bemanning door Global zelf. In de overeenkomst staat dat Global verantwoordelijk is voor het betalen van de salarissen en sociale premies van de bemanning, niet dat zij dat zelf dient te doen. Het staat Global dus vrij om die betalingen via een payrollorganisatie te laten lopen. Een ontbinding van de overeenkomst op grond van het door ECE hiervoor aangevoerde is dus niet aan de orde.
Geen vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling
ECE heeft ook nog een beroep gedaan op vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling. ECE stelt zich daarbij op het standpunt dat de overeenkomst onder een onjuiste voorstelling van zaken tot stand is gekomen. Doordat Global de diensten niet zelf verrichtte, zoals in de artikelen 1.1, 1.4, 3.1 en 3.2 van de overeenkomst is bepaald, maar dat liet doen door een payrollorganisatie bestond niet het werkgeverschap van Global dat ECE veronderstelde dat zou bestaan. Bij een juiste voorstelling van zaken zou deze overeenkomst niet zijn gesloten dan wel niet met deze inhoud. De dwaling is te wijten aan het onjuist verschaffen van inlichtingen door Global en het verzwijgen van belangrijke informatie.
Het beroep op dwaling slaagt niet. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de uitleg van de bepalingen in de overeenkomst, het feit dat niet is komen vast te staan dat partijen voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst hebben gesproken over een verplicht werkgeverschap van Global en de onbetwiste, in de branche gebruikelijke, werkwijze van Global ter zake het uitlenen van scheepsbemanning, kan van een onjuiste voorstelling van zaken bij ECE bij het aangaan van de overeenkomst geen sprake zijn.
De vordering van de curator
De curator vordert uit hoofde van de overeenkomst betaling van een totaalbedrag van € 307.198,36 voor de door Global aan ECE tot en met 15 september 2023 ter beschikking gestelde bemanning en een shore based manager [naam 3] (hierna: [naam 3]) voor de projecten Luchterduinen en Ballast Nedam. In dat verband verwijst de curator naar een overzicht van onbetaalde facturen van in totaal € 192.878,36, te weten
€ 180.591,99 voor het project Luchterduinen en € 12.286,37 voor het project Ballast Nedam (productie 14 van de curator) en naar een overzicht met de berekening van de nog verschuldigde vergoeding van 4 tot en met 15 september 2023 van in totaal € 114.320,00 (productie 15 van de curator).
Het standpunt van ECE
ECE betwist dat zij tot enige betaling jegens de curator gehouden is, omdat de grondslag van de vordering onduidelijk is en onduidelijk is welke facturen verschuldigd zijn. De curator heeft eerst de verkeerde vennootschap aangeschreven en vervolgens de beweerdelijke vordering zonder deugdelijke toelichting/onderbouwing met € 100.000,00 verhoogd. De in dit verband overgelegde facturen kunnen volgens ECE niet worden aangemerkt als een deugdelijke toelichting/onderbouwing.
ECE betoogt verder dat zij op 12 september 2023 een telefoontje kreeg van ([naam 1] van) Global, waarin deze mededeelde dat Global in financiële problemen zat en niet in staat zou zijn om de betaling van de bemanning, die op 20 september 2023 verschuldigd zou worden, te regelen. Onmiddellijk na 13 september 2023 informeerde deze bestuurder ECE dat er geen mogelijkheid was dat de bemanning zou worden betaald via betalingen van Global en dat ECE op zoek moest naar een ander bureau om in de plaats van Global te treden, en de betalingen aan de bemanning die op 20 september 2023 verschuldigd waren voor de periode tot 31 augustus 2023 of verdere betalingen voor werk dat door de bemanning in september was uitgevoerd, te faciliteren.
ECE heeft vervolgens De Kleinbouwers ingeschakeld en heeft de salarissen van de projectbemanningsleden over de weken 34 tot en met 37 aan / via De Kleinbouwers betaald.
Daarnaast heeft Global voor de weken 36 en 37 geen facturen gestuurd en de urenlijsten die Global heeft overgelegd zijn niet door ECE getekend zoals dat volgens artikel 5.3 van de overeenkomst had moeten gebeuren. Dat betekent volgens ECE dat de curator geen bewijs heeft geleverd dat de bemanningsleden de gestelde uren daadwerkelijk hebben gewerkt en de beweerdelijke vordering van € 114.320,00 niet opeisbaar is.
In ieder geval niet de door de curator gerekende uren voor [naam 3]. [naam 3] heeft namelijk van 1 september tot en met 15 september 2023 rechtstreeks voor ECE gewerkt en ook rechtstreeks aan ECE gefactureerd, aldus steeds ECE.
