Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/143470-25
Datum uitspraak: 4 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman mr. D.C.O. Ayinla, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J.B. Uiterwijk heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt officier van justitie
Het primair ten laste gelegde artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan bewezen worden. Gelet op de aard en ernst van de verkeersfouten en de overige omstandigheden van het geval heeft de verdachte aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig gereden. De verdachte was beroepschauffeur en heeft met te hoge snelheid op de rotonde gereden, bij het afslaan niet goed gekeken en geen voorrang verleend aan [slachtoffer], hierna ‘het slachtoffer’, waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden. Onduidelijk is of de hoeveelheid THC in het bloed van de verdachte van invloed is geweest op zijn rijvaardigheid en het ongeval. Het gaat om een minimale overschrijding van de grenswaarde en niet kan worden vastgesteld dat het om recent cannabisgebruik. Gelet hierop is deze omstandigheid niet meegewogen bij het bepalen van de mate van schuld.
Standpunt verdediging
De verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW. Er is sprake van één enkele verkeersfout, namelijk dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gezien. Deze enkele verkeersfout is onvoldoende om te spreken van schuld als bedoeld in art. 6 WVW. Met betrekking tot het THC-gehalte in het bloed van de verdachte is sprake van een minimale overschrijding waardoor niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het ongeval onder invloed van cannabis heeft veroorzaakt. Daarnaast heeft de verdachte voldoende zijn snelheid geminderd en heeft hij stilgestaan op de rotonde alvorens af te slaan en daarbij goed gekeken.
Beoordeling
Vaststaat dat de verdachte als bestuurder van een vrachtauto op 17 oktober 2024 reed over de Westlandseweg in Maassluis. Hij nam daar de rotonde Maasdijk/Westlandsweg/Doctor Jan Schoutenlaan driekwart. Vervolgens sloeg hij af naar de Doctor Jan Schoutenlaan. Het slachtoffer reed op het fietspad parallel aan de Westlandseweg. Op de rotonde kruiste het slachtoffer daarbij, voor de verdachte van links komend, via de fietsersoversteekplaats de Doctor Jan Schoutenlaan waar hij werd aangereden door de vrachtauto. Als gevolg van de aanrijding is het slachtoffer komen te overlijden.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit is nodig dat de verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW. Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Uit de ernst van de gevolgen alleen kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Er moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.
THC in het bloed
In Nederland mag het bloed van een bestuurder van een voertuig maximaal 3,0 microgram tetrahydrocannabinol (hierna: THC) per liter bevatten. In het bloed van de verdachte is een waarde van 3,1 microgram THC per liter aangetroffen. Daarmee is de toegestane grenswaarde minimaal overschreden. De verdachte heeft verklaard regelmatig in het weekend te blowen. Het ongeval vond plaats op donderdagochtend. De verdachte heeft verklaard de zondagavond daarvoor voor het laatst te hebben geblowd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring.
De rechtbank kan in dit geval niet vaststellen dat, en zo ja, in hoeverre de aangetroffen concentratie THC invloed heeft gehad op het rijgedrag van de verdachte. De overschrijding ligt dicht aan tegen de toegestane grenswaarde. Voorts weegt de rechtbank mee dat de verdachte een regelmatige gebruiker was waardoor verondersteld wordt dat het gebruik minder invloed op hem, en dus ook op zijn rijvaardigheid, heeft dan bij een niet-gewende gebruiker. Ook overigens blijkt niet uit de inhoud van het dossier dat sprake is geweest van rijgedrag dat duidt op rijden onder invloed van drugs. Gelet hierop zal de rechtbank de omstandigheid dat in het bloed van de verdachte THC is gemeten niet meewegen in de verdere beoordeling of het ongeval is te wijten aan de schuld van verdachte.
Overige gedragingen
Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte voorzichtig heeft gereden. Blijkens het onderzoek van de politie reed de verdachte op de rotonde ongeveer 19 km/u en is zijn snelheid teruggegaan naar 3 km/u terwijl hij afsloeg. Weliswaar heeft hij niet helemaal stilgestaan, maar hij heeft zijn snelheid voldoende geminderd. De verdachte heeft verklaard dat hij om zich heen heeft gekeken en op het moment dat hij dacht dat de weg vrij was is afgeslagen. Hij heeft het slachtoffer niet gezien.
Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt is dat hij bij het verlaten van de rotonde onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer waardoor hij het slachtoffer niet heeft gezien en – als gevolg daarvan – het slachtoffer geen voorrang heeft verleend. De rechtbank is van oordeel dat deze handeling als één verkeersfout kan worden aangemerkt. Het enkele niet zien en (dus) geen voorrang verlenen is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak echter niet aan te merken als (tenminste) aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam handelen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat uit het dossier naar voren komt dat de verdachte voorzichtig heeft gereden. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. De verdachte wordt om die reden van het onder 1 primair ten laste gelegde vrijgesproken.
Artikel 5 WVW
Voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde verwijt is niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vereist. In beginsel volstaat de vaststelling dat een verkeersdeelnemer zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door het bovengenoemde handelen gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Hij heeft niet voldoende opgelet waardoor hij het slachtoffer niet heeft gezien en geen voorrang heeft verleend. Hij is vervolgens tegen het slachtoffer aangereden als gevolg waarvan het slachtoffer is overleden. Het is op die manier dat het gevaar voor andere weggebruikers zich heeft verwezenlijkt.
Feit 2
In het bloed van de verdachte is een waarde van 3,1 microgram THC per liter aangetroffen, waarmee de toegestane grenswaarde (van 3,0 microgram THC per liter) is overschreden. Feit 2 is dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
Niet is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde. Bewezen is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder feit 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
subsidiair:
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Maassluis, althans in Nederland als
bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto met kenteken [kenteken]), daarmee
rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, op het kruispunt/de
rotonde Maasdijk/Westlandseweg/Doctor Jan Schoutenlaan,
althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg
werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg
werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- terwijl hij onder invloed was van THC (cannabis), te weten 3,1 microgram per liter
bloed, in elk geval hoger dan 3 microgram THC (cannabis) per liter bloed,
- bij het verlaten van het kruispunt/de rotonde onvoldoende aandacht heeft gehad
voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft
gelet op de oversteekplaats voor (brom)fietsers en/of mogelijke (brom)fietser en/of
(vervolgens)
- bij het naderen en/of oprijden van een oversteekplaats voor (brom)fietsers
geen snelheid heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het
naderen en/of oprijden van de oversteekplaats voor (brom)fietsers, te hoge snelheid
en/of (vervolgens)
- niet heeft opgemerkt dat een fietser, genaamd [slachtoffer], op de oversteekplaats
voor (brom)fietsers bevond/fietste en/of (vervolgens)
- geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] en/of niet heeft laten voorgaan en/of
(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer], waardoor [slachtoffer] werd gedood;
2.
hij, op of omstreeks 17 oktober 2024 te Maassluis, althans in Nederland, een
motorrijtuig (bedrijfsauto met kenteken [kenteken]) heeft bestuurd of als bestuurder
heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs
en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8,
eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC (cannabis), terwijl
ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het
gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,1 microgram THC
per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij
die stof vermelde grenswaarde.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
2. overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straffen
Algemene overweging
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd
Verdachte heeft op 17 oktober 2024 als bestuurder van een vrachtauto een ongeval veroorzaakt. Hij is een rotonde opgereden, heeft een afslag genomen en daarbij geen voorrang verleend aan de 14-jarige [slachtoffer] die zich op dat moment op de oversteekplaats bevond. De verdachte heeft [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] is als gevolg van het ongeval overleden. De verdachte heeft door zijn rijgedrag gevaar veroorzaakt op de weg en dat kan hem strafrechtelijk verweten worden. De verdachte heeft zich naast een overtreding van artikel 5 WVW schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 8 WVW. Hiermee heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.
Tijdens de terechtzitting heeft de vader van [slachtoffer], mede namens de moeder van [slachtoffer], een slachtofferverklaring voorgedragen. Daarin heeft hij verteld over wie [slachtoffer] was, als jongen, als zoon en als grote broer. Het gemis van [slachtoffer] is enorm. Het gezin zal nooit meer compleet zijn. Het leed dat dit veroorzaakt is zeer ingrijpend, onherstelbaar en intens verdrietig. De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele straf in verhouding staat tot de gevolgen van het ongeval en het voor de nabestaanden veroorzaakte leed.
Hierbij overweegt de rechtbank voorts het volgende. Het verkeersstrafrecht is een bijzonder rechtsgebied. Bij de strafoplegging is een uitgangspunt dat de straf in verhouding dient te staan tot de mate van verwijtbaarheid van het verkeersgedrag. De straf mag niet in overwegende mate worden ingegeven door de ernst van de gevolgen daarvan. In verreweg de meeste gevallen geldt dat een ongeluk door bestuurders niet is gewild en er dus ook geen opzet kan worden aangenomen. Een andere bijzonderheid is dat het niet-opzettelijke gedrag in het verkeer een ernstige tot fatale afloop kan hebben, zoals in dit geval het overlijden van [slachtoffer]. Dit leidt ertoe dat, ondanks de soms zeer ernstige gevolgen, de straffen in het verkeersstrafrecht relatief licht zijn. Zo worden niet vaak gevangenisstraffen opgelegd.
