Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.104871.25
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
waarnemend raadsman mr. G. Havenith, advocaat te Eindhoven.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K.P. Mandos heeft gevorderd:
4. Bewijs en bewezenverklaring
Verweer verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de seksuele handelingen niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm zodat het ontuchtig karakter ontbreekt. Daartoe is het volgende aangevoerd. Het leeftijdsverschil tussen de verdachte en aangeefster is gering, waarbij meegewogen dient te worden dat het geestelijk ontwikkelingsniveau van de verdachte lager lag dan gebruikelijk op zijn leeftijd. De verdachte en het slachtoffer waren destijds in ontwikkelingsniveau en belevingswereld elkaars gelijke. Er was sprake van een affectieve en gelijkwaardige relatie en vrijwillig seksueel contact. Daarom verzoekt de verdediging vrijspraak.
Beoordeling verweer
Het verweer wordt verworpen. Aangeefster was destijds 13 jaar oud en de verdachte 18 jaar, een leeftijdsverschil van 5 jaar. In deze leeftijdsfase is er in het algemeen een groot verschil in ontwikkelingsniveau en ontwikkelingsfase. Aangeefster was nog aan het begin van haar pubertijd en de verdachte was zich al aan het ontwikkelen tot jongvolwassene. De seksuele handelingen die de verdachte bij aangeefster heeft verricht zijn daarom in strijd met de op dit punt geldende sociaal-ethische norm en daarom ontuchtig. Dat de verdachte volgens de reclassering hoog scoort op kinderlijk gedrag, het inschatten van de risico’s van zijn handelen en het organiseren van zijn eigen gedrag maakt dit niet anders.
Bewijsmotivering en bewezenverklaring
In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van wat hiervoor met betrekking tot het ontuchtig karakter van het handelen van de verdachte is opgemerkt, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode tussen 01 maart 2018 en 30 april 2018 te Papendrecht, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) over de clitoris van die [slachtoffer] , althans het brengen en/of (vervolgens) houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of en
- duwen en/of brengen en/of houden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemeen
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Gepleegde feit
De verdachte heeft ongeveer 7,5 jaar geleden als 18-jarige ontucht gepleegd met een meisje dat toen 13 jaar oud was. Ze hadden elkaar leren kennen via internet contact. Er zijn twee incidenten geweest. Bij het tweede incident is de verdachte met zijn penis in haar vagina gegaan. De verdachte heeft door zo te handelen inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Dertienjarigen zijn nog volop in ontwikkeling, ook op seksueel gebied, waarbij zij in het algemeen nog niet of in onvoldoende mate in staat moeten worden geacht om zelf hun seksuele integriteit te bewaken en de betekenis en mogelijke gevolgen van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Om deze ontwikkeling normaal te laten verlopen moeten minderjarigen beschermd worden tegen seksueel contact met volwassenen. De verdachte heeft te veel oog gehad voor zijn eigen belangen en geen rekening gehouden met de belangen van het destijds nog jonge slachtoffer. Het handelen van de verdachte heeft veel impact op haar gehad, ook in de jaren daarna.
Persoonlijke omstandigheden verdachte
Strafblad
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Ook nadien zijn er geen veroordelingen voor strafbare feiten.
Rapportages
Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 3 oktober 2025. Dit rapport houdt – voor zover relevant – het volgende in.
De verdachte bekent dat hij op achttienjarige leeftijd seks heeft gehad met aangeefster en dat het leeftijdsverschil te groot was. Er was echter sprake van een relatie en het zou wederzijds zijn geweest. Op het moment dat aangeefster tijdens de seks aangaf dat ze wilde stoppen heeft hij dit gedaan, zo geeft hij aan. Eerder zou hij geen signalen hebben gezien waaruit hij op had moeten maken dat de seks tegen haar wil in was. Dat ze daarna aangaf dat het te snel voor haar was gegaan, deed hem wel wat en hij erkende dit ook wel. De verdachte kwam niet eerder in beeld bij justitie en is bij veroordeling dan ook first offender te noemen. Hij heeft zijn leven in grote lijnen op orde. Hij heeft een eigen bedrijf opgezet waaruit hij voldoende inkomsten genereert. Hij woont nog bij zijn ouders en hoopt in de toekomst een eigen woning te kunnen kopen. Er worden geen problemen gezien op het gebied van middelengebruik of houding. De verdachte is in zijn jeugd gediagnostiseerd met autisme. Autisme wordt gekenmerkt door onder andere beperkingen in sociale communicatie, sociale interactie, prikkelverwerking en het lastig kunnen schakelen. De reclassering sluit niet uit dat dit mogelijk van invloed is geweest op de delictpleging (het lezen van non-verbale communicatie, afstemmen van wensen en behoeften en schakelen bij verandering van wensen en behoeften bij de ander), maar dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag, ook ten aanzien van zedendelicten. Er worden geen signalen gezien die wijzen op problemen op het gebied van seksualiteit zoals deviante voorkeuren of het inzetten van seks als coping.
