Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-167739-25
Datum uitspraak: 18 september 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman mr. E. Kaya, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Groot heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak feit 1
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht medeplegen van poging tot doodslag bewezen. De uitgevoerde geweldshandelingen, waaronder het schoppen tegen het hoofd, kunnen als zodanig worden gekwalificeerd. Ten aanzien van het ‘medeplegen’ geldt dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte op 31 mei 2025 ook zelf geweldshandelingen heeft gepleegd, maar volgens de officier van justitie is ook de voorgeschiedenis van het conflict van belang en eerdere bedreigingen die zijn geuit door zowel de verdachte als [medeverdachte]. Op 31 mei 2025 heeft de verdachte [medeverdachte] opgehaald en zijn zij samen naar de woning van [slachtoffer 1] gereden. Vervolgens zijn zij samen de woning binnengegaan waarna zij, na het door [medeverdachte] gepleegde geweld, samen de woning hebben verlaten en zijn weggereden. De verdachte heeft voorts niets gedaan om het geweld jegens [slachtoffer 1] te stoppen. Gelet op het voorgaande kan volgens de officier van justitie worden geconcludeerd dat de verdachte en [medeverdachte] hebben samengewerkt naar een gezamenlijk doel en als medeplegers kunnen worden beschouwd.
Beoordeling
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en overweegt daartoe het volgende.
Op 31 mei 2025 is er in een woning aan de Herkingenstraat te Rotterdam geweld gepleegd jegens [slachtoffer 1]. De vraag ligt voor of de verdachte medepleger was van poging tot doodslag, van zware mishandeling of van een poging daartoe.
Voor medeplegen is noodzakelijk dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de deelnemer aan het delict van voldoende gewicht moet zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de beoordeling of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan de rechtbank rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Aan het zich niet distantiëren komt op zichzelf geen grote betekenis toe. Het gaat erom dat de van medeplegen verdachte persoon aan de totstandkoming van het delict ten minste een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De bijdrage zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar kan ook geleverd zijn in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.
Vast staat dat de verdachte samen met [medeverdachte] op 31 mei 2025 naar de woning van [slachtoffer 1] te Rotterdam is gereden. Nadat zij hadden aangebeld en de deur open werd gedaan, zijn zij naar binnen gegaan. Vervolgens zijn door [medeverdachte] geweldshandelingen verricht jegens [slachtoffer 1]. De verdachte en [medeverdachte] hebben de woning via de achterdeur verlaten en zijn samen vertrokken. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte] van te voren samen een plan hadden opgevat om de verrichte geweldshandelingen te plegen. De rollen van de verdachte en [medeverdachte] tijdens het incident zijn te onduidelijk. Een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was, is niet bewezen.
Nu vaststaat dat door de verdachte zelf geen geweldshandelingen zijn toegepast jegens [slachtoffer 1] en van medeplegen geen sprake is, spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde.
Conclusie
Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
Bewijswaardering feit 2
Partiële vrijspraak
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de bedreiging van [slachtoffer 1] niet wettig en overtuigend bewezen is. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Standpunt verdediging
De verdediging voert aan dat er onvoldoende objectief bewijs is voor bewezenverklaring van bedreiging van [slachtoffer 2], nu het dossier enkel de verklaringen van de aangevers bevat. De verdachte stelt met de aangevers in gesprek te zijn gegaan vanwege de situatie rondom zijn dochter en ontkent enige bedreiging te hebben geuit.
Beoordeling
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde partieel bewezen en overweegt daartoe het volgende.
Vast staat dat de verdachte op 5 april 2025 samen met [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer 2] in Eemnes is gegaan. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij, nadat hij was geslagen door [medeverdachte], door de verdachte werd beetgepakt en zijn woning in werd geduwd. De vrouw van [slachtoffer 2], [naam], was ook in de woning aanwezig en heeft in haar getuigenverklaring gelijkluidend over dit incident verklaard. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan haar verklaring en acht deze betrouwbaar. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in dit bewijsmiddel.