Ook in deze situatie ziet de rechtbank dat de verdachte nooit een aanrijding heeft willen veroorzaken, zeker niet met deze ingrijpende gevolgen. De verdachte vindt het vreselijk dat hij [slachtoffer] heeft aangereden. Hij heeft er ter terechtzitting blijk van gegeven heel goed te beseffen dat door de dood van [slachtoffer] een immens verdriet bestaat bij de nabestaanden. Dit grijpt hem, zoals tijdens de terechtzitting ook zichtbaar was, zeer aan. De verdachte voelt zich verantwoordelijk voor de gevolgen van de aanrijding. Hij zal moeten leven met het besef dat hij [slachtoffer] heeft doodgereden.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 oktober 2025 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 oktober 2025. Dit rapport houdt kort samengevat het volgende in.
De verdachte had zijn leven goed op orde voor het ongeval plaatsvond. Hoewel hij wekelijks softdrugs rookte, is er geen problematisch drugsgebruik geconstateerd. De verdachte werd in de eerste fase na het ongeval verteerd door schuldgevoelens en zelfverwijt. Dankzij een behandelingstraject bij Mediant met EMDR, psychotherapie, emotieregulatie therapie en medicamenteuze ondersteuning heeft hij de grip op zichzelf weten te hervinden. Beschermende factoren worden gevonden in zijn relationele- en sociaal maatschappelijke situatie, de vaardigheden en het doorzettingsvermogen dat hij heeft laten zien. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Interventies of toezicht worden niet nodig geacht. Indien de verdachte schuldig wordt bevonden wordt geadviseerd een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen komt zij tot de volgende conclusies.
Omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en een overtreding, zullen twee afzonderlijke straffen worden opgelegd. Mede gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, vindt de rechtbank ten aanzien van feit 1 een taakstraf voor de duur van 60 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk passend en geboden. Dit voorwaardelijk strafdeel dient om tegen te gaan dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten te pleegt.
Ten aanzien van feit 2 legt de rechtbank een geldboete op van € 450,-.
8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partijen vorderen ieder een vergoeding van € 20.000 aan affectieschade en samen € 3.022,75 aan materiële schade. In het geval de verdachte wordt veroordeeld voor een overtreding wordt verzocht de vorderingen voor affectieschade te verminderen tot € 17.500,- per persoon.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu niet duidelijk is of er via de verzekering reeds een uitkering aan de nabestaanden heeft plaatsgevonden. Voorts is de affectieschade gegrond op art. 6 WVW en zal de vordering om die reden niet-ontvankelijk verklaard moeten worden als de verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Ook ten aanzien van de materiële schade wordt verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu de opgevoerde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat noch uit het dossier, noch uit de toelichting van de benadeelde
partijen ter zitting is gebleken dat zij op andere wijze enige schadevergoeding hebben ontvangen. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
Affectieschade
De ouders van het slachtoffer hebben een vordering ingediend die betrekking heeft op zogenaamde affectieschade door het overlijden van hun zoon. Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) biedt daarvoor in lid 3 en 4 de wettelijke grondslag aan een uitdrukkelijk in de wet omschreven kring van gerechtigden. Daar valt onder meer een ouder van de overledene onder (lid 4 sub c).
Het bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade. Op grond van artikel 1 van dit besluit kunnen de ouders in dit geval aanspraak maken op een bedrag van € 17.500,-.
De vordering van beide ouders zal dan ook tot dit bedrag per persoon worden toegewezen.
Materiële schade
Vast staat dat door het ongeval materiële schade is ontstaan aan spullen van [slachtoffer]. Omdat [slachtoffer] minderjarig was, zijn zijn ouders rechthebbenden van deze goederen en om die reden gerechtigd een vordering tot vergoeding van de schade in te dienen. De rechtbank overweegt met betrekking tot de verschillende schadeposten als volgt.
Ten aanzien van de fiets is onderbouwd wat de dagwaarde was op het moment dat de schade is ontstaan. Deze schadepost kan dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-.
Met betrekking tot de Apple Iphone, het telefoonhoesje en de airpods is niet gebleken dat rekening is gehouden met de afschrijvingskosten terwijl de goederen wel al een aantal jaar oud waren. Om die reden wordt voor de telefoon een bedrag van € 345,- toegewezen, voor het hoesje een bedrag van € 21,- en voor de airpods een bedrag van € 82,-. De rechtbank gaat daarbij uit van een afschrijvingspercentage van 20% per jaar.
