RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/701246 / JE RK 25-1188
Datum uitspraak: 25 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
wonende in [woonplaats] , hierna te noemen de moeder,
[naam vader] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierna te noemen de vader.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
Het verzoek (met bijlagen) van de Raad van 12 juni 2025 is ontvangen op dezelfde datum.
Het verzoek is aanvankelijk behandeld op de zitting van 15 juli 2025. De kinderrechter heeft de beslissing op het verzoek toen aangehouden en de Raad in de gelegenheid gesteld om actuele informatie op te vragen.
Op 5 september 2025 is ontvangen het aanvullende rapport van de Raad van diezelfde datum.
Op 25 september 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [naam 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 2] .
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Oekraïense taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3] , tolk in de Oekraïense taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
3. Het verzoek van de Raad
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit – samengevat – als volgt toe. De situatie van [minderjarige] is kwetsbaar. Hij en de moeder verblijven niet langer bij de ex-partner van de moeder, wat een positieve ontwikkeling is, maar de plek waar zij nu gehuisvest zijn is tijdelijk en onzeker. [minderjarige] heeft veel traumatische ervaringen meegemaakt, zowel in Oekraïne als in Nederland, waaronder blootstelling aan huiselijk geweld en middelengebruik. De afgelopen periode is het Team Intensieve hulpverlening ingezet. De moeder heeft hieraan meegewerkt. Opvoedondersteuning in de thuissituatie heeft echter niet kunnen plaatsvinden, omdat dit niet werd geaccepteerd door de ex-partner. Hoewel de moeder nu aangeeft hulp in het vrijwillig kader te accepteren en zij ook al op eigen initiatief stappen heeft gezet om hulp te krijgen, acht de Raad het noodzakelijk dat [minderjarige] onder toezicht wordt gesteld van de GI, zodat er zicht blijft op hoe het met hem gaat en op hoe zijn thuissituatie zich ontwikkelt, en ook om continuïteit van de zorg te kunnen waarborgen. Omdat [minderjarige] zich eerder zou moeten hebben ontfermen over de moeder, moet er ook aandacht komen voor wat [minderjarige] nodig heeft om weer kind te kunnen zijn.
4. De standpunten
De GI staat niet achter het verzoek van de Raad. De GI licht dit ter zitting – samengevat – als volgt toe. Er zijn nog mogelijkheden in het vrijwillig kader. De moeder staat namelijk open voor hulp. Op dit moment acht de GI een ondertoezichtstelling daarom niet nodig. Er is op dit moment ook geen zicht op een vaste jeugdbeschermer. Als er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, zullen er dus verschillende jeugdbeschermers bij het gezin betrokken worden en zal van intensief contact geen sprake zijn.
De moeder verzet zich tegen een ondertoezichtstelling en licht dit ter zitting – samengevat – als volgt toe. Het gaat goed met [minderjarige] . Hij voelt zich goed en ontwikkelt zich ook goed. Hij spreekt al goed Nederlands. Op school heeft hij het naar zijn zin. De moeder heeft de juf van [minderjarige] alles verteld en de juf houdt hem in de gaten. De relatie met de ex-partner van de moeder is definitief voorbij nu de moeder erachter is gekomen dat hij een drugsverslaving heeft. De moeder en [minderjarige] verblijven tijdelijk in een appartement in het hotel waarin de moeder werkt. Zij kunnen daar blijven totdat zij een appartement kunnen betrekken dat zij van de werkgever van de moeder kunnen huren. Zij kunnen daar naar verwachting eind oktober 2025 in. Dat appartement is dicht bij de school van [minderjarige] . [minderjarige] hoeft hierdoor niet van school te wisselen. De moeder heeft nog steeds contact met de begeleider van het Team Intensieve hulpverlening. Hij helpt ook met praktische zaken. Daarnaast heeft de moeder wekelijks een afspraak met een psycholoog om aan haar eigen herstel te werken. De moeder is zich ervan bewust dat [minderjarige] veel heeft meegemaakt en heeft aandacht voor eventuele behoeften van [minderjarige] om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Omdat er al hulp is en de moeder hieraan meewerkt, is een ondertoezichtstelling niet nodig.
5. De beoordeling
De kinderrechter stelt voorop dat een minderjarige alleen onder toezicht kan worden gesteld als de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de noodzakelijke zorg ter afwending van deze bedreiging niet of onvoldoende wordt geaccepteerd binnen het vrijwillig kader (artikel 1:255 BW). Daarvan is in dit geval geen sprake. De kinderrechter wijst het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen daarom af. De kinderrechter licht dat hierna verder toe.
Uit de stukken en de ter zitting daarop gegeven toelichting blijkt dat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie van de nu 11-jarige [minderjarige] . [minderjarige] is in december 2024 vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en toen bij zijn moeder, die sinds 2023 in Nederland woont, en haar toenmalige partner gaan wonen. [minderjarige] is meerdere keren getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en haar toenmalige partner. Ook is sprake geweest van alcoholmisbruik door de moeder. De moeder heeft de relatie met haar toenmalige partner inmiddels beëindigd en verblijft nu tijdelijk met [minderjarige] ergens anders, totdat zij hun eigen appartement kunnen betrekken. De moeder heeft te kennen gegeven nooit meer terug te zullen keren naar de ex-partner. De kinderrechter ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Hetzelfde geldt voor de mededeling van de moeder dat zij (sinds eind februari 2025) geen alcohol meer drinkt. Er zijn geen signalen waaruit het tegendeel blijkt. De zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] zijn door dit alles zodanig afgenomen dat van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] nu geen sprake is. Aan het vereiste dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, is dus niet voldaan. Ook aan het vereiste dat hulp in het vrijwillig kader niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, is niet voldaan. Gebleken is dat de moeder hulpverlening accepteert en benut. Zij werkt goed samen met het Team Intensieve hulpverlening, dat sinds eind april in het vrijwillig kader betrokken is. Daarnaast heeft zij zelfstandig psychologische hulp voor zichzelf gezocht.. De kinderrechter vertrouwt erop dat de moeder ook voor [minderjarige] professionele hulp inschakelt als dat nodig blijkt te zijn om het verleden te kunnen verwerken.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 10 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.