Conclusie
Het onder 2 ten laste gelegde is partieel wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
2
hij op of omstreeks 5 april 2025 te Eemnes
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- via die [slachtoffer 2] aan die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen "Geef
ons het adres van je kankerneefje, ik ga hem kapot maken, ik ga hem dood maken" althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- die [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen "mi kiering" althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- dreigend op die [slachtoffer 2] af te lopen en/of die [slachtoffer 2] te duwen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
2
bedreiging met zware mishandeling
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft [slachtoffer 2] voor zijn eigen woning bedreigd door hem vast te pakken en te duwen. Hiermee heeft hij [slachtoffer 2], maar ook de gezinsleden van [slachtoffer 2] die aanwezig waren in de woning tijdens dit incident, vrees en angst aangejaagd. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk, juist nu een woning bij uitstek een plek dient te zijn waar iemand zich veilig moet kunnen voelen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 juli 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Reclassering Nederland, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 18 augustus 2025. Dit rapport houdt het volgende in.
De verdachte ontkent de ten laste gelegde feiten en stelt dat de aanleiding voor de confrontatie een vermeende verkrachting van zijn dochter was. Volgens de verdachte was het nooit zijn bedoeling om geweld te gebruiken. Hij heeft spijt van wat er is gebeurd. De verdachte kwam twee keer eerder in beeld voor geweldsdelicten (Rb.: tweemaal geseponeerd), de laatste keer in 2010. Er is geen delictspatroon zichtbaar.
De reclassering ziet de familierelaties van de verdachte en zijn psychosociaal functioneren op het moment dat de verdenking ontstond als delict gerelateerde factoren. De verdachte kampte met gevoelens van onmacht over de situatie van zijn dochter en zocht naar antwoorden. Als gevolg daarvan heeft hij keuzes gemaakt die hij mogelijk anders niet had gemaakt, zoals met [medeverdachte] meegaan naar de woning van aangever, waar hij naar eigen zeggen werd overvallen door het geweld dat werd gebruikt. Als gevolg van de situatie rondom zijn dochter zijn er conflicten ontstaan binnen de familie van de verdachte, wat voor onrust bij hem zorgt. De reclassering ziet de familierelaties daarom als mogelijke risicofactor. Zij ziet geen aanwijzingen voor structurele problemen in het psychosociaal functioneren van de verdachte, waardoor dit niet als risicofactor wordt gezien. Op de overige leefgebieden heeft de reclassering geen problemen geconstateerd. De verdachte heeft werk, hetgeen wordt gezien als beschermende factor. De verdachte heeft zijn financiële situatie op orde en er is geen sprake van alcohol- of drugsgebruik. De reclassering ziet geen aanleiding voor verder toezicht, begeleiding of interventies en adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als laag.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Nu de reclassering geen begeleiding of bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van dertig dagen passend en geboden.
8. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt verdediging/officier van justitie
De verdediging heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen goederen. De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen terug te geven aan de verdachte.
Beoordeling
Ten aanzien van de in beslag genomen goederen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.
9. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert vergoeding van € 3.962,50 aan materiële schade en € 8.000,- aan immateriële schade.
Standpunt verdediging/officier van justitie
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd waardoor deze dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte is vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
gelast de teruggave aan verdachte van:
kleur beige;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
primair
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer 1]
van het leven te beroven,
meermalen op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft
geschopt/getrapt/geslagen/gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een (zware) hersenschudding, een (op twee plaatsen)
gebroken jukbeen, een (zwaar) gekneusde kaak en zwellingen op/in het hoofd heeft
toegebracht, door meerdere keren (met kracht) op/tegen het hoofd, althans op/tegen het
lichaam, te schoppen/trappen/slaan/stompen;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt/geslagen/gestompt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 5 april 2025 te Eemnes
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- via die [slachtoffer 2] aan die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen "Geef
ons het adres van je kankerneefje, ik ga hem kapot maken, ik ga hem dood maken" althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- die [slachtoffer 2] opzettelijk dreigend de woorden toe te voegen "mi kiering" althans
woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of
- dreigend op die [slachtoffer 2] af te lopen en/of die [slachtoffer 2] te duwen.