RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/700668 / JE RK 25-1102, C/10/706601 / JE RK 25-1892 en C/10/707864 / JE RK 25-2053
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige],
bijgestaan door advocaat mr. J.M. Bossers, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door advocaat mr. R.F. Nelisse, kantoorhoudende in Schiedam,
[naam stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 12 september 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de e-mail van de stiefvader en de moeder van 19 oktober 2025.
Op 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met haar advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2].
De moeder en de stiefvader zijn niet verschenen. De stiefvader heeft van te voren aan de rechtbank bericht dat moeder en hij niet aanwezig zouden zijn.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan twee begeleiders van [minderjarige].
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder en de stiefvader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij [naam instelling].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 24 oktober 2025. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.
3. De verzoeken van de GI
Ten aanzien van verzoek C/10/700668:
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. Hiervan is reeds één maand toegewezen en de beslissing op het overig verzochte is aangehouden. Thans dient nog te worden beslist op de resterende elf maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van verzoek C/10/706601:
De GI verzoekt een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan de voorwaarden opgenomen.
Ten aanzien van verzoek C/10/707864:
Tevens verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van één jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI wijzigt ter zitting de duur van het verzoek onder 3.4. door de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI handhaaft de verzoeken voor het overige ter zitting en licht deze als volgt toe. De GI had eerder een verzoek tot het verlenen van een (onvoorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp ingediend, maar heeft dit verzoek later schriftelijk gewijzigd. Op dit moment is een voorwaardelijke gesloten machtiging immers meer passend bij de situatie van [minderjarige]. Het gaat beter met [minderjarige] bij [naam instelling]. De voorwaardelijke gesloten machtiging dient daarom als vangnet, mocht de situatie – onverhoopt - opnieuw escaleren. [minderjarige] is gemotiveerd om naar school te gaan en wil starten met een Mbo-opleiding. Haar ontwikkeling wordt echter nog steeds ernstig belemmerd door de thuissituatie, in het bijzonder door de rol van haar stiefvader, die samen met de moeder het gezag uitoefent. Er is sprake van een ernstig verstoorde relatie tussen [minderjarige] en haar stiefvader. Hij weigert toestemming te geven voor haar schoolinschrijving en stelt dat [minderjarige] behandeling moet ondergaan, zonder dat duidelijk is waarop dit is gebaseerd. Elke afwijzing door haar stiefvader is beschadigend voor [minderjarige]. In het vervolg van de ondertoezichtstelling zal de GI daarom scherp toezien op de rol van de stiefvader.
4. De standpunten
[minderjarige] heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De stiefvader heeft teveel invloed op haar leven. Hij belemmert [minderjarige] in haar keuzes, vooral nu [minderjarige] wil starten met een mbo-opleiding maar de stiefvader weigert toestemming te geven hiervoor. De moeder is niet in staat om op te komen tegen de stiefvader. [minderjarige] voelt zich niet gehoord en gefrustreerd richting de GI over het trage verloop van de situatie. Zij wil actief betrokken worden bij de beslissingen die haar toekomst betreffen. Door haar advocaat wordt voorts aangevoerd dat geen ruimte bestaat voor een machtiging gesloten jeugdhulp.
Namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De stiefvader en de moeder stemmen in met de verzoeken van de GI. Zij plaatsen hierbij de kanttekening dat zij zich onvoldoende betrokken voelen bij de beslissingen van de GI. Voor het overige refereert de moeder, aldus haar advocaat, zich aan de inhoud van de e-mail die is verzonden aan de kinderrechter door de stiefvader.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is gebleken, is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter is ook van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
[minderjarige] doet het goed bij [naam instelling]. Zij is hier stabiel, blijkt gemotiveerd voor school en wil graag starten met een mbo-opleiding. De ter zitting aanwezige begeleiders van [minderjarige] bevestigen, desgevraagd door de kinderrechter, haar inzet en motivatie. De kinderrechter ziet en waardeert [minderjarige]’s volharding en doorzettingsvermogen. Helaas is de situatie om haar heen echter nog onvoldoende tot rust gekomen en heeft [minderjarige] veel last van de onduidelijkheid en vertraging die is ontstaan door de houding van (met name) stiefvader. Moeder lijkt op dit moment in ieder geval zelf onmachtig vanwege eigen problematiek tot verantwoorde gezagsbeslissingen te (kunnen) komen en de stiefvader, ook gelet op zijn uitgebreide bericht aan de rechtbank, maakt duidelijk het niet eens te zijn met de keuzes die met, door en voor [minderjarige] gemaakt worden vanuit de hulpverlening. Zowel moeder als stiefvader maken, zo komt ter zitting als ook uit de stukken duidelijk naar voren, de situatie voor [minderjarige] nog moeilijker dan die al voor haar is. Vandaar dat na te noemen maatregelen van kinderbescherming voor [minderjarige] noodzakelijk zijn zodat zij naar de kinderrechter hoopt, de stabiliteit krijgt die zij zo verdient. Op dit moment is een terugkeer naar huis niet verantwoord, niet mogelijk en ook niet in haar belang. De verhouding tussen [minderjarige] en de stiefvader, die samen met de moeder het gezag uitoefent, is ernstig verstoord. Hij weigert toestemming voor schoolinschrijving en stelt onduidelijke eisen voor behandeling. De moeder is fysiek en emotioneel onvoldoende in staat richting te geven of [minderjarige] te ondersteunen. Dit belemmert de toegang voor [minderjarige] tot onderwijs en noodzakelijke hulp. Die situatie is absoluut niet in het belang van [minderjarige]. De voorwaardelijke gesloten machtiging is proportioneel als vangnet: hoewel een gesloten plaatsing nu niet nodig is, kan bij – onverhoopte - escalatie snel worden opgeschaald. Een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing waarborgt [minderjarige]’s verblijf bij [naam instelling] gedurende de ondertoezichtstelling in het belang van haar verzorging en opvoeding. [minderjarige]’s verblijf bij [naam instelling] biedt haar de rust en duidelijke kaders die zij nodig heeft.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de overig verzochte duur van elf maanden, te weten tot 24 september 2026;
verleent een voorwaardelijke machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier maanden, met ingang van 23 oktober 2025, onder de voorwaarden welke aan [minderjarige] in het hulpverleningsplan zijn gesteld;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 29 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.