ECLI:NL:RBROT:2025:15574

ECLI:NL:RBROT:2025:15574

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 16-10-2025
Datum publicatie 27-01-2026
Zaaknummer C/10/705919 / JE RK 25-1804
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/705919 / JE RK 25-1804

Datum uitspraak: 16 oktober 2025

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van een ondertoezichtstelling en een verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West regio Zuid-Holland Zuid, gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bijgestaan door advocaat mr. A.L. Witteveen, waarnemend advocaat voor mr. M.S. Krol, kantoorhoudende te Rotterdam,

Arjen Diederick Jeroen KREUKNIET,

hierna te noemen de vader, wonende in Papendrecht,

bijgestaan door advocaat mr. M.G. Hoogerwerf, kantoorhoudende te Dordrecht.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 10 oktober 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de briefrapportage van de GI met bijlagen van 15 oktober 2025.

Op 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] ;

- een gedragswetenschapper van de woongroep [naam instelling] , [naam 3] , via een digitale verbinding.

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleider van [minderjarige] , [naam 4] .

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft op een gesloten groep bij [naam instelling] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 oktober 2025.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend tot 20 oktober 2025.

3. Het aangehouden verzoek van de GI

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de plaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van negen maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In aanvulling op hetgeen door de GI tijdens de zitting op 10 oktober is toegelicht, brengt de GI ter zitting het volgende naar voren. Indien de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, zal [minderjarige] bij Rijnhove worden geplaatst. Rijnhove is voorbereid op haar komst, voldoet aan de voorwaarden uit het plan van aanpak en kan de begeleiding bieden die zij nodig heeft. Het uiteindelijke doel blijft een thuisplaatsing, maar het is daarvoor nu nog te vroeg. Eerst moet worden bekeken of [minderjarige] zich aan afspraken kan houden en of de ouders kunnen bieden wat zij nodig heeft. De GI vreest dat een te snelle terugplaatsing zal leiden tot herhaling van de eerdere problemen. Een tussenstap is noodzakelijk om de stabiliteit te waarborgen. De komende periode zal worden toegewerkt naar een duidelijk perspectief, waarbij wordt onderzocht wat de mogelijkheden van de ouders zijn om [minderjarige] in de toekomst weer thuis te kunnen laten wonen. Indien beide ouders bereid zijn deel te nemen aan een gezinsopname, zal de GI dat een dergelijke opname inzetten om zicht te krijgen op wat haalbaar is.

4. De standpunten

In aanvulling op hetgeen door en namens de vader eerder op zitting naar voren gebracht, wordt het volgende toegelicht. De vader deelt de visie van de GI dat een thuisplaatsing op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Hij wil dat zij bij Rijnhove geplaatst wordt. Ook wil de vader dat serieus onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van beide ouders voor een thuisplaatsing met het inzetten hulpverlening in de thuissituatie bij de ouders en systemische hulp vanuit Rijnhove. Op dit moment ontbreekt een concreet plan voor de komende periode en is de plaatsing op een open groep bij Rijnhove noodzakelijk om voor [minderjarige] rust, structuur en duidelijkheid te behouden. De vader maakt zich ernstig zorgen over het gedrag van [minderjarige] . Hij ziet geen verbetering sinds haar verblijf bij [naam instelling] . Zij houdt zich niet aan afspraken, is ’s nachts actief op sociale media, heeft een omgekeerd dag- en nachtritme en is moeilijk aan te sturen. Hij vreest dat een thuisplaatsing zal leiden tot terugval in het oude patroon van spijbelen, wegblijven en grensoverschrijdend gedrag. Een plaatsing bij de moeder thuis acht de vader onveilig. In het verleden was de moeder niet in staat om [minderjarige] structuur en grenzen te bieden. Ook is haar psychiatrische problematiek nog aanwezig. [minderjarige] krijgt bij de moeder te veel vrijheid en loopt bij haar het risico op parentificatie. [minderjarige] kan niet zelfbepalend zijn als het gaat om waar zij verblijft. Rijnhove biedt de juiste voorwaarden om verder te werken aan haar ontwikkeling, scholing en behandeling.

In aanvulling op dat wat door en namens de moeder eerder op zitting is toegelicht, wordt ter zitting bepleit dat [minderjarige] bij de moeder wordt geplaatst. De moeder vindt dat de gesloten plaatsing lang genoeg heeft geduurd. [minderjarige] heeft behoefte aan een perspectief, dat zij alleen ervaart als zij thuis kan wonen. Zij ziet een verblijf op een open groep van Rijnhove als een stap terug. [minderjarige] heeft de wendagen bij Rijnhove als negatief ervaren, omdat er voor haar gevoel niet naar haar werd geluisterd na een incident op de groep. Bovendien kan de noodzakelijke hulpverlening ook vanuit de thuissituatie worden voortgezet. De moeder is bereid om samen met [minderjarige] daaraan mee te werken en indien nodig deel te nemen aan een gezinsopname om te laten zien dat de thuissituatie bij haar is verbeterd. Om een thuisplaatsing bij de moeder te realiseren, verzoekt de advocaat van de moeder een machtiging te verlenen voor verblijf bij de moeder, nu de hoofdverblijfplaats is bepaald bij de vader.

5. De informatie van de gedragswetenschapper

De gedragswetenschapper van [naam instelling] verklaart ter zitting het volgende. [minderjarige] verblijft inmiddels geruime tijd bij [naam instelling] en heeft positieve stappen gezet. Het traject van een gesloten naar open plaatsing is bedoeld om een thuisplaatsing mogelijk te maken. [minderjarige] heeft de afgelopen periode erg daar best gedaan, maar doordat een concreet plan voor de ouders ontbrak, is het proces gestagneerd. [minderjarige] ervaart dit als demotiverend. Er dient een duidelijk perspectief te komen, met een plan waarin concreet wordt gemaakt wat van de ouders wordt verlangd om een thuisplaatsing te kunnen bewerkstelligen. Een gezinsopname kan waardevol zijn om te beoordelen wat werkt en wat niet. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat [minderjarige] opnieuw het gevoel krijgt dat zij geen invloed op de situatie heeft. De gedragswetenschapper benadrukt het belang van scholing, dagbesteding en systeemgerichte therapie, ongeacht de plek waar [minderjarige] gaat verblijven.

6. De beoordeling

Met betrekking tot de ondertoezichtstelling:

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van

oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Gelet op het feit dat er ter zitting geen verweer is gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel is dat de gronden van de ondertoezichtstelling zoals gesteld in art. 1:255 BW aanwezig zijn, zal de ondertoezichtstelling als onweersproken

worden verlengd voor de duur van één jaar.

Met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing:

Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom.

Bij de beschikking van 17 juli 2025 werd er door de kinderrechter vanuit gegaan dat [minderjarige] zou doorstromen naar open groep van Rijnhove. Bij die beschikking is door de kinderrechter overwogen dat het van belang was dat zowel de voortgang in haar ontwikkeling en als die in de thuissituatie nauwlettend moest worden gevolgd. De verantwoordelijkheid voor het aangaan van hulpverlening, het verbeteren van de communicatie en het creëren van een stabiele thuissituatie werd bij de ouders gelegd.

Uit de stukken en de toelichting ter zitting blijkt dat de overstap naar een open groep van Rijnhove niet is gemaakt. Na twee wendagen heeft [minderjarige] aangegeven daar niet te willen verblijven. Een geboden alternatief heeft zij afgewezen. Zij wil naar huis, naar de moeder. Hoewel de moeder erkent dat een tussenstap, te weten een plaatsing op een open groep wenselijk zou zijn, steunt zij [minderjarige] in haar wens. Zij stelt dat het gedrag van [minderjarige] zodanig is verbeterd dat zij bij haar kan komen wonen. De vader acht een thuisplaatsing bij de moeder of hem gezien haar gedrag (nog) niet verantwoord, omdat [minderjarige] nog veel begeleiding, structuur en grenzen nodig en er nog doelen zijn waaraan gewerkt moet worden.

