RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710680 / JE RK 25-2425
Datum uitspraak: 17 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende in Vlaardingen,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlage van de Raad van 25 november 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder, mr. W.J. Oomkes waarnemend voor mr. W.J.J. Trooster;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2] .
De moeder is verschenen, maar is vertrokken voordat de zitting begon, omdat de kinderrechter had besloten dat de partner van de moeder niet aanwezig mocht zijn bij de besloten zitting.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [naam 3] , tante van [minderjarige] , en haar vervolgens aangemerkt als informant.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek met haar. [minderjarige] heeft hieraan gevolg gegeven en voorafgaand aan de zitting heeft dit gesprek plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij zijn oom en tante.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen tot zijn meerderjarigheid, te weten tot 9 september 2026. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te verlenen tot zijn meerderjarigheid, te weten tot 9 september 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De moeder toont onvoldoende vermogen het belang van [minderjarige] voorop te stellen. In de komende periode dient te worden gewerkt aan het herstel van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Zoals [minderjarige] heeft aangegeven, is een uitje naar een restaurant een goed voorstel. Mogelijk kunnen zijn broers en zus hierbij worden betrokken. Volgens [minderjarige] zouden zij dat ook fijn vinden.
4. Het standpunt van de GI
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Het is zorgelijk dat [minderjarige] zich verantwoordelijk voelt voor zijn moeder. Dit vraagt om nadere aandacht, evenals het herstel van het contact tussen [minderjarige] en zijn moeder.
5. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt ingestemd met de ondertoezichtstelling, maar wordt verweer gevoerd tegen het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder staat open voor hulpverlening en stemt ermee in dat [minderjarige] bij zijn oom en tante verblijft, maar zij wil hiervoor niet tekenen en wil de huidige situatie niet als uithuisplaatsing laten kwalificeren. Artikel 1:265a Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij het uitspreken van een ondertoezichtstelling en het feitelijk elders verblijven van een minderjarige een machtiging tot uithuisplaatsing is vereist. De advocaat van de moeder verwijst naar andere rechtspraak waarbij is overwogen dat een uithuisplaatsing een inbreuk vormt op het gezins- en familieleven als bedoeld in artikel 8 lid 2 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en dat de machtiging daarvoor daarom slechts mag worden verleend indien een uithuisplaatsing strikt noodzakelijk is. In de casus waarnaar wordt verwezen is overwogen dat – indien het verlenen van een machtiging de situatie eerder verergert dan verbetert en de ouders instemmen – de minderjarige beter op vrijwillige basis elders kan verblijven dan op grond van een machtiging. Het verschil met die casus is dat de ouders daar zelf het initiatief tot plaatsing hebben genomen. In het geval van deze zaak zal het verlenen van een machtiging echter ook averechts werken. De machtiging is namelijk niet noodzakelijk, nu de moeder instemt met het verblijf van [minderjarige] bij zijn oom en tante. Indien de moeder in de toekomst haar toestemming zou intrekken, kan alsnog een spoedmachtiging worden verzocht. Namens de moeder wordt daarom om afwijzing van de machtiging uithuisplaatsing verzocht.
6. Het standpunt van de vader
De vader stemt in met het verzoek en is blij dat [minderjarige] bij zijn oom en tante – zus van de vader – verblijft. In de periode direct na zijn komst bij zijn oom en tante was er nog sprake van uitspattingen en contact met verkeerde vrienden, maar inmiddels is sprake van rust en stabiliteit. [minderjarige] is opgefleurd en ziet er gezonder uit. Op school is men tevreden over hem.
7. De informant (de tante)
Toen [minderjarige] een half jaar geleden bij zijn oom en tante kwam wonen, was hij gestrest. Inmiddels is er sprake van een duidelijk verschil: het gaat goed met hem en hij is ontspannen. De zorgen die [minderjarige] heeft over zijn moeder zijn nog aanwezig en reëel. Gezien alles wat er is gebeurd, is het wenselijk dat er hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet. Zoals [minderjarige] zelf heeft aangegeven, is het een goed idee dat een neutrale persoon wordt betrokken. Dit zal naar verwachting bijdragen aan meer rust bij [minderjarige] , de moeder en de vader.
