ECLI:NL:RBROT:2025:15651

ECLI:NL:RBROT:2025:15651

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 05-12-2025
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 10.149281.25 en 10.274054.25 en TUL 10.001181.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging, dragen uitklapbaar mes, beschadigen van een politiecel, verduisteren van een telefoon, diefstal middels een valse sleutel, wederspannigheid en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Oplegging van een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Toewijzing vordering TUL. Vorderingen benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummers: 10.149281.25 en 10.274054.25

Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10.001181.24

Datum uitspraak: 5 december 2025

Datum zitting: 21 november 2025

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] .

Advocaat van de verdachte: mr. Z. Badrane.

Officier van justitie: mr. C.T. den Uil.

Benadeelde partijen: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , Nationale Politie Eenheid Rotterdam en [slachtoffer 3] (namens haar gemachtigd Politie Nederland Eenheid Rotterdam).

Kern van het vonnis

De verdachte wordt door de officier van justitie beschuldigd van een zevental strafbare feiten. Ter terechtzitting heeft de verdachte de feiten, behalve de bedreiging van een verbalisant, bekend. De rechtbank acht alle feiten wettig en overtuigend bewezen. De verdachte is onderzocht door een psycholoog van het NIFP. Gelet op de bevindingen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de feiten in een verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend en dat de verdachte dient te worden berecht volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden, zodat de verdachte hulp en begeleiding zal krijgen voor haar problematiek en kan werken aan haar toekomst.

Leeswijzer

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij – samengevat – een zevental strafbare feiten heeft gepleegd, te weten diefstal met geweld in vereniging, het dragen van een mes, het vernielen dan wel beschadigen van een politiecel, het verduisteren van een iPhone, diefstal door middel van een valse sleutel, wederspannigheid tijdens haar aanhouding en bedreiging van een verbalisant. De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.

De beschuldiging is bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bewijsmiddelen staan in hoofdstuk 2.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staat in hoofdstuk 3.

De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 15 maanden, waarvan

5 maanden voorwaardelijk. In hoofdstuk 4 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.

In hoofdstuk 5 staan de beslissing over het inbeslaggenomen goed.

De benadeelde partijen hebben een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vorderingen worden (deels) toegewezen. In hoofdstuk 6 wordt deze beslissing uitgelegd.

In hoofdstuk 7 staat de beslissing op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die eerder aan de verdachte is opgelegd.

In hoofdstuk 9 staan alle beslissingen in het kort.

1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging), houdt in dat:

10.149281.25

1

zij op of omstreeks 13 mei 2025 te Vlaardingen, op de openbare weg, te weten de Dijklaan en/of Burgemeester Pruissingel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- achter die [slachtoffer 1] aan te fietsen en/of die [slachtoffer 1] in te halen, en/of

- vóór die [slachtoffer 1] te gaan staan, zodat die [slachtoffer 1] moest uitwijken en/of afstappen, en/of

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Ga van je fiets af' en/of "stop en stap van je fiets af en/of (daarbij) het stuur van de fiets van die [slachtoffer 1] vast te pakken, en/of

- meermalen tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Hey niffo, geef je telefoon, geef je telefoon!", en/of

- meermaals die [slachtoffer 1] (met de vuist) tegen haar gezicht en/of neus en/of mond te slaan, en/of

- aan die [slachtoffer 1] te vragen "heb je geld bij je", en/of

- ( toen die [slachtoffer 1] weg wilde rennen) die [slachtoffer 1] vast te grijpen bij de schouder en/of nek, en/of

- de fiets van die [slachtoffer 1] op te pakken en mee te nemen;

2

zij op of omstreeks 13 mei 2025 te Vlaardingen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een uitklapbaar mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

3

zij op of omstreeks 14 mei 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk (de muren van) een politiecel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Politie Eenheid Rotterdam, althans de nationale Politie, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd;

4

zij op of omstreeks 15 december 2024 te Schiedam, althans in Nederland, opzettelijk een telefoon (Apple IPhone 14), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf te weten als tijdelijk houder, onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

