Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/701171-16
Datum uitspraak: 6 juni 2025
Beslissing van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer voor strafzaken, met betrekking tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna PIJ-maatregel) van
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp.
1. Procesverloop
Op 8 mei 2018 heeft het gerechtshof Den Haag de PIJ-maatregel van de veroordeelde gelast.
De PIJ-maatregel is opgelegd ter zake van openlijke geweldpleging tegen personen en twee
straatroven. De termijn van de PIJ-maatregel is gestart op 23 mei 2018.
Op 23 mei 2024 is de PIJ-maatregel van rechtswege voorwaardelijk beëindigd. De voorwaardelijke beëindiging loopt tot 23 mei 2025.
Op 8 april 2025 heeft de rechtbank van het openbaar ministerie een vordering tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging ontvangen.
Bij die vordering zijn gevoegd:
Op 13 mei 2025 is de zaak aangehouden, omdat de veroordeelde niet is verschenen.
Op de zitting van 6 juni 2025 is de vordering in het openbaar behandeld.
De officier van justitie, mr. A.H.A. de Bruijne, de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman en de deskundige [persoon A] , reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland, zijn gehoord.
2. Standpunt van partijen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel met de maximale termijn van een jaar. De zorgmachtiging die in november 2024 is afgegeven, ziet alleen op de medicatie-inname en de mogelijkheid tot een klinische opname in een crisissituatie. Om de huidige begeleiding van Fivoor en de reclassering te kunnen voortzetten en een dagbesteding en een passende woonplek voor de veroordeelde te kunnen vinden is het forensisch kader noodzakelijk.
Standpunt van de veroordeelde
De veroordeelde en zijn raadsman hebben zich niet verzet tegen verlenging van de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. In het kader van de zorgmachtiging en in het forensisch kader worden allerlei zaken geregeld die voor de veroordeelde noodzakelijk zijn om te kunnen toewerken naar een goede toekomst. Het is daarom belangrijk dat de reclassering en Fivoor betrokken blijven en dat de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel wordt verlengd.
3. Adviezen
Advies reclassering
Het advies van 16 april 2025 houdt onder meer het volgende in.
Het verloop van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel is, net als het intramurale verloop van de maatregel, grillig te noemen. De veroordeelde is bij aanvang van de voorwaardelijke beëindiging in het kader van een toegewezen crisismachtiging tijdelijk opgenomen in een klinische setting. Omdat deze machtiging niet verlengd werd is hij eind mei 2024 bij zijn moeder gaan wonen. Vanwege oplopende spanningen thuis heeft de veroordeelde kortdurend (van juni tot september 2024) bij zijn oudste broer verbleven. Na een tijdelijk verblijf bij zijn moeder, vanwege een vakantie van deze broer, wilde de veroordeelde niet naar de woning van zijn broer terugkeren.
In oktober 2024 heeft een recidief van het psychiatrisch ziektebeeld plaatsgevonden, wat geëscaleerd is tot een (mogelijke) recidive en een mishandeling waarvan de veroordeelde het slachtoffer was. Daaropvolgend is opnieuw sprake geweest van een klinische opname in het kader van een crisismachtiging, die voortduurde op grond van een verlengde crisismachtiging en daaropvolgend een toegewezen zorgmachtiging. In december 2024 bleek dat er onvoldoende gronden werden gezien om over te gaan op gedwongen toediening van een medicatiedepot, maar ook onvoldoende gronden om zijn opname op de Forensisch Psychiatrische High & Intensive Care langer voort te laten duren. De veroordeelde werd eind december 2024 uit de kliniek ontslagen en keerde terug naar zijn moeder. Sindsdien verlopen de contacten met hem afwisselend van redelijk goed tot moeizaam, is er meerdere malen sprake geweest van (en vermoedens van) middelengebruik (cannabis) en wordt er een instabiel toestandsbeeld waargenomen door de professionals.
De eerder beschreven risico's zijn vooralsnog onveranderd hoog. De risico's worden met name gezien in de aanwezige psychische- en persoonlijkheidsproblematiek, het ontbreken van ziektebesef en - inzicht, het middelengebruik en daardoor versterkte paranoïde gedachten. De veroordeelde staat ambivalent tegenover het meewerken aan begeleiding en behandeling. Hij maakt veelal een oninvoelbare en onvoorspelbare indruk. De afgelopen periode heeft hij meermalen een geagiteerde, vijandige en dreigende houding laten zien in gesprekken met de reclassering en het FACT Fivoor. Het vermoeden bestaat dat dit gedrag samenhangt met perioden van cannabisgebruik. Daarnaast heeft het onsuccesvolle verloop van de maatregel tot nu toe zijn zelfvertrouwen en zijn vertrouwen in de hulpverlening ernstig beschadigd.
De combinatie van de aanwezige problematiek vraagt om een gedwongen (langdurige en medicamenteuze) behandeling. De veroordeelde behoeft een combinatie van zowel zorg als duidelijke kaders en regels om zijn eigen en andermans veiligheid te kunnen waarborgen. Het is onmogelijk gebleken om in het huidige kader te werken aan gedragsverandering en risicobeheersing.
Het is tevens niet mogelijk gebleken om in het kader van de voorwaarden behorende bij de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel een passende vervolgplek voor de veroordeelde te vinden. Ook de in november 2024 toegewezen zorgmachtiging heeft vooralsnog geen andere mogelijkheden opgeleverd. Er is ook nog geen zicht op mogelijk passende plekken (klinisch of ambulant). Hoewel het kader van de PIJ-maatregel ontoereikend blijkt ten aanzien van het bewerkstelligen van een passende behandeling, ziet de reclassering enige meerwaarde in het verlengen hiervan. Het verlengen van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel biedt de mogelijkheid om het huidige betrokken professionele netwerk, bestaande uit onder andere de combinatie van reclassering en Fivoor, te behouden. Op deze manier blijft er voorlopig zicht op de veroordeelde, kan er verder ingezet worden op het creëren van beschermende factoren en kan er ingegrepen worden indien dat noodzakelijk wordt bevonden, bij voorkeur voordat er een (ernstigere)recidive plaatsvindt.
Het advies luidt de termijn van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel te verlengen met één jaar.
Ter zitting gegeven adviezen
[persoon A] , reclasseringsmedewerker bij Reclassering Nederland, heeft het verlengingsadvies ter zitting toegelicht. Zij heeft onder meer verklaard dat – vanwege de complexe problematiek van de veroordeelde – het tot op heden nog niet is gelukt om een passende plek voor hem te vinden. Na de laatste crisisopname is hij weer bij zijn moeder gaan wonen. Het vaste netwerk aan begeleiders en behandelaars, waar de veroordeelde een redelijke samenwerkingsrelatie mee heeft, heeft in de afgelopen periode gezorgd voor enige stabiliteit. Fivoor is daarom bezig met het opnieuw opstellen van een woonprofiel op basis van het verloop van de afgelopen periode. Hopelijk is er dan meer kans op een passende woonplek. Zodra er een passende plek is gevonden, kan er gewerkt worden aan meer stabiliteit en beschermde factoren.
4. Beoordeling
Uit het dossier en wat er is besproken ter terechtzitting blijkt dat het gedurende de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel nog niet is gelukt om een geschikte woonplek voor de veroordeelde te vinden. Vanwege een terugval in het psychiatrisch ziektebeeld is de veroordeelde bij aanvang van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel en in oktober 2024 klinisch opgenomen geweest in het kader van een crisismachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz). In december 2024, na de laatste crisisopname, is er een zorgmachtiging afgegeven en is de veroordeelde weer bij zijn moeder gaan wonen. Hoewel tot op heden een instabiel toestandsbeeld wordt waargenomen, houdt de veroordeelde zich onder het huidige vangnet van de zorgmachtiging en de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel redelijk staande en is er in de afgelopen periode een voorzichtige vooruitgang te zien.
Op grond van artikel 6:6:32, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geldt dat indien een zorgmachtiging op grond van de Wvggz is gegeven, de PIJ-maatregel onvoorwaardelijk eindigt. De rechtbank ziet aanleiding om de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel desondanks te verlengen, omdat de zorgmachtiging van de veroordeelde alleen ziet op medicamenteuze behandeling en de mogelijkheid tot klinische opname in geval van crisis. Om verder te kunnen stabiliseren en te kunnen werken aan beschermde factoren, is het voor de veroordeelde van zeer groot belang dat het vaste netwerk van Fivoor en de reclassering betrokken blijft en dat de zoektocht naar een passende woonplek en passende dagbesteding wordt voorgezet. Dit alles kan alleen binnen het forensisch kader worden gerealiseerd. Bij de totstandkoming van voornoemd artikel, is de wetgever er vanuit gegaan dat alle benodigde nazorg in het kader van een zorgmachtiging kan worden verleend. In de onderhavige casus is duidelijk dat daarvan geen sprake is. Alle betrokkenen zijn het dan ook met elkaar eens dat, naast de zorgmachtiging, de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel behouden moet blijven.
Gelet op het bepaalde in artikel 6:6:32, tweede lid, Sv is de maximale duur van de voorwaardelijke beëindiging nog niet bereikt. De rechtbank zal daarom de termijn van de voorwaardelijke beëindiging verlengen voor de duur van een jaar.
5. Beslissing
De rechtbank:
verlengt de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van een jaar, onder dezelfde algemene en bijzondere voorwaarden als vastgelegd in de beschikking van 2 mei 2024.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mr. H. Biemond en mr. R. van den Wildenberg, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van E.M.P. van de Kamp, griffier,
en is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2025.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening en de veroordeelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. (art.6:6:37 Sv)