De vordering van de curator is niet onduidelijk
Anders dan ECE is de rechtbank van oordeel dat de feiten en/of omstandigheden over het geschil dat partijen verdeeld houdt door de curator zijn gesteld. De verwijzing naar de bijlagen (producties 14 en 15 van de curator) voor wat betreft de onderbouwing voor zover die ziet op de inzet van de bemanning ten behoeve van het project Luchterduinen is voldoende. Voor een deel (week 31 tot en met 35) is de inzet van de bemanning gefactureerd en is steeds een specificatie bijgevoegd. Voor de periode van 4 tot en met 15 september 2023 is inzichtelijk gemaakt om welke kosten van de bemanning het gaat. Een juridische grondslag voor de vordering is door de curator wel gesteld, namelijk nakoming van de betalingsverplichting van ECE uit de tussen Global en ECE gesloten overeenkomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering van de curator voldoende duidelijk is.
ECE heeft de vordering van de curator deels erkend
Tijdens de zitting heeft ECE erkend dat Global betaling toekomt van
€ 12.286,37 voor het project Ballast Nedam en van € 27.381,99 aan gerelateerde doorbelastingen en kosten ten behoeve van het project Luchterduinen.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vordering ten aanzien van deze beide bedragen, als niet langer betwist, reeds voor toewijzing vatbaar is.
De nadere beoordeling van de vordering van de curator
Vast staat dat de overeenkomst tussen Global en ECE op 15 september 2023 tot een einde is gekomen en dat Global tot die datum bemanningsleden aan ECE ter beschikking heeft gesteld. ECE is dan ook verplicht om tot die datum de overeengekomen vergoedingen aan Global te betalen. Het gegeven dat - zoals ECE stelt - [naam 1] na 13 september 2023 (de datum waarop aan Global voorlopig een surseance van betaling is verleend) aan ECE heeft geadviseerd om naar een ander bureau op zoek te gaan en ECE vervolgens de bemanning voor de periode van 21 augustus tot en met 15 september 2023 (week 34 tot en met 37) via De Kleinbouwers heeft betaald, maakt niet dat ECE deze betalingen niet (langer) aan Global verschuldigd is.
Uren voor week 36 en 37 staan vast en vergoeding hiervoor is opeisbaar vanaf dagvaarding
De curator heeft bij dagvaarding (productie 15 van de curator) duidelijk gemaakt voor welke uren in week 36 en 37 ECE betaling verschuldigd is. Global heeft aan ECE verzocht om de urenlijst voor week 36 te ondertekenen (productie 21 van de curator), maar ECE heeft dat geweigerd. Inhoudelijk heeft ECE het aantal uren niet betwist en op de factuur van De Kleinbouwers (productie 19 van de curator) staan dezelfde namen van bemanningsleden als op de specificatie van de curator. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de curator voldoende heeft onderbouwd dat de bemanningsleden de uren als vermeld in het overzicht van de curator voor week 36 en 37 daadwerkelijk hebben gewerkt. Nu de curator hier bij dagvaarding duidelijkheid over heeft gegeven en aanspraak heeft gemaakt op de vergoeding voor deze uren is deze vordering ook opeisbaar vanaf de dagvaarding.
Uren voor [naam 3] tot en met 15 september 2023 moet ECE ook betalen
Voor de maanden juli en augustus 2023 heeft [naam 3] (via Malta Mermaid Ltd.) aan Global gefactureerd en heeft Global deze facturen ook voldaan (productie 16 van de curator). Uit het enkele feit dat [naam 3] vanaf 1 september 2023 rechtstreeks aan ECE heeft gefactureerd volgt niet dat ECE per die datum geen vergoeding meer aan Global verschuldigd was voor de inzet van [naam 3]. De overeenkomst tussen Global en ECE, waar de inzet van [naam 3] onderdeel van uitmaakt, liep immers door tot aan 15 september 2023.
Conclusie: ECE moet € 307.198,36 aan de curator betalen
Naast de betwistingen en verweren van ECE die hiervoor zijn besproken en verworpen heeft ECE overigens niets aangevoerd ter betwisting van de vordering van de curator.
Dit alles leidt ertoe dat de vordering in conventie van de curator ad € 307.198,36 volledig toewijsbaar is.
Wettelijke handelsrente
De curator maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) en subsidiair, de wettelijke rente (artikel 6:119 BW) vanaf de datum waarop ECE in verzuim verkeerde met de betaling, zijnde de vervaldatum van de onderliggende facturen, althans vanaf 17 november 2023 (de betaaldatum die is genoemd in de brief van de curator van 1 november 2023 (productie 7 van de curator)), althans (voor zover geen factuur is verzonden) vanaf de dag van dagvaarding.