5

zij op of omstreeks 15 december 2024 tot en met 18 december 2024 te Schiedam en/of Rotterdam en/of Den Haag, althans in Nederland, een geldbedrag (te weten: 3.949.60 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door - online en/of in (fysieke) winkels, betalingen te verrichten - door gebruik te maken van de (digitale) creditcard, althans het Apple Pay-account van die [slachtoffer 2] - met/op de

telefoon van die [slachtoffer 2] ;

10.274054.25

6

zij op of omstreeks 13 mei 2025 te Vlaardingen en/of Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 3] , werkzaam bij de Eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding en/of overbrenging naar het politiebureau door die [slachtoffer 3] weg te duwen en/of door wild om zich heen te slaan en/of te trappen en/of met haar hoofd heen en weer te bewegen en/of haar lichaam in een tegens telde richting te bewegen dan de richting waarin zij werd gehouden door die [slachtoffer 3] ;

7

zij op of omstreeks 13 mei 2025 te Vlaardingen en/of Schiedam en/of Rotterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Bewijs

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.

Conclusie van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel vrijgesproken dient te worden voor het vragen of aangeefster [slachtoffer 1] geld bij zich had en voor het vastgrijpen van [slachtoffer 1] bij de schouder en/of nek, nu deze handelingen zijn verricht door iemand anders. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken voor het vernielen van de politiecel, aangezien haar tekeningen konden worden verwijderd. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ook ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken, aangezien zij niet het volledige geldbedrag dat is genoemd in de beschuldiging zou hebben weggenomen. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 7 heeft de verdediging bepleit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden nu de woorden van de verdachte voortkwamen uit frustratie en niet bedoeld waren om vrees aan te jagen. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feiten 2, 4 en 6 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte de zeven feiten heeft begaan. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.5.

De bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 6 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft deze feiten bekend en er is geen algehele vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.

1. Bekennende verklaring van de verdachte

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 1]

3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek wapen

4. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 4] namens Politie Rotterdam-Rijnmond

5. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 2]

6. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 3]

De bewezenverklaring van feit 7 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

7. Proces-verbaal van de politie, relaas van verbalisant [naam verbalisant]

De verdachte erkent dat zij na haar aanhouding boos is geworden. Zij verklaart met betrekking tot de bedreiging dat zij heeft gereageerd uit boosheid.

8. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangeefster [slachtoffer 3]

Op 13 mei 2025 heb ik samen met collega's [verdachte] als verdachte aangehouden. Eenmaal onderweg zag en hoorde ik dat de verdachte zeer onrustig werd. Ik hoorde dat vervolgens mij met mijn leven bedreigde en ik hoorde dat zij schreeuwde: "ik maak je dood". Aangezien zij om zich heen aan het slaan en trappen was, voelde ik mij dusdanig bedreigd dat het haar intentie was om vrij te komen en te willen vechten.

Bewijsmotivering feit 1

Ten aanzien van feit 1 merkt de rechtbank op dat niet alle feitelijke handelingen van de beschuldiging door de verdachte zelf hoeven te zijn verricht nu sprake is van medeplegen. De rechtbank zal de verdachte dan ook niet partieel vrijspreken zoals door de verdediging verzocht.

Bewijsmotivering feit 7

Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had met betrekking tot de bedreiging, vindt dit standpunt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Verdachte was erg boos, verzette zich tegen de aanhouding en heeft toen tegen de verbalisant gezegd ‘Ik maak je dood’. Door die bedreigende woorden onder die omstandigheden kon bij het slachtoffer de redelijke vrees ontstaan dat de bedreigingen ook zouden worden uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook feit 7 wettig en overtuigend bewezen is.

Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

10.149281.25

1

zij op 13 mei 2025 te Vlaardingen, op de openbare weg, te weten de Dijklaan en/of Burgemeester Pruissingel, tezamen en in vereniging met anderen, een fiets, , die geheel aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- achter die [slachtoffer 1] aan te fietsen en die [slachtoffer 1] in te halen, en

- vóór die [slachtoffer 1] te gaan staan, zodat die [slachtoffer 1] moest uitwijken en afstappen, en

- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Ga van je fiets af' en "stop en stap van je fiets af en (daarbij) het stuur van de fiets van die [slachtoffer 1] vast te pakken, en

- meermalen tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Hey niffo, geef je telefoon, geef je telefoon!", en

- meermaals die [slachtoffer 1] (met de vuist) tegen haar gezicht te slaan, en

- aan die [slachtoffer 1] te vragen "heb je geld bij je", en

- ( toen die [slachtoffer 1] weg wilde rennen) die [slachtoffer 1] vast te grijpen bij de schouder en/of nek, en

- de fiets van die [slachtoffer 1] op te pakken en mee te nemen;

2

zij op 13 mei 2025 te Vlaardingen, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een uitklapbaar mes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;

3

zij op 14 mei 2025 te Rotterdam, opzettelijk en wederrechtelijk (de muren van) een politiecel, die geheel aan de Politie Eenheid Rotterdam, toebehoorde heeft beschadigd;

4

zij op 15 december 2024 te Schiedam, opzettelijk een telefoon (Apple IPhone 14), geheel toebehorende aan [slachtoffer 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf te weten als tijdelijk houder, onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend;

5

zij in de periode van 15 december 2024 tot en met 18 december 2024 te Schiedam en/of Rotterdam en/of Den Haag, een geldbedrag dat geheel aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door - online en in fysieke winkels, betalingen te verrichten - door gebruik te maken van de (digitale) creditcard, op de telefoon van die [slachtoffer 2] ;

10.274054.25

6

zij op 13 mei 2025 te Vlaardingen en/of Schiedam en/of Rotterdam, zich met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 3] , werkzaam bij de Eenheid Rotterdam, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding en overbrenging naar het politiebureau door die [slachtoffer 3] weg te duwen en door wild om zich heen te slaan en te trappen en met haar hoofd heen en weer te bewegen en haar lichaam in een tegengestelde richting te bewegen dan de richting waarin zij werd gehouden door die [slachtoffer 3] ;

7

zij op 13 mei 2025 te Vlaardingen en/of Schiedam en/of Rotterdam, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood",.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

10.149281.25

1

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

2

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

3

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort beschadigen

4

verduistering

5

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

10.274054.25

6

wederspannigheid

7

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie is van oordeel dat de verdachte dient te worden berecht volgens het volwassenenstrafrecht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de verdachte te berechten volgens het jeugdrecht en een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijk deel als stok achter de deur.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van de feiten

Op 15 december 2024 heeft de verdachte de telefoon van het slachtoffer [slachtoffer 2] verduisterd terwijl [slachtoffer 2] zich in een hulpbehoevende en kwetsbare positie bevond. Die avond is [slachtoffer 2] door anderen in de sloot geduwd terwijl zij reed op haar elektrische fiets. Toen [slachtoffer 2] uit de sloot was geklommen en probeerde haar man te bellen, deed de verdachte alsof zij [slachtoffer 2] hulp wilde aanbieden en nam zij [slachtoffer 2] telefoon aan, waarna zij met de telefoon van [slachtoffer 2] wegrende en [slachtoffer 2] dus in een hulpbehoevende toestand achterliet. In de dagen daarna heeft de verdachte met de creditcard, die gekoppeld was aan de telefoon van [slachtoffer 2] , verschillende (grote) uitgaven gedaan.

Op 13 mei 2025 heeft de verdachte samen met anderen en met fysiek geweld, op klaarlichte dag, het slachtoffer [slachtoffer 1] bestolen van haar fiets en geprobeerd haar telefoon af te pakken. Verdachte heeft hier op de zitting over verklaard dat zij dit heeft gedaan uit verveling. Dit zogenaamde moment van verveling heeft op het slachtoffer een enorme indruk gemaakt. Dat blijkt ook heel duidelijk uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Zij ondervindt er nog steeds de (psychisch nadelige) gevolgen van. Ook andere mensen, die op klaarlichte dag van dit soort feiten getuige zijn, worden hierdoor angstig op straat. Tijdens haar aanhouding diezelfde dag heeft de verdachte zich verzet en een verbalisant bedreigd. Tevens bleek dat de verdachte een uitklapbaar mes op zak had. Vervolgens heeft de verdachte op het politiebureau haar cel beschadigd.

