Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-232097-25
Datum uitspraak: 15 december 2025
Datum zitting: 15 december 2025
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1967 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. B. Kizilocak
Officier van justitie: mr. D.D.B. Reuter
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is bij partijen drugs en zich heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne, heroïne en amfetamine. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:
hij op of omstreeks 2 september 2025 te Vlaardingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer (netto) 18808 en/of 20068 en/of 20008 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
hij op of omstreeks 2 september 2025 te Vlaardingen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de kanttekening dat alleen een hoeveelheid van heroïne bewezen kan worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
1.op 2 september 2025 te Vlaardingen opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2.op 2 september 2025 te Vlaardingen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.
Bewijsmiddelen
1.
De bewezenverklaring van het eerste feit is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
1. Verklaring van de verdachte
2. Deskundigenverslagen
3. Proces-verbaal van de politie
4. Proces-verbaal van de politie
5. Proces-verbaal van de politie
2.
De bewezenverklaring van het tweede feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.
1. Verklaring van de verdachte
De hydraulische pomp en drugsmallen die in mijn woning zijn aangetroffen heb ik bewaard in mijn huis voor een vriend van mij. Wij hebben de materialen samen opgehaald en naar mijn huis gebracht. Dat was één dag voordat ik de tassen heb vervoerd waarin later de verdovende middelen zijn aangetroffen. Ik heb alles bij elkaar er wel aan gedacht dat het om drugs zou kunnen gaan.
2. Proces-verbaal van de politie Op 2 september 2025 is in de woning [adres] , [postcode] [woonplaats] , bewoond door [verdachte] , inbeslaggenomen:- Drugspers- Hydraulische pomp- Drugsmallen.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
2.
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen op te leggen, eventueel met een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft samen met een ander persoon een flinke hoeveelheid cocaïne vervoerd. Ook heeft hij voorbereidingshandelingen getroffen tot het bewerken en/of verwerken van harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid. De verdachte heeft door zijn handelen meegewerkt aan het in stand houden van de handel in deze verdovende middelen. Met de handel in harddrugs wordt veel geld verdiend en de gehele keten hieromheen gaat gepaard met vele vormen van (ernstige) criminaliteit.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
- Strafblad
Uit het strafblad van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten in Frankrijk. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een hogere straf.
- Rapport van de reclassering
In het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 13 oktober 2025 staat onder meer het volgende.
Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon. De verdachte beschikt niet over een zinvolle dagbesteding en ontvangt een uitkering. Volgens de reclassering zijn het ontbreken van een dagbesteding en het verminderde inkomen in combinatie met openstaande schulden mogelijk delictgerelateerd. De huisvesting van de verdachte is direct delictgerelateerd omdat in zijn woning de voorbereidingsvoorwerpen ten behoeve van harddrugs zijn gevonden. Verder ziet de reclassering het sociaal netwerk van de verdachte als direct delictgerelateerd omdat de medeverdachte een vriend van de verdachte is. De steunende rol van zijn familie en het sociaal netwerk ziet de reclassering als positieve factoren.
Het recidiverisico kan niet worden ingeschat gelet op de ontkennende houding van de verdachte. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor het opstellen van bijzondere voorwaarden, omdat zij de risico's onvoldoende kan inschatten en hierdoor geen zicht heeft op hetgeen de risico's zou kunnen verminderen. Daarnaast is de uitvoerbaarheid van eventuele voorwaarden lastiger als gevolg van de taalbarrière.
- Overige persoonlijke omstandigheden
De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft veel last van zijn fysieke beperkingen ten gevolge van een ontvoering, bedreiging en mishandeling. De woning van de verdachte was tijdelijk gesloten, maar de bestuursrechter heeft beslist dat de woning binnenkort weer bewoond mag worden. De verdachte wil zijn woning graag behouden en is van plan na zijn detentie weer te gaan werken als vrachtwagenchauffeur.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank ziet redenen om de verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De verdachte is een belangrijke schakel geweest bij de handel in harddrugs maar zijn rol in het geheel is beperkt gebleven. De rechtbank maakt daarbij de vergelijking van de rol van de verdachte met die van een uithaler. Verder houdt de rechtbank rekening met de houding van de verdachte op de zitting.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 30 maanden opgelegd met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Van deze gevangenisstraf worden 15 maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Anders dan de verdediging en gelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank geen aanleiding om bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf te verbinden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen drukpers, stempels en krik worden verbeurd verklaard en de telefoon aan de verdachte wordt teruggegeven.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor feit 2 worden de in beslag genomen drukpers, stempels en krik verbeurd verklaard (nummers 2 tot en met 4). Deze voorwerpen zijn ook vatbaar voor verbeurdverklaring. Het onder 2 strafbare feit is met betrekking tot de drukpers, stempels en krik gepleegd. Er kan niet worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen Samsung telefoon aan de verdachte (nummer 1).
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals onder 2 zijn omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 15 (vijftien) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
In beslag genomen voorwerpen
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenburg en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 december 2025.
Mrs. Tuinenburg en Hulshof zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.