RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4308
(gemachtigde: mr. M. Shaaban),
en
(gemachtigde: [persoon A] .
1. Deze uitspraak gaat over een besluit van het CBR waarin het rijbewijs van eiser ongeldig is verklaard omdat hij wegens alcoholmisbruik niet geschikt is bevonden om te rijden. Eiser is het niet eens met het ongeldig verklaren van zijn rijbewijs. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het rijbewijs van eiser terecht ongeldig is verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 april 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is op 30 november 2024 aangehouden op verdenking van rijden onder invloed met een motorvoertuig (bromfiets/scooter). Bij een ademanalyse werd een ademalcoholgehalte gemeten van 1115 µg/l. Deze hoeveelheid alcohol oversteeg de grens waarbij het CBR een onderzoek naar de rijgeschiktheid dient op te leggen. Het CBR heeft eiser dan ook dit onderzoek opgelegd en eiser heeft hieraan meegewerkt. De psychiater heeft in het verslag van bevindingen van 7 januari 2025 geconcludeerd dat er voldoende aanwijzingen zijn dat er ten tijde van de eerste aanhouding sprake was van alcoholmisbruik in de zin der wet. Het CBR heeft naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard per 11 maart 2025 omdat sprake is van alcoholmisbruik.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Had het CBR eiser moeten horen in bezwaar?
5. Eiser voert aan dat het CBR ten onrechte heeft besloten om hem niet in bezwaar te horen en het bezwaar als kennelijk ongegrond af te doen.
Het horen is erop gericht om nadere informatie te verkrijgen, zodat het bestuursorgaan over alle feiten en omstandigheden beschikt teneinde een volledige heroverweging van het bestreden besluit te kunnen verrichten. De beslissing om artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. Gelet op wat eiser in het bezwaarschrift naar voren heeft gebracht en de van toepassing zijnde regelgeving was er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de uitkomst van het bezwaar. Eiser heeft in beroep niet nader onderbouwd waarom het CBR niet tot deze beslissing mocht komen op basis van het bezwaarschrift. Dat eiser in beroep meer beroepsgronden aanvoert doet daar niet aan af, dat had het CBR in bezwaar immers niet kunnen weten. De stelling dat het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kon worden afgedaan treft daarom geen doel.
Mocht het CBR het verslag van bevindingen van de psychiater ten grondslag leggen aan het besluit?
6. Eiser betoogt dat het CBR ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat sprake is van een stoornis in alcoholgebruik. Daartoe voert hij aan dat het CBR het verslag niet ten grondslag had mogen leggen aan het bestreden besluit, aangezien het verslag naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet concludent is. Hij stelt dat van misbruik niet blijkt omdat hij geen recidivist is. Voor zowel rijden onder invloed niet, als voor openbare dronkenschap. De enkele omstandigheid dat hij eenmalig met een erg hoog promillage de fout is ingegaan, kan niet leiden tot de conclusie dat bij eiser sprake is van alcoholmisbruik. Eiser voert verder aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn blokkeringsrecht uit te oefenen. Ook is het besluit genomen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiser werkt als taxichauffeur en heeft daarvoor zijn rijbewijs nodig.
Met het CBR is de rechtbank van oordeel dat, in een geval waarin de diagnose misbruik van drugs of alcohol in ruime zin is gesteld, er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) slechts aanleiding bestaat om de ongeldigverklaring van een rijbewijs niet in stand te laten als het psychiatrische rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Daarbij is het niet aan het CBR en niet aan de bestuursrechter om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat. De Afdeling heeft verder overwogen dat het diagnosticeren van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen gericht is op het algemene belang van de verkeersveiligheid. In dat kader wordt in paragraaf 8.8 van de Bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 (de Bijlage) een strenge opstelling voorgeschreven voor de psychiater en arts. De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ ten behoeve van CBR-zaken is een beschrijvende diagnose waarbij alle gegevens worden gebruikt die wijzen in de richting van problemen rond alcoholgebruik. Deze beschrijvende diagnose verschilt van de DSM-5 diagnose ‘stoornis in alcoholgebruik’. Een diagnose op grond van paragraaf 8.8 van de Bijlage betekent dus niet dat ook sprake moet zijn van alcoholisme in algemene zin. Er is voor toepassing van paragraaf 8.8 van de Bijlage geen strikte verbondenheid aan een diagnose conform de DSM-classificatie vereist. Het is dus ook niet noodzakelijk dat de gedragingen en omstandigheden precies in de kenmerken van de DSM-classificatie passen. Het alcohol- en drugsmisbruik kan worden gesteld op basis van alle beschikbare medische en niet-medische gegevens.
De rechtbank ziet geen aanleiding het rapport inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent te achten. De psychiater heeft op een begrijpelijke wijze uiteengezet waar hij zijn conclusies op heeft gebaseerd. De psychiater heeft ook de discrepanties in het verhaal van eiser vergeleken met de bevindingen van de politie. Dat eiser niet eerder is aangehouden voor een delict met betrekking tot alcohol betekent niet dat er geen sprake kan zijn van alcoholmisbruik in de zin der wet. Eiser is opgepakt met een forse overschrijding van het toegestane ademalcoholgehalte die bij een ongetrainde drinker tot ernstige intoxicatie verschijnselen van alcohol zou leiden. Bij eiser was dit niet het geval, dit is een aanwijzing voor verhoogde alcoholtolerantie. Uit het verslag van de psychiater blijkt ook dat het inzage- en blokkeringsrecht met eiser is besproken. De enkele ontkenning dat de psychiater dit met eiser heeft besproken is onvoldoende om het rapport van de psychiater te weerleggen.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de toepasselijke bepalingen uit de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) en de Regeling geen ruimte laten om een belangenafweging te maken. Artikel 134, tweede lid, van de Wvw 1994 heeft een dwingend karakter. Als sprake is van een in de Regeling aangewezen geval, dient het CBR de daarbij behorende maatregel op te leggen. Hetgeen eiser over de evenredigheid van de maatregel heeft aangevoerd, kan daarom in het midden worden gelaten. De rechter kan alleen in zeer uitzonderlijke gevallen oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het CBR heeft een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het zwaarwegende algemeen belang van de verkeersveiligheid dan aan het persoonlijk belang van eiser om zijn rijbewijs te houden. Daarbij heeft het CBR kunnen betrekken dat eiser met een forse overschrijding van de toegestane ademalcoholgehalte is aangetroffen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser zijn rijbewijs niet terugkrijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
De rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000
Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.
Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.
Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.
Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.