RECHTBANK Rotterdam
Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/684548 / HA ZA 24-716
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te Rotterdam,
eisende partij,
advocaat: mr. J.J. Dijkman,
tegen
1. [gedaagde 1],
te Hoogvliet (Rotterdam)2. [gedaagde 2],
te Hoogvliet (Rotterdam),
gedaagde partijen,
advocaat: mr. J. Smael.
Partijen worden hierna [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd en de laatste twee partijen samen ook wel [gedaagden]
1. De kern van de zaak
[gedaagde 1] heeft op of omstreeks 11 maart 2024 zijn aandelen in [bedrijf 1] (hierna ook wel ‘de aandelen’) overgedragen aan [gedaagde 2]. [eiser] heeft middels een brief van 26 juli 2024 aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] laten weten de aandelenoverdracht op grond van artikel 3:45 BW buitengerechtelijk te vernietigen. Volgens [eiser] is hij door de onverplichte aandelenoverdracht benadeeld in zijn mogelijkheden om de vordering die hij op [gedaagde 1] heeft te verhalen en wist of behoorde [gedaagde 1] te weten dat de overdracht schuldeisers zou benadelen.
De rechtbank stelt [eiser] (grotendeels) in het gelijk en vernietigt de rechtshandeling die ten grondslag ligt aan de overdracht van de aandelen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 augustus 2024 met productie 1 tot en met 17;- de conclusie van antwoord van 16 oktober 2024 zonder producties; - de brief van de rechtbank van 30 oktober 2024 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling was bepaald;
- de brief van de rechtbank van 19 december 2024 waarin de rechtbank onder meer aan [gedaagden] heeft gevraagd om een kopie van de koopovereenkomst in het geding te brengen;
- de mondelinge behandeling van 3 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de ter gelegenheid daarvan door [eiser] overgelegde spreekaantekeningen.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat vonnis
zal worden gewezen.
3. De feiten
[eiser] heeft een vordering op [gedaagde 1] uit hoofde van de akte van cessie van 12 augustus 2013. Door die akte is hij in de rechten getreden van de erfgenamen van [naam 1], onder meer betreffende een geldlening van € 120.000,- in hoofdsom die op 1 februari 2004 is verstrekt aan [gedaagde 1] en zijn twee medevennoten van de vennootschap onder firma [bedrijf 2]
Op 23 januari 2024 heeft de deurwaarder namens [eiser] bij exploot aan [gedaagde 1] en zijn medevennoten (hernieuwd) bevel gedaan tot betaling van een bedrag van € 351.689,69 aan hoofdsom en rente. Bij gebreke van betaling heeft [eiser] op 21 maart 2024 executoriaal beslag gelegd op de aandelen van [gedaagde 1] in [bedrijf 1] Dit beslag trof geen doel.
Op of omstreeks 11 maart 2024 heeft [gedaagde 1] zijn aandelen in [bedrijf 1] overgedragen aan [gedaagde 2]. [gedaagde 2] is op dezelfde datum opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van deze B.V. is [naam 2] (hierna ‘[naam 2]’).
Op 25 juli 2024 heeft [eiser] conservatoir beslag gelegd op de aandelen die inmiddels op naam van [gedaagde 2] stonden en op 26 juli 2024 heeft [eiser] middels een brief aan [gedaagde 1] en aan [gedaagde 2] laten weten de aandelenoverdracht op grond van artikel 3:45 BW buitengerechtelijk te vernietigen.
4. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair
(1.) voor recht te verklaren dat de overdracht van de aandelen (en alle onderliggende en samenhangende rechtshandelingen waaronder de titel) terecht en rechtsgeldig door [eiser] is vernietigd, subsidiair (2.) de overdracht (en alle onderliggende en samenhangende rechtshandelingen waaronder de titel) te vernietigen en daarnaast (zowel primair als subsidiair) (3.) voor recht te verklaren dat de vernietiging tot gevolg heeft dat de aandelen nimmer het vermogen van [gedaagde 1] hebben verlaten, dat daardoor geen teruglevering door middel van een notariële akte door [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] is vereist en dat [eiser] zich als gevolg daarvan rechtstreeks op de aandelen kan verhalen, althans (4.) [gedaagden] te veroordelen tot feitelijke medewerking aan de ongedaanmaking van de overdracht door teruglevering van de aandelen op straffe van een dwangsom, en (5.) voor recht te verklaren dat [gedaagden] ter zake van de overdracht onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser], een en ander met veroordeling van [gedaagden] in (6.) de beslagkosten en (7.) de proceskosten.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de overdracht van de aandelen paulianeus is in de zin van artikel 3:45 BW (actio pauliana) en voert daartoe het volgende aan. De overdracht is onverplicht verricht omdat er voor [gedaagde 1] geen verplichting op grond van de wet of een tussen hem en [gedaagde 2] gesloten overeenkomst bestond die hem tot de overdracht van de aandelen verplichtte. De overdracht vond plaats om niet en binnen één jaar voorafgaand aan het beroep op de pauliana. Op grond van artikel 3:47 BW moet er dan ook vanuit worden gegaan dat [gedaagde 1] wetenschap had van benadeling. Dat de aandelen werden overdragen betekent volgens [eiser] dat deze een zekere waarde vertegenwoordigen zodat hij door de overdracht daarvan aan [gedaagde 2] is benadeeld in zijn verhaalsmogelijkheden jegens [gedaagde 1].
Teruglevering van de aandelen aan [gedaagde 1] is na vernietiging van de overdracht niet nodig omdat, op grond van een arrest van de Hoge Raad, de aandelen van rechtswege terugvloeien in het vermogen van [gedaagde 1], aldus [eiser]. [eiser] vordert een verklaring voor recht dienaangaande onder meer met het oog op de uitvoerbaarheid van het in dezen te geven vonnis. De rechtshandeling op zichzelf betekent volgens [eiser] dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiser], in ieder geval indien en voor zover de aandelen na de vernietiging niet de waarde blijken te vertegenwoordigen die zij vertegenwoordigden op het moment van de aandelenoverdracht.
De conclusie van [gedaagden] strekt ertoe [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel hem deze te ontzeggen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten met rente.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Uit artikel 3:45 lid 1 BW volgt dat [eiser] de aan de aandelenoverdracht door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] ten grondslag liggende rechtshandeling kan vernietigen als aan de volgende vereisten is voldaan: [gedaagde 1] was niet tot die rechtshandeling verplicht, [eiser] is door die onverplichte rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheid benadeeld en [gedaagde 1] wist of behoorde te weten dat die rechtshandeling tot benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden zou leiden.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv moet [eiser], die zich op de rechtsgevolgen van de gestelde paulianeuze overdracht beroept, feiten en/of omstandigheden stellen die dit beroep onderbouwen en deze, bij voldoende betwisting, bewijzen.
Terecht hebben [gedaagden] erop gewezen dat [eiser] wel heeft laten weten dat hij de overdracht van de aandelen vernietigde, maar niet de daaraan ten grondslag liggende rechtshandeling. Overdracht is een rechtsgevolg en geen rechtshandeling. Reeds om die reden kan het primair gevorderde niet worden toegewezen.
Aan de vereisten van de actio pauliana is voldaan
Onverplichte rechtshandeling
Een rechtshandeling is onverplicht verricht wanneer geen daartoe op de wet of een overeenkomst berustende verplichting bestaat. Weliswaar hebben [gedaagden] bij wijze van betwisting van de stellingen daarover van [eiser] aangevoerd dat aan de overdracht (wel) een overeenkomst, te weten een koopovereenkomst, ten grondslag ligt, maar zij hebben, ondanks het feit dat de rechtbank daar in de aanloop naar de mondelinge behandeling uitdrukkelijk om heeft gevraagd, nagelaten die overeenkomst in het geding te brengen. Dat de koopovereenkomst mondeling werd gesloten, als gevolg waarvan zij geen schriftelijk bewijs van de overeenkomst kunnen leveren, zoals zij ter zitting hebben verklaard, komt voor rekening en risico van [gedaagden] Dat geldt eens temeer nu zij ook niet de notariële leveringsakte van de aandelenoverdracht in de procedure hebben ingebracht. Aldus hebben [gedaagden] deze stelling van [eiser] onvoldoende betwist en staat daardoor vast dat de rechtshandeling die aan de overdracht ten grondslag ligt onverplicht heeft plaatsgevonden.
