RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/702346 / JE RK 25-1349
Datum uitspraak: 14 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2022 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] ,
geboren op [geboortedatum 4] 2023 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 4] ,
[minderjarige 5] ,
geboren op [geboortedatum 4] 2023 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 5] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen de ouders, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. A. Pistola, kantoorhoudende in Zwijndrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juni 2025;
de e-mail van de (ex-)pleegouders van [minderjarige 1] met bijlagen van 11 juli 2025;
de e-mail van de (ex-)pleegouders van [minderjarige 1] met bijlage van 19 juli 2025;
de e-mail van Stichting Timon van 28 juli 2025;
de e-mail van de (ex-)pleegouders van [minderjarige 1] van 1 augustus 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
de ouders met hun advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de Russische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Russische taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan twee medewerkers van Stichting Timon, [naam 4] en [naam 5] .
De (ex-)pleegouders van [minderjarige 1] zijn opgeroepen als informant. Zij hebben vooraf aangekondigd dat zij niet aanwezig zouden zijn.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] .
[minderjarige 1] woont bij de ouders. [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verblijven in pleeggezinnen.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verlengd tot 28 november 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij dezelfde beschikking van 14 februari 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, tot 28 augustus 2025.
3. De verzoeken van de GI
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes en respectievelijk negen maanden. Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verzoekt de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van respectievelijk zes en negen maanden. Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Omdat [minderjarige 1] inmiddels terug is geplaatst bij de ouders, trekt de GI het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in en licht dit als volgt toe. Doordat de pleegouders de communicatie met de GI beëindigden, heeft de GI besloten het traject voor de terugplaatsing van [minderjarige 1] te versnellen. Inmiddels woont [minderjarige 1] weer bij de ouders en is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing dus niet meer nodig. De GI plant wekelijkse observatiemomenten met Coach-Point en hoopt dat het goed blijft gaan met [minderjarige 1] thuis. Ook zullen er wekelijkse bezoekmomenten zijn bij de ouders thuis om beter zicht te krijgen op de opvoedomgeving.
De GI handhaaft de overige verzoeken en licht deze als volgt toe. [minderjarige 2] geeft wisselende signalen over haar wens om weer thuis te wonen. Mogelijk kan zij in het weekend bij de ouders verblijven en doordeweeks in het pleeggezin. De omgang tussen [minderjarige 2] en de ouders wordt eerst afgeschaald vanwege zorgen over haar gedrag na contact met hen. Zij geeft aan met tegenzin naar de omgangsmomenten te gaan. Daarom is uitgebreid perspectiefonderzoek voor [minderjarige 2] nodig. Voor [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ziet de GI nu te veel contra-indicaties voor terugplaatsing. Er zijn zorgwekkende signalen in de hechtingsrelatie met de ouders en de kinderen spreken geen Russisch (meer). De omgang tussen hen en de ouders is inmiddels afgeschaald vanwege trauma-gerelateerd gedrag bij de kinderen na contact, zoals nachtmerries, schreeuwen en gillen. Volgens de gedragswetenschapper past een pleeggezin beter bij het perspectief van [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] . Voor [minderjarige 3] is inmiddels een nieuw pleeggezin gevonden in dezelfde woonplaats als zijn zusjes. De moeder wijst erop dat de zorgen deels voortkwamen uit de beschikbare woonruimte, maar daarnaast spelen ook andere factoren mee, zoals schoolverzuim, het niet nakomen van ziekenhuisafspraken en verwaarloosde gebitten van de kinderen. De ouders zijn onlangs gestart met therapie, maar hebben enkele afspraken afgezegd. Zij moeten aantonen dat zij bereid zijn de hulpverlening te accepteren.
4. Het standpunt van de ouders
Door en namens de ouders is ter zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken van de GI. Primair verzoeken de ouders tot niet-ontvankelijkheidsverklaring dan wel afwijzing van de verzoeken van de GI. Het hoger beroep tegen de beschikking van 14 februari 2025, dat zich richt op de huidige uithuisplaatsingen, is nog niet afgerond. Er is nu geen belang bij een nieuwe ondertoezichtstelling, nu deze nog doorloopt tot eind november 2025. Subsidiair verzoeken de ouders het verzoek voor een kortere duur dan verzocht toe te wijzen, te weten maximaal drie tot zes maanden, met nadrukkelijke aandacht voor een snelle start van hulpverlening thuis en perspectiefonderzoek.