8. De beoordeling
Ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De ouders van [minderjarige] zijn gescheiden toen hij vijf jaar oud was, waarna hij bij zijn moeder bleef wonen. [minderjarige] groeide op in een instabiele thuissituatie, waarin de moeder onvoldoende beschikbaar was voor hem en waarin sprake was van alcohol- en drugsgebruik. Op enig moment blowde [minderjarige] samen met zijn moeder in huis. De moeder kampt met persoonlijke problematiek waardoor het haar niet lukt het belang van [minderjarige] voorop te stellen. [minderjarige] maakt zich zorgen om zijn moeder, hetgeen niet past bij de rol van een kind. Op dit moment is er geen contact tussen de moeder en [minderjarige] , terwijl [minderjarige] wel de wens heeft om dit contact te herstellen. Het is van belang dat door een neutrale derde wordt onderzocht op welke wijze omgang mogelijk is, waarbij rekening wordt gehouden met het tempo en de behoeften van [minderjarige] . De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [minderjarige] heeft hulpverlening nodig, maar de moeder weigert hieraan mee te werken. Het is daarom noodzakelijk dat een jeugdbeschermer wordt betrokken om de regie te voeren en te beoordelen wat in het belang van [minderjarige] is.
Gelet op voorgaande is het van belang dat een jeugdbeschermer betrokken raakt om de belangen van [minderjarige] te behartigen, de benodigde hulpverlening in gang te zetten en te onderzoeken hoe omgang tussen [minderjarige] (en eventueel zijn broers en zus) en zijn moeder vorm kan krijgen. De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht tot [minderjarige] zijn meerderjarigheid, te weten tot 9 september 2026.
Machtiging tot uithuisplaatsing
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige] verblijft sinds 5 mei 2025 op vrijwillige basis bij zijn oom en tante, waar hij de rust en stabiliteit ervaart die hij nodig heeft. Alle betrokkenen zijn het eens dat dit verblijf moet worden voortgezet, maar de moeder wil dit niet formaliseren. Het wettelijke uitgangspunt is dat een machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk is wanneer er een ondertoezichtstelling loopt en de minderjarige elders verblijft. De situatie waarnaar de advocaat van de moeder verwijst, verschilt wezenlijk van de situatie van [minderjarige] . De moeder van [minderjarige] heeft immers niet zelf het initiatief genomen voor het elders laten verblijven van [minderjarige] . De kinderrechter ziet dat de moeder het heel moeilijk heeft met het verblijf van [minderjarige] bij zijn tante en oom. Dat zij tegelijkertijd begrijpt dat het niet anders kan, maakt nog niet dat zij in volle overtuiging achter [minderjarige] ’s verblijf aldaar staat. Daar komt bij dat het nu zo kan zijn dat de moeder – schoorvoetend en nog altijd zonder formele instemming – akkoord gaat met de uithuisplaatsing, maar dat zegt niets over de vraag of zij dit op termijn zal blijven doen. Voor [minderjarige] is noodzakelijk dat hij weet waar hij aan toe is. Ook voor de moeder zelf is van belang dat met een rechterlijke toets wordt vastgesteld dat voldaan wordt aan de criteria voor uithuisplaatsing. Daarnaast biedt formalisering van de uithuisplaatsing praktische voordelen voor het pleeggezin. Wel benadrukt de kinderrechter dat het [minderjarige] goed zou doen als de moeder zich werkelijk kan verzoenen met het feit dat hij nu bij zijn tante en oom woont. In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] duidelijk gemaakt dat hij het graag goed wil hebben met zijn moeder. Daarvoor is nodig dat zij de huidige situatie accepteert en dat zij zich openstelt voor contactherstel met [minderjarige] . De kinderrechter roept de moeder op te luisteren naar wat [minderjarige] nodig heeft.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
9. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 17 december 2025 tot 9 september 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor netwerkpleegzorg met ingang van 17 december 2025 tot 9 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.