RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/710289 / JE RK 25-2368
C/10/710825 / JE RK 25-2450
C/10/710827 / JE RK 25-2452
Datum uitspraak: 22 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2014 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] ,
geboren op [geboortedatum 4] 2018 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen de ouders, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. P. van Tour, kantoorhoudende in Rotterdam,
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 18 november 2025;
de twee verzoekschriften van de GI met bijlagen, ontvangen op 27 november 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] ;
de advocaat van de ouders.
De vader en de moeder zijn niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] hebben geen mening gegeven.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] .
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wonen bij hun ouders.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] verlengd tot 5 augustus 2026.
3. De verzoeken van de GI
De GI heeft op 18 november 2025 verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Tevens heeft de GI op 27 november 2025 voor [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor een jeugdhulpaanbieder te verlenen zonder daar de belanghebbenden op te horen, voor de duur van vier weken en aansluitend voor de duur van zes maanden. Afzonderlijk heeft de GI op 27 november 2025 verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin te verlenen voor [voornaam minderjarige 4] zonder daar de belanghebbenden op te horen, voor de duur van vier weken en aansluitend voor de duur van zes maanden.
Ter zitting heeft de GI de twee spoedverzoeken ingetrokken. De GI handhaaft het verzoek ten aanzien van de reguliere machtiging tot uithuisplaatsing en licht dit als volgt toe. Er spelen ernstige en aanhoudende zorgen over de opvoedsituatie bij de ouders. De kinderen gaan structureel niet naar school, waardoor hun ontwikkeling stagneert. Hoewel [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] sinds 5 december 2025 enkele keren naar school zijn geweest, is sprake van fors schoolverzuim en is leerplicht betrokken geraakt. Daarnaast is [voornaam minderjarige 2] in aanraking gekomen met de politie in verband met eenvoudige mishandeling, waarvoor hem een taakstraf is opgelegd. De ouders zijn niet verschenen bij het daaropvolgende oudergesprek. De ouders zijn onbereikbaar voor de GI en verlenen geen medewerking aan de hulpverlening. Huisbezoeken en afspraken hebben hierdoor geen doorgang kunnen vinden, waardoor het zicht op de kinderen in de thuissituatie verloren gaat. Ook is sprake van ernstige financiële problematiek. Inmiddels is een ontruiming van de woning gepland. De GI heeft meerdere pogingen gedaan om hulpverlening in te zetten, onder meer via ambulante spoedhulp (ASH) en Families First (FF). Ter zitting verwijst de GI naar een overgelegde tijdlijn, waaruit blijkt welke vormen van hulpverlening tijdens de ondertoezichtstelling zijn ingezet. Volgens de GI zijn de ouders op dit moment onvoldoende in staat de kinderen de noodzakelijke zorg en veiligheid te bieden. Als het verzoek wordt toegewezen, zijn voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] plaatsen beschikbaar bij een groep van Zorg Hoop Liefde, op verschillende locaties die bij elkaar in de buurt liggen. Voor [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] is plaats in een gezinshuis dat aansluit bij hun achtergrond en waarin zij samen kunnen blijven.
4. Het standpunt van de ouders
De advocaat van de ouders heeft ter zitting verklaard dat het, ondanks herhaalde pogingen, niet is gelukt om contact met de ouders te krijgen. De advocaat heeft daarom geen inhoudelijk standpunt van de ouders ter zitting kunnen innemen.
5. De beoordeling
Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de spoedverzoeken ter zitting door de GI zijn ingetrokken. Nu de GI de verzoeken heeft ingetrokken, kunnen de gronden daarvan niet verder worden onderzocht. De verzoeken zullen daarom worden afgewezen.
Ten aanzien van het resterende verzoek overweegt de kinderrechter dat op basis van de stukken en de zitting de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hierna uit waarom.
De kinderrechter stelt vast dat er al langere tijd ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen binnen het gezin. De kinderen verzuimen structureel van school, lijken geen (positief) netwerk te hebben en er zijn ernstige vermoedens dat zij in de thuissituatie hun ouders moeten ondersteunen. Hierdoor worden zij in hun ontwikkeling bedreigd. [voornaam minderjarige 2] is bovendien in contact gekomen met de politie in verband met een eenvoudige mishandeling. Bovendien speelt er persoonlijke problematiek bij de ouders, waaronder drugsgebruik van de vader, en er is sprake van ernstige financiële problemen. Er is een aanzienlijke huurachterstand en eind januari 2026 staat een woningontruiming gepland. Dit alles roept grote twijfel op over de vraag of de ouders de kinderen op dit moment kunnen bieden wat zij nodig hebben aan veiligheid, structuur en verzorging.
Hoewel het gezin gebaat zou zijn bij de inzet van hulpverlening, houden de ouders dit buiten de deur. Sinds de start van de ondertoezichtstelling begin augustus 2025 zijn de ouders voor de GI onbereikbaar en verlenen zij geen medewerking aan de verschillende pogingen van de GI om hulpverlening in het gezin in te zetten. Afspraken en huisbezoeken hebben geen doorgang kunnen vinden. Hierdoor bestaat op dit moment geen dan wel onvoldoende zicht op de kinderen en hun veiligheid in de thuissituatie. De houding van de ouders lijkt te passen binnen een terugkerend patroon. Ondanks een eerdere oproep tot medewerking aan de hulpverlening van de kinderrechter, is hier geen verandering in gekomen. Dit leidt tot het oordeel van de kinderrechter dat zonder ingrijpen de ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen zal blijven voortbestaan. De kinderrechter ziet daarom geen andere mogelijkheid dan het inzetten van een uithuisplaatsing om zicht te krijgen op de kinderen, hun veiligheid te waarborgen, hen naar school te laten gaan en hen de rust en structuur te bieden die zij nodig hebben.
De kinderrechter heeft overwogen of de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur dan zes maanden kan worden verleend, maar ziet daarvoor geen aanleiding. De ouders dienen een reële mogelijkheid te krijgen om te laten zien dat zij bereid en in staat zijn om verantwoordelijkheid te nemen, openheid van zaken te geven en samen te werken met de hulpverlening. Hierbij is ook noodzakelijk dat de ouders aan zichzelf werken om ervoor te zorgen dat zij de kinderen stabiliteit, veiligheid en structuur kunnen bieden. Tegelijkertijd acht de kinderrechter het van belang dat de kinderen niet telkens geconfronteerd worden met wisselingen in hun verblijfssituatie. Een aaneengesloten periode van stabiliteit is daarom in hun belang. Mochten de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de uithuisplaatsing eerder worden beëindigd dan over zes maanden.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en zal deze worden verleend voor de duur van zes maanden.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden, met dien verstande dat [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening worden geplaatst, met ingang van 22 december 2025 tot 22 juni 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 12 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.