Met haar handelen heeft de verdachte het gevoel van veiligheid geschaad. Daarnaast leiden dergelijke feiten tot maatschappelijke onrust. Niet alleen in het algemeen, maar bij de betrokken slachtoffers en hun naasten in het bijzonder. De verdachte heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van haar daden voor de slachtoffers, maar enkel oog gehad voor haar eigen (financiële) voordeel. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Op de zitting heeft verdachte een brief voorgelezen en haar spijt uitgesproken richting de slachtoffers. Ook heeft zij verklaard in de gevangenis zelf contact te hebben gezocht met een psycholoog om behandelingen te volgen. Zij heeft verklaard graag hulp te willen hebben, omdat zij wil dat het goed komt en dat zij anders leert handelen.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 november 2025 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten en zij liep bovendien in een proeftijd van een eerder aan haar opgelegde straf. Dat heeft haar er niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank houdt daar in strafverzwarende zin rekening mee.

Rapporten van deskundigen en de reclassering

In het rapport van psycholoog [persoon A] van 10 september 2025 staat – samengevat – het volgende.

Er is bij de verdachte sprake van een posttraumatische stressstoornis (PTSS), een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, een matige stoornis in gebruik van cannabis en een lichte stoornis in het gebruik van alcohol. Hiervan was ook sprake ten tijde van de beschuldiging. De door aangeefster en medeverdachten beschreven kilheid en agressie door de verdachte, zijn passend bij de beschreven pathologie

waarin ze haar (levens)pijn antisociaal bij anderen lijkt te willen leggen. Hierbij kan gesteld

worden dat de persoonlijkheidspathologie ten gevolge van de onbehandelde PTSS een oorzakelijke rol heeft gespeeld. De verdachte ageerde haar onvrede over haar situatie uit, voelde de kennelijke noodzaak hierbij een ander te overheersen/te benadelen. Alles overziend wordt alleen inzake feit 1, het feit waarbij ze een direct slachtoffer maakte, indien bewezen, geadviseerd dit haar in verminderde mate toe te rekenen daar hierbij vermoed kan worden dat haar antisociale en instrumenteel ingezette agressie, vooral een emotionele en daarmee voor haar minder goed beheersbare component in zich droeg van ongerichte vernietigende woede.

Het recidiverisico wordt ingeschat als matig tot hoog; de verdachte wil het graag anders, maar is hiertoe zelfstandig geenszins in staat. Ze is te basaal boos en onmachtig haar gedrag afdoende te reguleren, ze is te beschadigd. Als beschermende factoren gelden haar intelligentie waardoor ze terdege beseft waar ze mee bezig is, het feit dat ze eigen financieel beheer kan voeren, gemotiveerd is voor behandeling, haar levensdoel, het feit dat ze hulpverlening en toezicht zal accepteren omdat ze het anders wil. Het zelfbeschadigende component is er debet aan dat ze behandeling mijdt en succesvol voorkomt en voortdurend bestraffing opzoekt. Het succesvol uit behandeling blijven verhoogd de kans op recidive; elke poging die ze laat mislukken, versterkt haar woede en onmacht en daarmee de kans dat ze wederom zal uitageren. Gelet op het bovenstaande ziet de rapporteur geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Geadviseerd wordt de verdachte in het kader van een deels voorwaardelijke straf, als bijzondere voorwaarde op te laten nemen binnen een forensisch zorginstelling als bijvoorbeeld De Catamaran, een kliniek voor forensische psychiatrie. Een klinisch kader is noodzakelijk om recidive te voorkomen. Hoewel diverse kaders overwogen zijn, zou een voorwaardelijk strafkader moeten kunnen volstaan om behandeling te garanderen; de verdachte is vanuit haar lijden gemotiveerd tot gedragsverandering.

In het rapport van de Jeugdbescherming en reclassering van 14 augustus 2025 staat – samengevat – het volgende.

