Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.044652.25
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Capelle aan den IJssel.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K.P Mandos heeft gevorderd:
4. Bewijs en bewezenverklaring
Bewijsverweer
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde schuldaanranding. Verder heeft de verdediging opgemerkt dat niet bewezen kan worden dat de verdachte heeft geprobeerd met zijn hand in de panty van aangeefster te gaan.
Beoordeling bewijsverweer
Het verweer dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd met zijn hand in de panty van aangeefster te gaan vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, meer in het bijzonder in de verklaring van aangeefster dat de verdachte dit, naast diverse andere aanrakingen, bij haar heeft gedaan en de verklaring van de verdachte op de zitting dat het zou kunnen dat dit is gebeurd.
Het verweer dat sprake is geweest van schuldaanranding wordt eveneens verworpen. De rechtbank acht om de volgende redenen opzetaanranding bewezen.
Voor opzetaanranding is vereist dat de verdachte wist dat de seksuele handelingen die hij bij aangeefster verrichtte tegen haar wil waren.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangeefster haar hoofd heeft weggedraaid toen de verdachte haar op de wang probeerde te kussen en dat zij de hand van de verdachte meermalen heeft weggelegd toen hij haar borsten en vagina aanraakte.
Voorts is van belang dat aangeefster destijds 21 jaar en de verdachte 43 jaar oud was en dat aangeefster in de periode daarvoor enige tijd in het gezin van de verdachte heeft gewoond en hem daardoor zag als een soort vaderfiguur.
Gelet op de fysieke signalen van aangeefster en de verhouding tussen aangeefster en de verdachte kan het niet anders dan dat de verdachte wist dat aangeefster niet instemde met de door de verdachte uitgevoerde seksuele handelingen.
Bewijsmotivering en bewezenverklaring
In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de voor het bewijs redengevende inhoud van wat hiervoor in paragraaf 4.2 is overwogen, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 10 november 2024 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het op de wang kussen van die [slachtoffer] en/of
- het (over de kleding heen) aanraken van de borst(en) en/of vagina van die [slachtoffer] en/of
- met zijn, verdachtes, hand(en) proberen in de panty van die [slachtoffer] te gaan,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Opzetaanranding.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemeen
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Gepleegde feit
De verdachte heeft een kwetsbare, jonge vrouw met wie hij een vertrouwensband had, opzettelijk aangerand door haar te kussen, haar aan te raken over haar met kleding bedekte borsten en vagina en door te proberen met zijn handen in haar panty te gaan. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. Daarbij vond de aanranding plaats in haar eigen woning, een plek waar iemand zich bij uitstek veilig dient te voelen. Dit feit heeft veel impact gehad op het slachtoffer en zij heeft er nog steeds last van.
Persoonlijke omstandigheden verdachte
Strafblad
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 september 2025 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 oktober 2025. Dit rapport houdt het volgende in.
Bij een veroordeling ziet de reclassering (mogelijk) delictgerelateerde risicofactoren op het gebied van seksualiteit, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Er zijn geen directe zorgen wat betreft seksualiteit. Mocht de verdachte veroordeeld worden dan betreft het een veroordeling voor een zedenfeit. Mogelijk heeft de verdachte de grenzen van aangeefster onvoldoende (h)erkend en/of gerespecteerd. Daarbij is het extra zorgelijk dat aangeefster de verdachte zag als een vaderfiguur en zij hem vertrouwde. De verdachte was ten tijde van onderhavig feit onder invloed van alcohol en benoemt dat dit van invloed is geweest op zijn gedrag. Er zijn echter geen aanwijzingen voor problematisch alcoholgebruik. Verder zou de verdachte vanuit emotie en verleiding de keuze hebben gemaakt om aangeefster aan te raken. Mogelijk heeft hij onvoldoende nagedacht over de consequenties van zijn gedrag. Beschermende factoren lijken; zijn vrouw, gezin en familie. Het recidiverisico (ook op het gebied van seksuele delicten) wordt als laag ingeschat. Er wordt daarom geen meerwaarde gezien in het adviseren van bijzondere voorwaarden.
Straf
Gelet op de aard en ernst van het gepleegde feit wordt een straf noodzakelijk gevonden.
Een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, wordt echter niet nodig geacht. De seksuele handelingen die de verdachte heeft verricht zijn kwalijk maar redelijk beperkt gebleven. De verdachte heeft op de zitting ook welgemeende spijt betuigd en inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen. Het gebeurde lijkt bovendien een incident te zijn geweest en de rechtbank schat, met de reclassering, het recidiverisico als laag in.
Een taakstraf voor de duur van 60 uur wordt de meest passende straf gevonden. Aangeefster heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring weliswaar verzocht de verdachte geen straf op te leggen, maar daar gaat de rechtbank niet in mee. De rechtbank acht, gelet op de ernst van het feit, een straf op zijn plaats als vergelding voor wat de verdachte heeft gedaan en ook uit het oogpunt van generale preventie.
8. Benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
Vordering
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer] , raadsvrouw mr. M.S.L. Leeflang, advocaat te Rotterdam. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.500,- voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering integraal toe te wijzen inclusief de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
Vastgesteld wordt dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Dit is ook niet door de verdachte weersproken, evenmin als de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. De vordering zal daarom als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 10 november 2024 .
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 408,- aan salaris voor de advocaat van de benadeelde partij.
De verdachte moet de benadeelde partij dus een schadevergoeding betalen van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten als hiervoor genoemd.
Om de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken wordt voor het schadebedrag tevens de oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 240 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op € 408,- aan salaris voor de advocaat van de benadeelde partij.
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen € 2.500,- (hoofdsom, zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,
en mrs. C. Sikkel en I.M. Braam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 10 november 2024 te Rotterdam met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het op de wang kussen van die [slachtoffer] en/of
- het (over de kleding heen) aanraken van de borst(en) en/of vagina van die [slachtoffer] en/of
- met zijn, verdachtes, hand(en) proberen in de panty van die [slachtoffer] te gaan,
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.