RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/705341 / FA RK 25-6362
Beschikking betreffende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:12 lid 2 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
hierna: verzoeker,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. Ch.J. Nicolaï te Rotterdam.
Het verzoek richt zich tegen:
zorgaanbieder [naam zorgaanbieder] te [plaatsnaam] (hierna: zorgaanbieder).
1. Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van verzoeker met bijlagen, ingekomen op 19 augustus 2025; en
het verweerschrift van de zorgaanbieder, ingekomen op 12 september 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Dordrecht op 15 september 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de hiervoor genoemde advocaat van verzoeker;
[naam 1] , jurist, verbonden aan de zorgaanbieder.
Verzoeker is niet verschenen. De advocaat heeft verklaard dat ze een dag eerder nog met verzoeker heeft gesproken. Verzoeker werkt in de horeca en heeft haar verteld dat als hij tot laat moest werken, het lastig zou zijn om zo vroeg bij de rechtbank te zijn. Ook vond verzoeker het spannend. De advocaat verklaart dat het verzoek buiten aanwezigheid van verzoeker inhoudelijk behandeld kan worden.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat de volgende stukken overgelegd:
de medische verklaring van 28 mei 2025, opgesteld door [naam 2] ;
de medische verklaring van 16 juni 2025, opgesteld door [naam 3] ;
de artikel 8:16 lid 1 Wvggz brief van 23 juni 2025.
2. Feiten
Bij beschikking van 13 mei 2025 heeft de burgemeester van de [gemeente] ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel genomen.
Bij beschikking van 16 mei 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van
verzoeker tot en met 6 juni 2025 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin onder meer de opname, de beperking van de bewegingsvrijheid en de toediening van medicatie als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
Bij beschikking van 16 juni 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Albrandswaard ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel genomen.
Bij beschikking van 19 juni 2025 heeft deze rechtbank het verzoek voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel afgewezen.
Op 2 juli 2025 heeft de officier van justitie van het arrondissement Rotterdam (hierna: officier van justitie) een verzoek voor een zorgmachtiging ingediend bij deze rechtbank. Op 17 juli 2025 is dit verzoek aangehouden, omdat verzoeker niet tijdens de mondelinge behandeling was verschenen. Op 28 juli 2025 heeft deze rechtbank het verzoek afgewezen.
3. Verzoek en verweer
Verzoeker stelt dat de zorgaanbieder de wet niet in acht heeft genomen bij de toepassing van verplichte zorg op verzoeker en hij verzoekt de rechtbank een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 10:12 lid 2 Wvggz. Verzoeker verwijst naar HR 18 maart 2022 (ECLI:NL:HR:2022:394) en stelt dat in strijd met artikel 8:7 lid 2 Wvggz is gehandeld.
Verzoeker stelt (gewijzigd) dat de opname, de beperking van de bewegingsvrijheid en de toediening van medicatie vanaf 7 juni om 00.01 uur tot het moment dat op 16 juni 2025 een crisismaatregel is genomen, onrechtmatig waren. Vanaf 7 juni 2025 om 00.01 uur is de crisismaatregel komen te vervallen, waardoor er tot en met 16 juni 2025 22.15 uur geen juridische maatregel op grond van de Wvggz was. Op 11 juni 2025 heeft omstreeks 18.00 uur een beoordeling van de crisisdienst plaatsgevonden, zonder aanvraag van een crisismaatregel bij de burgemeester. Pas op 16 juni 2025 om 22.16 uur is opnieuw een crisismaatregel genomen door de burgemeester. Uit de medische verklaringen van 28 mei 2025 en 16 juni 2025 blijkt dat er bij verzoeker steeds sprake was van verzet.
Verzoeker stelt (gewijzigd) hierdoor immateriële schade te hebben geleden en verzoekt om die reden een billijke schadevergoeding waarbij de hoogte van het bedrag vastgesteld dient te worden op basis van de Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken (hierna: de oriëntatiepunten) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (LOVF):
Tien dagen opname 10 x € 100,- per dag = € 1.000,-
Tien dagen medicatie 10 x € 20,- per dag = € 200,-
Tien dagen beperken bewegingsvrijheid 10 x € 20,- per dag = € 200,-
= Totaal: € 1.400,-
Nadat deze rechtbank het verzoek voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel op 19 juni 2025 heeft afgewezen, heeft verzoeker direct de kliniek verlaten. Hij ging tijdelijk bij een vriend wonen. Volgens verzoeker belden ambulante behandelaren verzoeker geregeld en kwamen ambulante behandelaren telkens langs op het adres van die vriend. Ook heeft de zorgaanbieder volgens verzoeker het adres van dit tijdelijke adres aan de ouders van verzoeker doorgegeven en stonden zijn ouders ook op de stoep. In de door verzoeker ontvangen artikel 8:16 lid 1 Wvggz brief van 23 juni 2025 staat dat verzoeker zorg in het kader van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel ontvangt. Pas na de zitting op 28 juli 2025 hebben de ambulante behandelaren volgens verzoeker aan hem verteld dat zij inmiddels begrepen hadden dat verzoeker geen zorg meer wilde. De behandelaren vroegen verzoeker wel of hij toch nog wilde bellen met behandelaren. Toen verzoeker duidelijk maakte dat hij dat niet wilde, hebben de behandelaren gezegd het erbij te laten. Pas toen is de zorg gestopt. Verzoeker stelt (gewijzigd) dat hieruit blijkt dat in de periode vanaf 19 juni 2025 tot de zitting op 28 juli 2025 in strijd met artikel 8:7 lid 2 Wvggz sprake is geweest van verplichte zorg.
Verzoeker stelt om die reden ook in die periode immateriële schade te hebben geleden en verzoekt in lijn met de schadevergoeding die doorgaans wordt toegekend als de officier van justitie de termijn van artikel 5:16 lid 1 Wvggz niet heeft nageleefd, om een schadevergoeding toe te kennen van € 10,- per dag. Voor deze periode gaat het volgens verzoeker om 39 dagen, waardoor in totaal een schadevergoeding van € 390,- wordt gevraagd.
Volgens de zorgaanbieder is in de periode van 16 mei 2025 tot en met 6 juni 2025 een medische verklaring opgesteld ten behoeve van de aanvraag van de zorgmachtiging, maar heeft deze aanvraag de officier van justitie niet bereikt. De zorgaanbieder erkent dan ook dat de crisismaatregel na 6 juni 2025 is komen te vervallen en dat in de periode van 7 juni tot en met 11 juni 2025 tot 18:00 uur sprake is geweest van verplichte zorg zonder geldige titel.
De zorgaanbieder betwist gemotiveerd dat vanaf 11 juni 2025 tot het moment dat op 16 juni 2025 een crisismaatregel is genomen, sprake was van verplichte zorg. De zorgaanbieder betoogt dat verzoeker in die periode vrijwillig de zorg heeft aanvaard.
Dat vanaf 19 juni 2025 tot en met 28 juli 2025 verplichte zorg is toegepast bij verzoeker, betwist de zorgaanbieder eveneens gemotiveerd. Volgens de zorgaanbieder is de artikel 8:16 lid 1 Wvggz brief een standaardbrief bij wisseling van de zorgverantwoordelijke en had de zin over zorg in het kader van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel er niet in moeten staan. De zorgaanbieder is er echter niet vanuit gegaan dat er op dat moment een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel was, omdat de zorgmachtiging in voorbereiding was. De zorgaanbieder verzoekt de rechtbank deze onderdelen van het verzoek dan ook af te wijzen.
4. Beoordeling
Op grond van artikel 10:12 lid 2 Wvggz kan een betrokkene, indien de wet niet in acht is genomen door de geneesheer-directeur of de zorgverantwoordelijke, de rechter verzoeken tot schadevergoeding door de zorgaanbieder of de zorgverantwoordelijke. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
Periode van 7 juni 2025 tot en met 11 juni 2025
Het verzoek tot schadevergoeding voor de periode van 7 juni 2025 tot en met 11 juni 2025 wordt, als onweersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
Periode van 12 juni 2025 tot en met 16 juni 2025
Het betoog van de zorgaanbieder dat in de periode van 12 juni 2025 tot en met 16 juni 2025 zorg in een vrijwillig kader is verleend, volgt de rechtbank niet. Op woensdag 11 juni 2025 rond 18.00 uur heeft een crisisbeoordeling plaatsgevonden. Uit het verslag van de crisisdienst blijkt weliswaar dat verzoeker op dat moment vrijwillig instemde met voortzetting van de opname en behandeling, maar volgens de advocaat heeft verzoeker haar verteld dat hij gelet op het tijdstip alleen bereid was die avond nog in de kliniek te blijven om zo ook nog wat zaken te regelen. De dag erna belde verzoeker de advocaat om te zeggen dat hij weg wilde. Ook op vrijdag 13 juni 2025 heeft verzoeker de advocaat gebeld. Vervolgens was het weekend. Pas op maandagavond, 16 juni, heeft er een nieuwe crisisbeoordeling plaatsgevonden. Verzoeker heeft volgens de advocaat gezegd dat hij geen deuren kapot heeft geschopt of met vuisten heeft staan zwaaien, maar voortdurend heeft gevraagd waarom hij niet weg mocht, maar dat de deur voor hem dicht bleef.
De zorgaanbieder heeft van de psychiater begrepen dat er sprake was van zorg in een vrijwillig kader. Pas toen er op 16 juni 2025 meer sprake was van verzet, heeft volgens de zorgaanbieder een nieuwe crisisbeoordeling plaatsgevonden. Onvoldoende is naar het oordeel van de rechtbank echter gebleken op basis van welke verklaringen van verzoeker de zorgaanbieder ervan uit is gegaan dat tijdens de opname bij verzoeker sprake is geweest van vrijwilligheid. Daarbij blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de medische verklaring van 16 juni 2025 dat wel sprake was van verzet en niet alleen op 16 juni 2025: “Betrokkene is niet medicatietrouw geweest en heeft met medicatie gesmokkeld. Hij is opgenomen in een gedwongen kader en onder verzet. Het gedwongen kader verviel nadat om technische redenen geen zorgmachtiging was aangevraagd. Hierna is herhaaldelijk getracht afspraken met betrokkene te maken, maar betrokkene uit herhaaldelijk een ontslagwens en wil eigenlijk geen medicatie gebruiken. Van vrijwilligheid kan niet worden gesproken. Eerdere ambulante behandeling is niet gelukt, aangezien betrokkene deze weigerde.” Uit het feit dat in deze medische verklaring staat dat herhaaldelijk getracht is om afspraken te maken, maar dat verzoeker herhaaldelijk een ontslagwens had, en het feit dat verzoeker zijn advocaat meerdere malen heeft laten weten zich te verzetten blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat verzoeker in de periode van 12 juni 2025 tot en met 16 juni 2025 verzet heeft vertoond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder in die periode de wet niet in acht heeft genomen, omdat in strijd met artikel 8:7 lid 2 Wvggz verplichte zorg is verleend.
Periode van 19 juni 2025 tot en met 28 juli 2025
Op grond van artikel 8:16 lid 1 Wvggz kan de geneesheer-directeur de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging aan een andere zorgaanbieder, geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke toewijzen. Dat op 23 juni 2025 een artikel 8:16 lid 1 Wvggz brief is verstuurd naar verzoeker lijkt te berusten op een vergissing. Niet gesteld noch gebleken is dat er op dat moment namelijk sprake was van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging. Pas op 26 juni 2025 heeft de zorgaanbieder volgens de advocaat een aanvraag voor een zorgmachtiging bij de officier van justitie ingediend. De rechtbank stelt voorop dat het onzorgvuldig is geweest dat verzoeker deze brief heeft ontvangen. De rechtbank heeft er begrip voor dat het voor verzoeker verwarrend en frustrerend is geweest dat hij deze brief heeft ontvangen en dat in deze brief ook nog eens stond dat hij zorg op grond van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel kreeg. Dat bij verzoeker de indruk is ontstaan dat de zorgaanbieder niet wist dat er geen machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel was en de bezoeken van de ambulante behandelaren in dat kader heeft geplaatst acht de rechtbank begrijpelijk.
Op grond van artikel 10:12 lid 2 Wvggz kan echter alleen schadevergoeding worden gevraagd als de zorgaanbieder de wet niet in acht heeft genomen. De rechtbank kan niet vaststellen dat bij het handelen van de ambulante behandelaren van verzoeker daadwerkelijk sprake was van verplichte zorg. Weliswaar heeft de zorgaanbieder tijdens de mondelinge behandeling niet kunnen toelichten welke contacten de ambulante behandelaren in die periode met verzoeker hebben gezocht, maar verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende concreet kunnen onderbouwen dat bij deze contacten sprake was van verplichte zorg. Onbekend is bijvoorbeeld hoe vaak verzoeker door de ambulante behandelaren is benaderd en wat de inhoud van deze gesprekken was.