Benadeling schuldeiser(s)
Een tweede vereiste voor vernietigbaarheid van genoemde rechtshandeling is dat die heeft geleid tot benadeling van [eiser] in zijn verhaalsmogelijkheden. Uitgangspunt is dat [eiser] is benadeeld door de overdracht van de aandelen uit het vermogen van [gedaagde 1] naar het vermogen van [gedaagde 2]. Immers, als gevolg daarvan kon hij zijn vordering op [gedaagde 1] niet langer op die aandelen verhalen. Dat deze aandelen een negatieve waarde hadden, waardoor van benadeling als gevolg van de overdracht geen sprake is geweest, zoals [gedaagden] aanvoeren, blijkt nergens uit. [gedaagden] hadden hun stellingen ook dienaangaande op eenvoudige wijze, bijvoorbeeld door het overleggen van jaarstukken of andere financiële stukken, kunnen onderbouwen. Door dit na te laten hebben zij ook deze stelling van [eiser] onvoldoende betwist en staat daardoor vast dat van benadeling van [eiser] sprake is.
Wetenschap van benadeling
[gedaagden] hebben ter zitting bij herhaling, desgevraagd, aangegeven dat er voor de aandelen niets is betaald. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat sprake is van een overdracht om niet. Dat er geen tegenprestatie verschuldigd is, betekent dat niet van belang is of ook [gedaagde 2] wist of behoorde te weten dat benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn van de overdracht om de aandelenoverdracht te kunnen vernietigen (artikel 3:45 lid 2 BW).
[gedaagde 1] op zijn beurt wist dat [eiser] een vordering op hem had. Hij heeft [eiser], in reactie op het betalingsbevel (zie onder 3.2), een schikkingsvoorstel gedaan en daarbij [eiser] in het vooruitzicht gesteld dat [eiser] bij niet-acceptatie daarvan nimmer verhaal zou kunnen nemen. Kort daarna heeft [gedaagde 1] de aandelen om niet overgedragen. Mede in aanmerking genomen dat zonder onderbouwing, die niet is gegeven, niet valt in te zien dat de aandelen in het geheel geen waarde vertegenwoordigden en dat [gedaagde 2] ten tijde van de overdracht net was opgericht, moet [gedaagde 1] hebben geweten althans had hij behoren te weten dat door het verrichten van de rechtshandeling die aan de overdracht van de aandelen om niet ten grondslag lag, [eiser] in zijn verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld.
Conclusie
Op grond van het voorgaande geldt dat aan de vereisten van de actio pauliana is voldaan. De aan de overdracht van de aandelen ten grondslag liggende rechtshandeling is vernietigbaar. De onder 2. gevorderde vernietiging zal dan ook worden toegewezen zoals in de beslissing aan te geven.
[gedaagden] hebben de uitleg die [eiser] geeft aan het onder 4.3 aangehaalde arrest van de Hoge Raad, naar het oordeel van de rechtbank terecht, niet betwist. De rechtbank zal beslissen in lijn met dit arrest van de Hoge Raad en daarom de gevorderde verklaring voor recht (onder 3.) toewijzen en de als alternatief geformuleerde vordering onder 4. afwijzen.
Afwijzing vordering onrechtmatige daad
De rechtbank wijst ook de vordering onder 5. af nu deze vordering te onbepaald is, in het bijzonder doordat de gestelde onrechtmatigheid van de overdracht afhankelijk is van de nog vast te stellen waarde van de aandelen op het moment van de overdracht en na de vernietiging.
Beslag- en proceskosten
[eiser] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar.
De beslagkosten worden (los van het griffierecht en een punt voor het salaris advocaat) vastgesteld op € 385,83 voor de kosten van het deurwaardersexploot ter zake van het gelegde conservatoir beslag op aandelen. De beslagkosten zijn onderdeel van de proceskosten.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief beslag- en nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
135,97
- griffierecht
- salaris advocaat
€
€
320,00
1.842,00
(3 punten × € 614,00)
- beslagkosten
- nakosten
€
€
385,83
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.861,80
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
vernietigt de aan de overdracht op of omstreeks 11 maart 2024 door [gedaagde 1] aan [gedaagde 2] van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] ten grondslag liggende rechtshandeling;
verklaart voor recht dat de onder 6.1 bedoelde vernietiging tot gevolg heeft dat de aandelen nimmer het vermogen van [gedaagde 1] hebben verlaten, dat daardoor geen teruglevering door middel van een notariële akte door [gedaagde 2] aan [gedaagde 1] is vereist en dat [eiser] zich als gevolg daarvan rechtstreeks op de aandelen kan verhalen;
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.861,80, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagden] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
3856/2537