De kinderrechter acht een plaatsing op een open groep onveranderd noodzakelijk en neemt hierbij de voorgeschiedenis in aanmerking. [minderjarige] vertoonde voorafgaand aan de uithuisplaatsing al langere tijd zelfbepalend, manipulatief gedrag en accepteerde niet dan wel onvoldoende het gezag van de ouders. Zij speelde de ouders tegen elkaar uit. Het lukte de ouders niet om voldoende tegenwicht te bieden en de ouderrol vervullen. Beide ouders waren, ieder voor zich, niet in staat [minderjarige] te bieden wat zij gezien haar gedrag nodig had. De thuissituatie raakte daardoor onhoudbaar, eerst bij de moeder en vervolgens bij de vader. Dat heeft uiteindelijk tot de gesloten plaatsing bij [naam instelling] geleid, omdat [minderjarige] niet wilde meewerken aan een plaatsing op een open groep.

Met de plaatsing bij [naam instelling] heeft [minderjarige] structuur en grenzen gekregen en heeft zij zich kunnen ontwikkelen. Zij heeft zich ingezet voor behandeling (PMT en systeemgerichte therapie) en school. Ook heeft zij aan een persoonlijkheidsonderzoek meegewerkt. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat er sprake is van ouder-kind relatieproblemen, problemen in de gehechtheid en trauma gerelateerd gedrag, waardoor [minderjarige] behoefte heeft aan voorspelbaarheid en duidelijke grenzen.

De ouders hebben ook meegewerkt aan systeemgerichte therapie, wat heeft geleid tot een (prille) positieve ontwikkeling, in die zin dat zij weer contact met elkaar hebben en met elkaar kunnen spreken over [minderjarige] . Daarnaast is er verlof bij zowel de vader als de moeder opgebouwd. [minderjarige] heeft echter nog doelen waaraan zij moet werken en moet nog meer (individuele) behandeling krijgen. De kinderrechter verwijst in dit verband naar de aandachtspunten genoemd in het eindverslag van [naam instelling] van 14 oktober 2025. Verder moet de systeemgerichte hulpverlening worden voortgezet, om ervoor te zorgen dat de ouders gaan samenwerken in het belang van [minderjarige] . Ook dient nog gewerkt te worden aan het verloop van het verlof, waarover de ouders verschillend verklaren. Waar de moeder aangeeft dat het goed gaat, vertelt de vader dat [minderjarige] nog steeds grenzen overschrijdt en zich moeilijk laat sturen.

Eerder ingezette vormen van hulpverlening in de thuissituatie bij zowel de vader en de moeder hebben niet tot het gewenste resultaat, te weten een verbetering van de opvoedsituatie, geleid. De afgelopen periode is Family Supporters betrokken geweest. Gezien de verstandhouding tussen de ouders is deze hulpverlening echter vastgelopen. Gelet hierop acht de kinderrechter het, anders dan de moeder stelt, niet aannemelijk dat de thuissituatie bij haar (voldoende) is verbeterd. Dit blijkt ook uit het verloop van het verlof, zoals beschreven in het eindverslag van [naam instelling] en de briefrapportage van de GI van 15 oktober 2025. Het blijft voor [minderjarige] lastig om zich aan afspraken te houden.

Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een plaatsing op een open groep bij Rijnhove een noodzakelijke en passende vervolgstap voor [minderjarige] is. Hier kan [minderjarige] naar school, zich met begeleiding verder ontwikkelen en de (individuele) behandeling voortzetten. In de komende periode moet duidelijk worden in hoeverre de ouders in staat zijn om samen te werken en [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Daarvoor acht de kinderrechter het van belang dat de systeemgerichte therapie wordt voortgezet en dat door de GI het inzetten van een gezinsopname van [minderjarige] met zowel de vader als de moeder wordt overwogen, om zo vast te kunnen stellen of weer thuis wonen bij de vader of de moeder (op termijn) haalbaar is.

De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van negen maanden.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 20 oktober 2026;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 juli 2026;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2025 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 24 oktober 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E. Vos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?