De schade aan de schoolspullen en kleding is niet nader onderbouwd. Omdat uit de vordering wel voldoende is gebleken dat deze schade is geleden, maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van
€ 500,- redelijk en billijk is voor vergoeding van de schade. Hiermee wordt een totaalbedrag van € 2.448,- aan materiële schade toegewezen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de dag van het ongeval, 17 oktober 2024.
Proceskosten
De proceskosten van de benadeelde partijen worden zoals gevorderd vastgesteld overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief. Blijkens het “Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven” wordt bij zaken met een geldswaarde tussen € 20.000,- en € 40.000,- (tarief III) ieder punt gewaardeerd op € 786,-, uitgaande van het toegewezen bedrag aan schadevergoeding. Voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg kent de rechtbank telkens een punt toe, zodat aan proceskosten zal worden toegewezen een bedrag van (2 × € 786,-) = € 1.572,-.
Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen van € 37.448,- in totaal vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 1 tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 (zes) maanden;
bepaalt dat een deel van 3 (drie) maanden van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 2 tot een geldboete van € 450,- (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van in totaal € 37.448,- (zegge: zevenendertig duizend vierhonderdachtenveertig euro), bestaande uit € 2.448,- aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partijen af in het resterende deel van de vordering;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op in totaal € 1.572,- aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te betalen in totaal € 37.448,- (zegge: zevenendertig duizend vierhonderdachtenveertig euro) , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 37.448,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 222 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Bade, voorzitter,
en mrs. H. Wielhouwer en M. Hulshof, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij, op of omstreeks 17 oktober 2024 te Maassluis, althans in Nederland, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto met
kenteken [kenteken]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, in elk geval
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam
en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te
rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, op het kruispunt/de
rotonde Maasdijk/Westlandseweg/Doctor Jan Schoutenlaan,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar,
- terwijl hij onder invloed was van THC (cannabis), te weten 3,1 microgram per liter
bloed, in elk geval hoger dan 3 microgram THC (cannabis) per liter bloed,
- bij het verlaten van het kruispunt/de rotonde onvoldoende aandacht heeft gehad
voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft
gelet op de oversteekplaats voor (brom)fietsers en/of mogelijke (brom)fietser en/of
(vervolgens)
- bij het naderen en/of oprijden van een oversteekplaats voor (brom)fietsers
geen snelheid heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het
naderen en/of oprijden van de oversteekplaats voor (brom)fietsers, te hoge snelheid
en/of (vervolgens)
- niet heeft opgemerkt dat een fietser, genaamd [slachtoffer], op de oversteekplaats
voor (brom)fietsers bevond/fietste en/of (vervolgens)
- geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] en/of niet heeft laten voorgaan en/of
(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer],
waardoor [slachtoffer] werd gedood;
( art 6 Wegenverkeerswet 1994 )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 oktober 2024 te Maassluis, althans in Nederland als
bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto met kenteken [kenteken]), daarmee
rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, op het kruispunt/de
rotonde Maasdijk/Westlandseweg/Doctor Jan Schoutenlaan,
althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg
werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg
werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- terwijl hij onder invloed was van THC (cannabis), te weten 3,1 microgram per liter
bloed, in elk geval hoger dan 3 microgram THC (cannabis) per liter bloed,
- bij het verlaten van het kruispunt/de rotonde onvoldoende aandacht heeft gehad
voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft
gelet op de oversteekplaats voor (brom)fietsers en/of mogelijke (brom)fietser en/of
(vervolgens)
- bij het naderen en/of oprijden van een oversteekplaats voor (brom)fietsers
geen snelheid heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het
naderen en/of oprijden van de oversteekplaats voor (brom)fietsers, te hoge snelheid
en/of (vervolgens)
- niet heeft opgemerkt dat een fietser, genaamd [slachtoffer], op de oversteekplaats
voor (brom)fietsers bevond/fietste en/of (vervolgens)
- geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer] en/of niet heeft laten voorgaan en/of
(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met [slachtoffer],
waardoor [slachtoffer] werd gedood;
( art 5 Wegenverkeerswet 1994 )
2
hij, op of omstreeks 17 oktober 2024 te Maassluis, althans in Nederland, een
motorrijtuig (bedrijfsauto met kenteken [kenteken]) heeft bestuurd of als bestuurder
heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs
en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8,
eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC (cannabis), terwijl
ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 het
gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,1 microgram THC
per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij
die stof vermelde grenswaarde;
( art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )