Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 1 december 2025
[verzoeker] ,
wonende te [adres]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 4 november 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 4 november 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 november 2025.
Ter zitting van 21 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verzoeker niet op de verzoeken van schuldhulpverlening reageert. Aan verzoeker was per 29 september 2025 een PW-uitkering verstrekt, nadat deze eerder was stopgezet. De uitkering is voor het laatst op 24 oktober 2025 uitbetaald. De uitkering is wederom opgeschort, omdat verzoeker heeft verzuimd stukken aan te leveren. Het is schuldhulpverlening niet bekend of de lopende huurtermijnen zijn betaald. De klantregisseur van verzoeker was doende de schulden te inventariseren, echter nu verzoeker op geen enkele wijze reageert, kunnen de schulden niet worden vastgesteld.
3. Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Sinds mei 2025 is er geen huur meer betaald. Bovendien blijkt uit het register niet dat ten aanzien van verzoeker beschermingsbewind is uitgesproken. Er zijn onvoldoende waarborgen dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden betaald.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 15 oktober 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 november 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 8 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker is niet ter zitting verschenen. Hij reageert niet op de verzoeken van schuldhulpverlening. De PW-uitkering van verzoeker is wederom opgeschort, omdat hij niet de door de gemeente verzochte stukken heeft aangeleverd. Bovendien is er sinds mei 2025 geen huur meer betaald. Het schuldhulpverleningstraject kan niet worden opgestart, omdat verzoeker niet reageert op verzoeken van schuldhulpverlening. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.