Verzoeker heeft zelf aangevoerd dat de behandelaren na de afwijzing van het verzoek voor de machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel hebben gezegd dat zij een aanvraag voor een zorgmachtiging zouden gaan voorbereiden. Op 26 juni 2025 is volgens de advocaat ook een aanvraag voor een zorgmachtiging ingediend bij de officier van justitie. Daaruit volgt dat het voor de zorgaanbieder dan ook duidelijk zal zijn geweest dat in de periode van 19 juni 2025 tot en met 28 juli 2025 geen sprake was van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel of een zorgmachtiging. Niet uit te sluiten valt dat ambulante behandelaren hebben geprobeerd om verzoeker vrijwillig zorg te verlenen. Volgens de advocaat hebben de ambulante behandelaren na afloop van de zitting op 28 juli 2025 immers ook nog gevraagd of verzoeker wilde bellen met behandelaren.
Bovendien, zelfs als de zorgaanbieder per abuis meende dat sprake was van een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel, betekent dit niet automatisch dat de contacten van de ambulante behandelaren geduid kunnen worden als verplichte zorg. Uit het systeem van de Wvggz volgt dat ook wanneer een zorgmachtiging is verleend, verplichte zorg alleen als uiterste middel kan worden overwogen en eerst de mogelijkheden voor vrijwillige zorg moeten zijn uitgeput. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is dat de zorgaanbieder in de periode van 19 juni 2025 tot en met 28 juli 2025 in strijd met artikel 8:7 lid 2 Wvggz verplichte zorg heeft gehandeld.
Hoogte van de schadevergoeding
In beginsel is het reguliere aansprakelijkheidsrecht van toepassing. Verzoeker moet stellen dat hij schade heeft geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen zijn schade en de normschending. De wetgever heeft met artikel 10:12 lid 2 Wvggz een laagdrempelige regeling in de wet opgenomen ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding door een belanghebbende. Om die reden stelt de rechtbank geen al te hoge eisen aan het bewijs van schade, zolang er maar enige onderbouwing is en voldoende aannemelijk is dat er schade is.
De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat verzoeker tijdens de opname veel spanning, onzekerheid, verwardheid en een gevoel van identiteitsverlies heeft ervaren. Tegen deze achtergrond kan worden overgegaan tot het toekennen van een schadevergoeding.
Periode van 7 juni 2025 tot en met 11 juni 2025
De oriëntatiepunten bieden een handvat, waarvan kan worden afgeweken als omstandigheden van de zaak daartoe aanleiding geven. Voor de situatie waarin een betrokkene zonder geldige titel is opgenomen op een gesloten afdeling wordt in de oriëntatiepunten een bedrag van € 100,- per dag genoemd. Dit bedrag is dan ook inclusief het beperken van de bewegingsvrijheid. Voor het toepassen van een vorm van verplichte zorg zonder geldige titel wordt in de oriëntatiepunten een bedrag van € 5,- tot € 20,-per dag genoemd.
Partijen hebben in dit geval echter overeenstemming bereikt over een hiervan afwijkend door de zorgaanbieder te betalen schadevergoedingsbedrag, zijnde € 120,- per dag voor de opname en de beperking van de bewegingsvrijheid en € 20,- per dag voor het toedienen van medicatie, in totaal zijnde € 140,- per dag. De rechtbank ziet om die reden aanleiding om deels van de oriëntatiepunten af te wijken en het bedrag van € 140,- per dag toe te kennen. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de zorgaanbieder dat ook 11 juni 2025 meegerekend zou moeten worden. Het gaat in totaal dus om vijf (5) dagen, waardoor de schadevergoeding in totaal € 700,- bedraagt.
Periode van 12 juni 2025 tot en met 16 juni 2025
Gelet op voornoemde overeenstemming tussen partijen over het te betalen schadevergoeding voor de periode van 7 juni 2025 tot en met 11 juni 2025, acht de rechtbank het redelijk en billijk om ook voor de periode van 12 juni 2025 tot en met 16 juni 2025 bij dit bedrag aan te sluiten. Omdat het om een periode van vijf (5) dagen gaat, zal de rechtbank de zorgaanbieder dan ook veroordelen tot betaling van in totaal € 700,-.
Periode van 19 juni 2025 tot en met 28 juli 2025
Omdat de rechtbank van oordeel is dat in de periode van 19 juni 2025 tot en met 28 juli 2025 er geen sprake van is geweest dat de zorgaanbieder de wet niet in acht heeft genomen, is er naar het oordeel van de rechtbank voor dit onderdeel van het verzoek geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding ten aanzien van verzoeker. De rechtbank wijst dit onderdeel van het verzoek dan ook af.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
5. Beslissing
De rechtbank:
veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 1.400,- aan verzoeker;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 9 oktober 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.