De ouders erkennen dat de situatie in het verleden moeilijk was, maar wijzen erop dat hun woon- en leefsituatie sindsdien is verbeterd. Eerdere problemen kwamen vooral door het wonen in een kraamzorg-instelling met onpraktische voorzieningen. Nu zij zelfstandig wonen in een eigen appartement, zijn de fysieke omstandigheden en de opvoedingssituatie sterk veranderd. Ze zijn zelfredzamer, hebben goede huisvesting en kunnen hulp en oppas inschakelen. Er is nu sprake van een nieuwe opvoedsituatie en de ouders willen graag de kans om hun fouten uit het verleden te herstellen. De huidige omgangsregeling biedt onvoldoende mogelijkheden om de band met de kinderen te herstellen. Het is onduidelijk op welke grond het trauma-gerelateerde gedrag van de kinderen wordt gekoppeld aan de rol van de ouders. Hoewel de ouders willen dat alle kinderen terugkeren, ligt hun grootste zorg bij [minderjarige 3] . Voor zijn gezondheid en welzijn is het volgens hen beter dat hij niet in een nieuw pleeggezin wordt geplaatst, maar bij hen blijft. Met de terugplaatsing van [minderjarige 1] is volgens de ouders het vertrouwen in hun opvoederschap bevestigd. Het perspectief voor de jongste kinderen moet daarom zorgvuldig en zonder voorbarige conclusies worden onderzocht. De ouders staan open voor hulpverlening, maar constateren dat die nu onvoldoende aansluit. In het verleden hebben zij getoond open te staan voor hulpverlening door hier zelf om te vragen.
5. De beoordeling
De kinderrechter stelt allereerst vast dat de GI het verzoek betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] ter zitting heeft ingetrokken. Daardoor kunnen de gronden van dit verzoek niet meer worden onderzocht en daarom wijst de kinderrechter dit verzoek af.
Ten aanzien van de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] ziet de kinderrechter aanleiding om de beslissing hierop aan te houden. Hoewel deze verzoeken tijdig dienen te worden ingediend, zijn deze verzoeken met de indiening van vijf maanden voor de afloopdatum van de huidige ondertoezichtstelling prematuur. Om proceseconomische redenen houdt de kinderrechter de beslissing op deze verzoeken aan tot de zitting van 26 november 2025 om 09:30 uur (locatie Rotterdam).
De kinderrechter is, op basis van de stukken en de bevindingen tijdens de zitting, van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] noodzakelijk is in het belang van de zorg en opvoeding. In het verleden speelden er ernstige zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders thuis. Hoewel de ouders het beste willen voor de kinderen, zijn zij niet in staat geweest een stabiele basis voor de kinderen te scheppen. [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] vertonen heftige trauma gerelateerde gedragssymptomen na de omgangsmomenten met de ouders, zoals schreeuwen, gillen en hebben zij last van nachtmerries. Op dit moment is er echter nog onvoldoende inzicht in de opvoedcapaciteiten van de ouders en de gewijzigde thuissituatie. Er zal tevens onderzoek gedaan moeten worden naar het gedrag van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] na de bezoekmomenten van de ouders en of deze verband houden met de omgang met de ouders.
De kinderrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] toe te wijzen voor kortere duur dan verzocht en de beslissing voor het overige eveneens aan te houden tot de zitting van 26 november 2025 om 09:30 uur te Rotterdam. De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum te rapporteren over de actuele stand van zaken en daarbij aan te geven of zij het resterende deel van het verzoek handhaaft. De kinderen zijn op dit moment gebaat met continuïteit in hun verblijfsituatie, vooral omdat er - zoals hiervoor is vastgesteld - nog te veel onduidelijkheid is over de mogelijkheid van terugplaatsing bij de ouders. Eveneens is voor het bepalen van het perspectief van de kinderen meer informatie nodig.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige 1] af;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] en [minderjarige 5] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 november 2025;
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en roept de GI, de ouders en mr. A. Pistola op te verschijnen tijdens de zitting van mr. A. Verweij van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100-125 te Rotterdam, op 26 november 2025 te 09:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
bepaalt dat de GI uiterlijk twee weken voor de hiervoor genoemde zitting (nader) rapporteert over de stand van zaken op dat moment, met een afschrift van die rapportage aan de ouders en de advocaat;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep van de GI, de ouders en mr. A. Pistola;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2025 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 21 augustus 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.