ECE heeft ten aanzien van de gevorderde rente aangevoerd dat zij door de curator steeds met verschillende bedragen is geconfronteerd, niet correct is aangeschreven, een duidelijke grondslag van de vordering ontbreekt en haar verzuim in het geheel nog niet vaststond. Daarom meent ECE dat zij pas wettelijke rente verschuldigd kan zijn vanaf het moment waarop de vordering daadwerkelijk vaststaat en voldoende bepaalbaar is, namelijk de vonnisdatum. Ter adstructie verwijst zij naar de jurisprudentie in huurprijsgeschillen.
De rechtbank zal de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) toewijzen. De vordering betreft immers een handelsovereenkomst. In het feit dat pas bij dagvaarding voor ECE duidelijk was op welke bedragen en gronden de curator precies aanspraak maakte ziet de rechtbank aanleiding om de handelsrente toe te wijzen vanaf de datum van dagvaarding.
Buitengerechtelijke kosten
De curator maakt aanspraak op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 3.311,00. ECE heeft niet weersproken dat de curator recht heeft op een vergoeding hiervan. Het gevorderde bedrag is, gezien het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief, toewijsbaar.
Beslagkosten
De curator vordert ECE te veroordelen tot betaling van € 679,68 aan beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, zij het tot een bedrag van € 669,02, zijnde de som van de (over)betekeningsexploten. Voor de opbouw van het hiervoor genoemde bedrag heeft de curator verwezen naar productie 13 bij dagvaarding, die ziet op betekeningskosten c.q. verschotten. Uit deze productie blijkt dat het totaalbedrag aan explootkosten € 669,02 (€ 282,27 + € 285,72 + € 101,03) is. Vermeerderd met de kosten die de curator nog heeft gehad aan griffierecht voor het beslagrekest ad € 320,00 worden de beslagkosten in totaal vastgesteld op € 989,02:
€ 669,02 kosten deurwaardersexploot en verschotten,
€ 320,00 griffierecht (beslagrekest).
in reconventie
ECE vordert in reconventie een verklaring voor recht dat Global tegenover ECE toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Verder vordert ECE betaling van de schade op grond van de gestelde toerekenbare tekortkoming, alsmede nakoming van een door Global verstrekte vrijwaring op grond van de overeenkomst.
Volgens de curator hebben deze vorderingen een verbintenis uit de boedel ten doel en dus moeten deze vorderingen ter verificatie bij de curator worden aangemeld. ECE moet daarom niet-ontvankelijk in haar vorderingen worden verklaard.
Volgens de hoofdregel van artikel 26 Faillissementswet (Fw) geldt dat vorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben gedurende het faillissement moeten worden ingesteld door aanmelding ter verificatie bij de curator (artikel 110 Fw).
ECE heeft aan haar vorderingen in reconventie ten grondslag gelegd de tussen partijen gesloten overeenkomst. De door ECE in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat Global toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, de gevorderde schadevergoeding op grond van de beweerdelijke tekortkoming en de nakoming van een door Global verstrekte vrijwaring op grond van de overeenkomst kunnen niet anders gekwalificeerd worden als vorderingen die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben, als bedoeld in artikel 26 Fw. Zulke vorderingen kunnen tijdens het faillissement van Global enkel en alleen ter verificatie bij de curator van Global worden ingediend. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat ECE niet-ontvankelijk in haar vorderingen moet worden verklaard.
in conventie en in reconventie
Proceskosten
Van misbruik van procesrecht door Global - zoals ECE heeft geconcludeerd naar aanleiding van de inhoud van haar conclusie van antwoord - is geen sprake. ECE is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie en in reconventie (inclusief de nakosten) betalen.
In conventie zal de rechtbank, gelet op de bedragen waar de curator recht op heeft, tarief VI toepassen. In reconventie gaat de rechtbank, gelet op de samenhang met conventie, uit van tarief IV en waardeert zij de verrichtingen op halve punten.
explootkosten € 135,97
griffierecht € 6.617,00
salaris advocaat in conventie € 8.142,00 (2 punten + 1 punt beslag x tarief VI
€ 2.714,00)
salaris advocaat in reconventie € 1.214,00 (2 punten x 0,5 x tarief IV € 1.214,00)
nakosten € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 16.386,97
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt ECE aan de curator te betalen € 307.198,36 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt ECE aan de curator te betalen € 3.311,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt ECE aan de curator te betalen € 989,02 aan beslagkosten,
wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie
verklaart ECE niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
in conventie en in reconventie
veroordeelt ECE in de proceskosten van de curator, tot op heden begroot op
€ 16.386,97, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis; als ECE niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet ECE € 92,00 extra aan de curator betalen, plus de kosten van betekening,
verklaart de onderdelen 5.1, 5.2, 5.3 en 5.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2025.
1451/2459