De verdachte kent – zeker voor haar jonge leeftijd – een uitgebreid justitieel verleden met een zorgelijk delictpatroon van gewelds- en vermogensdelicten. De verdachte loopt in

toezicht bij de jeugdreclassering, hetgeen tot op heden onvoldoende heeft kunnen voorkomen dat zij recidiveerde. Zij heeft haar justitiële voorwaarden binnen het lopende toezicht bij de jeugdreclassering meermaals overtreden en heeft zich al dan niet doelbewust onttrokken aan de elektronische monitoring. Het psychosociaal functioneren van de verdachte wordt door de reclassering gezien als grootste risicofactor. Gezien haar jonge leeftijd en het feit dat zij te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan behandeling, wordt er in overleg met de jeugdreclassering nog aanleiding gezien om het lopende toezicht te continueren en toe te werken naar gedragsverandering en vermindering van het recidiverisico. Gelet op het verloop van het toezicht voorafgaand aan detentie, dient de kanttekening te worden gemaakt dat de reclassering verwacht dat het voor de verdachte een uitdaging zal zijn om zich consequent aan de gemaakte afspraken te houden. Tegelijkertijd komt de wens van de verdachte om haar leven een andere wending te geven en verantwoorde keuzes te maken oprecht over. Dit blijkt onder meer uit het feit dat zij op eigen initiatief gesprekken voert met een psycholoog binnen de PI en een brief heeft geschreven aan de rechter. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Bij veroordeling wordt een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met bijzondere voorwaarden.

Op 20 november 2025 heeft de Jeugdbescherming en reclassering per e-mail aanvullend gerapporteerd, hieronder samengevat:

Uit het NIFP-rapport blijkt dat de verdachte kampt met (onbehandelde) PTSS en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De verdachte kampt met forse problematiek dat zich zowel intern als extern uit. Zij kampt met veel klachten op het gebied van emotieregulatie en beschikt niet over adequate coping skills. Dat toepassing van het volwassenstrafrecht meer kaders en mogelijkheden biedt om te kunnen komen tot vermindering van het recidiverisico en gedragsverandering weegt zwaarder dan de eerdere overwegingen die werden aangehaald voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De reclassering sluit zich daarom aan bij het advies om volwassenstrafrecht toe te passen.

De reclassering adviseert de volgende bijzondere voorwaarden:

• Een meldplicht;

• Opname in een zorginstelling;

• Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);

• Begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

• Dagbesteding;

• Meewerken aan schuldhulpverlening;

• Meewerken aan een traject met een jeugdcoach.

Toerekenbaarheid

Op basis van het rapport van de psycholoog [persoon A] , stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond. Nu de stoornis tijdens het begaan van alle feiten bestond en onbehandeld is gebleven, heeft deze stoornis het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloed. Daarom zullen alle feiten in een verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend.

Toepassing ASR

Gelet op de standpunten van de deskundigen, zal de rechtbank de verdachte berechten volgens het volwassenenstrafrecht.

Oplegging straf

Straf Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een gevangenisstraf van 15 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden 5 maanden voorwaardelijk opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. Zoals hiervoor overwogen, staat verdachte er ook voor open om deze behandeling en begeleiding te aanvaarden en met zichzelf aan de slag te gaan.

5. In beslag genomen voorwerpen

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank beslist dat het in beslag genomen mes wordt onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.

Het strafbare feit onder 2 is met het mes gepleegd.

6. Vordering van de benadeelde partijen

Vordering [slachtoffer 1]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 443,64 als vergoeding voor materiële schade en € 600,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De benadeelde partij moet deels niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering gelet op de verzochte partiele vrijspraak. Daarnaast is niet uit de stukken af te leiden of de gesprekken met de psycholoog rechtstreeks het gevolg zijn van het handelen van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

- Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 443,64 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

- Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. De rechtbank acht het verzochte bedrag billijk. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 600,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 13 mei 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering Nationale Politie Eenheid Rotterdam

Nationale Politie Eenheid Rotterdam heeft als benadeelde partij voor feit 3 € 602,17 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

Onduidelijk is of de politie verzekerd is. Het is niet zeker of zij deze schade daadwerkelijk heeft geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en de verdediging de vordering met onvoldoende argumenten heeft weersproken. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 602,17 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente en proceskosten

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 14 mei 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

Vordering [slachtoffer 2]

heeft als benadeelde partij voor de feiten 4 en 5 € 727,30 als vergoeding voor (niet reeds vergoede) materiële schade en € 1.548,50 als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

Gelet op de bekennende verklaring refereert de verdediging zich ten aanzien van de schade voor de iPhone en het rijbewijs. De financiële schade is reeds vergoed door de bank. De overige materiële schade heeft geen rechtstreeks verband met de feiten. Ook de gevorderde immateriële schade van € 500,- houdt geen rechtstreeks verband met de feiten. De gevorderde immateriële schade van € 1.000,- dient te worden afgewezen, omdat de verdachte de bestanden in de iCloud van de benadeelde partij niet heeft gewist.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 4 en 5 gepleegde strafbare feiten. De materiële schade als gevolg van het onder 5 gepleegde feit is reeds vergoed. Door het handelen van de verdachte bij het onder 4 gepleegde feit zijn bij de benadeelde partij een iPhone en rijbewijs weggenomen. De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen, inhoudende dat de verdachte een bedrag van € 52,10 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen (rijbewijs). De iPhone komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu de dagwaarde hiervan reeds door de verzekeraar is vergoed. De overige materiële en immateriële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking nu de verdachte niet degene is geweest die benadeelde partij in het water heeft geduwd. Deze schade staat niet in rechtstreeks verband met de feiten onder 4 en 5.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 15 december 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Vordering [slachtoffer 3]

heeft als benadeelde partij voor feit 6 € 100,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

Het letsel is pas een dag later geconstateerd waardoor niet met zekerheid kan worden gesteld dat dit letsel is veroorzaakt door verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 6 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen. Er is geen enkele aanwijzing dat dit letsel een andere oorzaak heeft dan het handelen van verdachte. De rechtbank acht het verzochte bedrag billijk. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 100,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 13 mei 2025.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7. Vordering tot tenuitvoerlegging

Vordering

De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van

117 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat zij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, met dien verstande dat het daarbij nog gaat om 87 dagen jeugddetentie, omdat een deel van 30 dagen al eerder ten uitvoer is gelegd. Hij heeft de rechtbank verzocht om de jeugddetentie om te zetten naar een gevangenisstraf (binnen het volwassenenregime).

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om een verlenging van de proeftijd.

Oordeel van de rechtbank

De nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat zij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen.

Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf. De rechtbank wijst de vordering om de jeugddetentie te vervangen door een gevangenisstraf toe, omdat de verdachte inmiddels meerderjarig is en naar het oordeel van de rechtbank niet meer in aanmerking komt voor een jeugddetentie.

8. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57, 180, 285, , 312, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 27 van de Wet Wapens en Munitie.

9. Beslissingen

De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat 5 (vijf) maanden gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 7 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

In beslag genomen voorwerpen

verklaart voor feit 2 onttrokken aan het verkeer; 1 STK Steekwapen, (Omschrijving:

[nummer proces-verbaal 1] , Zwart, merk: Arizona)

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10.001181.24)

beveelt de tenuitvoerlegging van het resterende gedeelte van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een jeugddetentie van 87 dagen, zoals opgelegd in het vonnis van 25 april 2024 en beveelt dat deze wordt vervangen door een gevangenisstraf van 87 dagen;

Vorderingen benadeelde partijen

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.043,64, bestaande uit € 443,64 als vergoeding van materiële schade en € 600,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling.

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Rotterdam (feit 3), te betalen een bedrag van € 602,17 bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 14 mei 2025 tot de dag van volledige betaling.

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 4), te betalen een bedrag van € 52,10 bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 15 december 2024 tot de dag van volledige betaling.

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feiten 4 en 5); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte, aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 6), te betalen een bedrag van € 100,- bestaande uit immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 13 mei 2025 tot de dag van volledige betaling.

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,-;

legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] aan de Staat € 1.043,64 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 20 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte voor de feit 4 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] aan de Staat € 52,10 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 15 december 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte voor feit 6 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3] aan de Staat € 100,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 13 mei 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partijen of aan de Staat heeft vergoed.

10. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. L. Feraaune, voorzitter,

en mrs. N. van Esch en I.M. Braam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 december 2025.

Mr. I.M. Braam is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L. Feraaune

Griffier

  • mr. H. Tchang

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?