Adolescentenstrafrecht (ASR)
De reclassering heeft gebruik gemaakt van het ASR-wegingskader aangezien de verdachte ten tijde van het delict 18 jaar oud was. Op basis van de informatie uit het gesprek met de verdachte en het raadplegen van zijn moeder als referent ziet de reclassering diverse signalen die wijzen op handelingsvaardigheden die wijzen op toepassing van jeugdstrafrecht. De verdachte scoort namelijk op het inschatten van risico's van eigen handelen, het organiseren van eigen gedrag, beïnvloedbaarheid en met name op het vertonen van kinderlijk gedrag (zoals bijvoorbeeld het spelen met speelgoed). Er worden geen contra-indicaties gezien voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. De reclassering adviseert op basis van de beschikbare informatie het toepassen van het jeugdstrafrecht.
Straf
De rechtbank neemt, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, het advies van de reclassering over en zal het jeugdstrafrecht toepassen.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte uit een oogpunt van vergelding en ten behoeve van de generale preventie een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 uur dient te worden opgelegd. Deze straf wordt passend en geboden geacht. De officier van justitie heeft 100 uur werkstraf geëist, maar dat vindt de rechtbank te veel.
Een voorwaardelijke jeugddetentie, zoals ook nog door de officier van justitie is geëist, acht de rechtbank niet noodzakelijk gelet op het tijdsverloop en het feit dat de verdachte na 2018 niet meer is veroordeeld, zijn leven op orde lijkt te hebben en het recidiverisico wordt ingeschat als laag.
8. Benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Vordering Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd aangeefster [slachtoffer] , raadsvrouw mr. E.A. Bootsma, advocaat te Rotterdam. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 12.000,- voor immateriële schade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing en zich ten aanzien van de hoogte van de schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de gestelde vrijwillige aard van de relatie, de omstandigheid dat de vordering onvoldoende zou zijn onderbouwd en de omstandigheid dat er geen causaal verband zou kunnen worden vastgesteld tussen de gevorderde schade en het handelen van de verdachte, aangezien de benadeelde partij reeds met andere problematiek kampte. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering sterk te matigen en aansluiting te zoeken bij immateriële schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
Beoordeling
De verdachte heeft ontucht gepleegd met de destijds dertienjarige benadeelde partij. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit en onrechtmatig gehandeld tegenover de benadeelde partij. Op grond van artikel 6:162 BW is de verdachte verplicht de schade die de benadeelde partij daardoor heeft geleden te vergoeden.
De verdediging heeft het causaal verband betwist en daartoe aangevoerd dat niet duidelijk is welke schade het gevolg is van het handelen van de verdachte en welke schade reeds aanwezig was omdat de benadeelde partij ‘een rugzak’ had.
Dit verweer wordt verworpen. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden bestaat voldoende verband tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij geleden schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Gelet op alle omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 1.500,- aan immateriële schade billijk. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in hetgeen meer is gevorderd. Het toe te wijzen bedrag is lager dan het gevorderde bedrag, nu het in dit geval niet gaat om verkrachting, maar om ontucht met een nog (te) jong slachtoffer.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering toewijzen en de wettelijke rente toewijzen vanaf 30 april 2018.
Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 408,-.
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Om de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken zal voor het schadebedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77h, 77m, 77n en 245(oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, waarbij de jeugdreclassering dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 30 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 408,- aan salaris voor de raadsvrouw;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen € 1.500,- (hoofdsom, zegge: duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, voorzitter, tevens plaatsvervangend kinderrechter,
en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en I.M. Braam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode tussen 01 maart 2018 en 30 april 2018 te Papendrecht, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2004, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit
het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , namelijk het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- wrijven met zijn, verdachtes, vinger(s) over de clitoris van die [slachtoffer] , althans het brengen en/of (vervolgens) houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of
- duwen en/ of brengen en/ of houden van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .