Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.337525.23
Parketnummers vorderingen TUL: 10.037372.23 en 10.133732.23
Datum uitspraak: 28 juli 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1973,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
preventief gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Inleiding
Op 18 december 2023 ontstond onenigheid tussen de verdachte en zijn ex-partner, de [aangeefster], terwijl zij op bezoek was in de woning van de verdachte en zijn moeder in Rotterdam. De verdachte wilde dat de aangeefster bij hem bleef overnachten, waarop de aangeefster zei dat ze dat niet wilde. Volgens haar verklaring mocht zij van de verdachte de woning niet verlaten en had hij de deuren op slot gedaan; ook weigerde hij de sleutel te geven toen zij weg wilde gaan. Vervolgens zou de verdachte haar in het gezicht hebben geslagen, met zijn arm op de bank haar nek hebben vastgeklemd en met zijn handen in haar nek hebben geknepen. Tijdens deze handelingen zou de verdachte aangeefster met de dood hebben bedreigd. De verdachte erkent dat er ruzie was, waarbij hij de aangeefster heeft geduwd en vastgepakt omdat hij niet wilde dat zij wegging, maar ontkent haar te hebben geslagen en in haar nek te hebben geknepen.
Feit 1 – wederrechtelijke vrijheidsberoving
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving was geen sprake en er is geen bewijs dat de aangifte op dit punt ondersteunt. Niet de verdachte, maar zijn moeder heeft de deuren van de woning op slot gedaan. De intentie om aangeefster van haar vrijheid te beroven ontbrak bij de verdachte.
Beoordeling
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn ex-partner wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Hiertoe is het volgende redengevend. De aangeefster heeft verklaard dat zij de woning wilde verlaten en haar jas wilde aantrekken, maar dat de verdachte haar jas weer van haar af trok en tegen haar schreeuwde dat ze in de woning moest blijven en nergens naartoe mocht gaan. Zoals hieronder onder 2 bewezen is verklaard, heeft de verdachte de aangeefster vervolgens met zijn vuisten op haar gezicht geslagen/gestompt, met zijn arm haar nek vastgeklemd en met zijn handen in haar nek gedrukt. Verder schreeuwde de verdachte dat hij haar dood zou maken. Volgens de verklaring van de aangeefster had de verdachte de deuren op slot gedaan en weigerde hij haar de sleutel van de deur te geven. De verklaring van de aangeefster wordt ondersteund door de bevindingen van de politie, waaruit blijkt dat de deuren van de woning op slot waren toen de verbalisanten ter plaatste kwamen en dat de verdachte (nogmaals) weigerde de deur te openen of de sleutel te geven. Ter terechtzitting heeft de verdachte erkend dat hij niet wilde dat de aangeefster weg zou gaan.
Feit 2 – mishandeling
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte de aangeefster meerdere keren in haar gezicht heeft geslagen en gestompt, en dat hij meerdere keren haar hals en keel heeft dichtgedrukt. Zij stelt zich op het standpunt dat dit kwalificeert als een poging tot zware mishandeling, vanwege de vitale onderdelen in de nek, zoals de luchtpijp en slagaderen.
Beoordeling De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de aangeefster meermalen met zijn vuisten in het gezicht heeft geslagen/gestompt, en met zijn arm en handen meermalen heeft geprobeerd haar keel dicht te knijpen. Hoewel de verdachte ontkent deze handelingen te hebben gepleegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de aangifte in twijfel te trekken, nu deze ook steun vindt in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de beschikbare informatie niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte moet worden aangemerkt als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor een bewezenverklaring hiervan is van belang of de aanmerkelijke kans aanwezig was dat door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan. Hoewel de aangeefster en de verdachte beiden hebben verklaard dat de verdachte de nek van de aangeefster heeft vastgepakt, blijkt uit de stukken niet hoe stevig hij haar heeft geknepen en hoe lang dit heeft geduurd. Uit de beschrijving van de aangeefster en uit het naderhand geconstateerde letsel volgt niet zonder meer dat er een aanmerkelijke kans was dat zij door deze gedragingen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat de verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Naast de grote emotionele impact, blijkt uit haar verklaring dat de aangeefster door de mishandeling pijn heeft geleden en dat hierdoor letsel is ontstaan. Dit betekent dat de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen acht.
Feit 3 – bedreiging
Standpunt verdediging en officier van justitie
De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is en dat de verdachte daarom vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde bedreiging van de aangeefster.
Beoordeling
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte aangeefster met de dood heeft bedreigd zoals onder 3 ten laste is gelegd. De verklaring van de aangeefster dat zij bedreigd is door de verdachte vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen. De moeder van de verdachte heeft bevestigd dat de verdachte en aangeefster de desbetreffende avond ruzie hadden. Ook een nichtje van de verdachte en een buurtbewoner hebben hierover verklaard. Daarnaast acht de rechtbank ook de onder 2 bewezen mishandeling en de onder 1 bewezen wederrechtelijke vrijheidsberoving ondersteunend voor de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar ook verbaal heeft bedreigd.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
immers heeft verdachte (in zijn en/of de woning aan de Averlo te Rotterdam)
- tegen voornoemd slachtoffer gezegd dat zij nergens naartoe mocht gaan en/of
- ( vervolgens) voornoemd slachtoffer haar jas van haar lichaam afgetrokken en/of uitgedaan en/of
- ( vervolgens) voornoemd slachtoffer gedwongen om plaats te nemen op de bank (in voornoemde woning) en/of
- ( vervolgens) voornoemd slachtoffer (meerdere keren) in haar gezicht geslagen en/of gestompt en/of
- ( vervolgens) zijn ellebogen en/of arm(en) en/of handen op en/of om de nek en/of de hals van voornoemd slachtoffer gebracht en/of (vervolgens) met zijn greep de keel en/of hals dichtgedrukt en/of geknepen en/of
- ( vervolgens) tegen voornoemd slachtoffer (meerdere keren) geschreeuwd dat zij die dag dood zou gaan en/of dat hij voornoemd slachtoffer in stukjes zou hakken en/of
- ( vervolgens)(alle)(de)deur(en) van voornoemde woning op slot gedaan/gedraaid ten gevolge waarvan voornoemd slachtoffer de woning niet kon verlaten;
2
subsidiair
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
[slachtoffer] heeft mishandeld door
- voornoemd slachtoffer (meerdere keren) tegen en/of op en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen met zijn vuisten en/of handen en/of
- voornoemd slachtoffer (meerdere keren) haar hals en/of keel dicht te drukken en/of te knijpen met zijn ellebogen en/of arm(en) en/of handen;
3
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen
- " Jij gaat vandaag dood en die zoon gaat ook dood" en/of
- " Ik schiet jullie dood" en/of
- " Ik ga jou helemaal gek maken" en/of
- " Ik ga jou vanaf jouw geslachtsdeel opensnijden tot boven en in stukjes hakken"
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in cursief verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1
opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden
2
mishandeling
3
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf en maatregelen
Algemene overweging
De straf en maatregelen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf en maatregelen zijn gebaseerd
De verdachte heeft zijn ex-partner in zijn woning mishandeld en wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd. Ook heeft de verdachte de aangeefster meermalen bedreigd met de dood. De verdachte heeft hierdoor niet alleen de aangeefster pijn gedaan en haar lichamelijke integriteit aangetast, maar heeft haar ook angst aangejaagd. Uit de aangifte en uit de toelichting van de aangeefster bij de door haar ingediende schadevordering, blijkt dat deze gebeurtenissen (nog steeds) emotioneel grote impact op haar hebben. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 juni 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten; ook jegens de aangeefster in deze zaak.
Rapportages
Psychiater [naam 1] en GZ-psycholoog [naam 2], beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum (PBC), hebben in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team op 30 april 2025 over de verdachte een pro-Justitia rapport uitgebracht. Het rapport houdt – onder meer – het volgende in.
De onderzoekers concluderen dat de verdachte een man is met een beperkt verstandelijk vermogen, met een totaal IQ van 61 bij een harmonisch profiel. Hierdoor ervaart de verdachte problemen op het conceptuele, sociale en praktische domein. Naast zijn beperkte cognitieve vaardigheden is vanaf circa 2020 sprake van floride psychotische klachten, met een ernstig gestoorde realiteitstoetsing, vanaf dan consistent over de tijd aanwezig. In het huidige onderzoek wordt diagnostisch gesproken van een ongespecificeerde psychotische stoornis. Hiernaast menen de onderzoekers dat gesproken kan worden van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Bij de verdachte is sprake van een instabiliteit op diverse levensgebieden (voor wat betreft werk, relaties, detenties en wonen), een lange voorgeschiedenis van antisociale gedragingen, een lang strafblad met een eerste veroordeling op 17-jarige leeftijd, een gebrek aan empathie, een in sterke mate externaliseren en bagatelliseren van zijn gedrag, alsmede een lange voorgeschiedenis van emotieregulatie- en agressieregulatieproblematiek. Naast bovengenoemde is er sprake van een langdurig bestaand patroon van een problematisch gebruik van middelen en dan met name van alcohol, cannabis en cocaïne.
Vastgesteld kan worden dat bovenstaande problematiek ook aanwezig was bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De onderzoekers menen dat de psychotische klachten (de forse waandenkbeelden en gestoorde realiteitstoetsing, alsmede de beperkte agressieregulatie en impulscontrole tijdens psychoses), zijn beperkte cognitieve vermogens, de antisociale persoonlijkheidsproblematiek (meer specifiek de agressieregulatie-, emotieregulatie-, en impulscontroleproblematiek) en mogelijk zijn problematische middelengebruik, aanzienlijk hebben doorgewerkt in de hem ten laste gelegde feiten. Alles afwegend zijn de onderzoekers van oordeel dat het handelen van de verdachte ten minste in sterke mate werd bepaald door de bij hem vastgestelde problematiek en adviseren zij de ten laste gelegde feiten in een sterk verminderde mate aan hem toe te rekenen.
De kans op recidive op soortgelijke feiten als de thans ten laste gelegde (bij het ontbreken van een behandel- en beveiligingskader) wordt als hoog ingeschat. Aspecten die hierbij vooral meewegen zijn de eerdere geweldplegingen en het overige antisociale gedrag, de problemen (met geweld) binnen partnerrelaties, de aanwezigheid van een psychotische stoornis, de persoonlijkheidsproblematiek, de verstandelijke beperking, het middelengebruik, het volledig ontbreken van ziekte-inzicht en -besef en het instabiele bestaan van de verdachte. Onderzoekers achten, op basis van de ernst, complexiteit, diversiteit en de hardnekkigheid van de problematiek, een intensief behandel- en begeleidingstraject van jaren noodzakelijk om het recidiverisico op soortgelijke feiten als de huidige, te reduceren. Een behandeling met een klinische start, bij een voldoende mate van beveiliging, wordt noodzakelijk geacht omdat de verdachte ingesteld moet worden op antipsychotische medicatie (mogelijk middels een dwangtraject). Gezien de ernst van de ten laste gelegde feiten, de mate van doorwerking, de hoog geschatte kans op recidive en de benodigde mate van beveiliging, zijn de onderzoekers van mening dat behandeling in het kader van een tbs-maatregel noodzakelijk is ter beperking van het recidivegevaar. Daarbij merken de onderzoekers op dat het zinvol lijkt de verdachte te plaatsen binnen een instelling met speciale expertise op het gebied van verstandelijk beperkte mensen.
GGZ Reclassering Fivoor heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 juni 2025. Dit rapport houdt – onder meer – het volgende in.
De reclassering onderschrijft het advies van het PBC. De reclassering is van mening dat een onvoorwaardelijk tbs-kader de meeste kans biedt op acceptabel herstel met een aanvaardbaar recidiverisico. Er is sprake van een stapsgewijs traject op geleide van het beeld, en de mogelijkheid van een individueel traject is aanwezig, zolang als de verdachte dit nodig heeft. Er is ruimte voor vallen en opstaan, waardoor de druk om binnen een bepaalde tijd te presteren afwezig is. Er is meer tijd om de verdachte vaardigheden aan te leren, hem zoveel mogelijk te stabiliseren en te resocialiseren richting een passende woonvorm, op een wijze die passend en veilig is voor de verdachte en de maatschappij. Tbs met dwangverpleging is een traject zonder de druk van consequenties bij mogelijke overtreding van voorwaarden, of onderbreking van het traject door sanctionering vanwege verwachte overtreding van voorwaarden. Tbs met dwangverpleging biedt naar de mening van de reclassering de verdachte de kans op een langdurig maar vooral duurzaam traject waarin in geleidelijkheid gewerkt kan worden aan een zo optimaal mogelijk resocialisatie-resultaat.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Nu de conclusies van de PBC-rapporteurs gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt zij die tot de hare. De verdachte wordt vanwege de hierboven besproken problematiek in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten.
Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte vaker is veroordeeld voor soortgelijke feiten, nota bene jegens zijn ex-partner kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en het feit dat de feiten de verdachte in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden.
Oplegging tbs-maatregel
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de deskundigen dat oplegging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte met verpleging van overheidswege. Dat oordeel is gegrond op de ernst en aard van de bewezen verklaarde feiten en het gevaar voor herhaling. Op basis van het PBC-rapport acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat een alternatief strafrechtelijk of civielrechtelijk kader op dit moment niet toereikend is voor verdere behandeling van de verdachte.
Vastgesteld wordt dat de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, misdrijven betreffen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, Sr.
Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd. Gelet op de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde wederrechtelijke vrijheidsberoving en bedreiging zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat sprake is van een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38e Sr. De totale duur van de tbs-maatregel met dwangverpleging is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren.
Oplegging 38v-maatregel
Ter voorkoming van strafbare feiten wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van twee jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [aangeefster]. De verdachte mag op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster]. Met dit verbod beoogt de rechtbank dat aangeefster rust in haar leven krijgt en dat de kans op recidive door verdachte wordt verminderd. Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal vervangende hechtenis van de hierna bepaalde duur worden opgelegd. Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens de aangeefster wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Afwijzing 38z-maatregel (GVM)
De door de officier van justitie gevorderde GVM wijst de rechtbank af nu de rechtbank hiertoe geen aanleiding ziet. Het recidiverisico kan voldoende worden beperkt met de tbs-maatregel.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.
8. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.295,- aan materiële schade en een vergoeding van € 7.705,- aan immateriële schade.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering gedeeltelijk toewijsbaar, met dien verstande dat de gederfde inkomsten berekend dienen te worden aan de hand van het netto uurtarief en dat de immateriële schade gematigd dient te worden.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en dat het immateriële schadebedrag sterk gematigd dient te worden.
Beoordeling
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op de materiële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, gelet op de onduidelijkheid ten aanzien van het aantal uren dat de aangeefster niet heeft kunnen werken en het (netto) uurtarief. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard waardoor het slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.500,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen, met afwijzing van hetgeen aan hoofdsom meer is gevorderd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 18 december 2023.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels wordt toegewezen, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil
en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr passend en geboden geacht.
9. Vorderingen tenuitvoerlegging
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Parketnummer 10.037372.23
Bij vonnis van 2 mei 2023 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van (partner)mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van 8 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 16 mei 2023.
Parketnummer 10.133732.23
Bij vonnis van 9 november 2023 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van (partner)mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenis-straf van 80 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De proeftijd is ingegaan op 24 november 2023.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering met parketnummer 10.037372.23 en afwijzing van de vordering met parketnummer 10.133732.23, nu deze in een andere strafzaak reeds is toegewezen.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat, gelet de op de op te leggen straf en de langdurige periode die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, tenuitvoerlegging van de vorderingen niet meer opportuun is. De vorderingen worden daarom afgewezen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op 36f, 37a, 37b, 38v, 57, 282, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
12. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden,
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;
beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;
legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de
duur van 2 (twee) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact op te nemen, te zoeken of te hebben met [aangeefster];
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 14 (veertien) dagen;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op en zal in totaal ten hoogste 6 (zes) maanden bedragen;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
wijst af de vordering tot oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd), bestaande uit aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
wijst af het resterende gedeelte van de vordering dat ziet op de immateriële schade;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen € 1.500,- (hoofdsom, zegge: duizend vijfhonderd), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 2 mei 2023 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf (parketnummer 10-037372-23);
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 9 november 2023 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf (parketnummer 10-133732-23).
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. J.M.L. van Mulbregt en A.C.M. Klaasse, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
opzettelijk [slachtoffer]
wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,
immers heeft verdachte (in zijn en/of de woning aan de Averlo te Rottedam)
- tegen voornoemd slachtoffer gezegd dat zij nergens naartoe mocht gaan en/of
- ( vervolgens) voornoemd slachtoffer haar jas van haar lichaam afgetrokken en/of uitgedaan en/of
- ( vervolgens) voornoemd slachtoffer gedwongen om plaats te nemen op de bank (in voornoemde woning) en/of
- ( vervolgens) voornoemd slachtoffer (meerdere keren) in haar gezicht geslagen en/of gestompt en/of
- ( vervolgens) zijn ellebogen en/ of arm(en) en/of handen op en/of om de nek en/of de hals van voornoemd slachtoffer gebracht en/of (vervolgens) met zijn greep de keel en/of hals dichtgedrukt en/of geknepen en/of
- ( vervolgens) tegen voornoemd slachtoffer (meerdere keren) geschreeuwd dat zij die dag dood zou gaan en/of dat hij voornoemd slachtoffer in stukjes zou hakken en/of
- ( vervolgens)(alle)(de)deur(en) van voornoemde woning op slot gedaan/gedraaid ten gevolge waarvan voornoemd slachotffer de woning niet kon verlaten;
2
primair
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemd slachtoffer (meerdere keren) tegen en/of op en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen met zijn vuisten en/of handen en/of
- voornoemd slachtoffer (meerdere keren) haar hals en/of keel dicht te drukken en/of te knijpen met zijn ellebogen en/of arm(en) en/of handen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
[slachtoffer] heeft mishandeld door
- voornoemd slachtoffer (meerdere keren) tegen en/of op en/of in het gezicht te slaan en/of te stompen met zijn vuisten en/of handen en/of
- voornoemd slachtoffer (meerdere keren) haar hals en/of keel dicht te drukken en/of te knijpen met zijn ellebogen en/of arm(en) en/of handen;
3
hij op of omstreeks 18 december 2023 te Rotterdam,
[slachtoffer] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen
- " Jij gaat vandaag dood en die zoon gaat ook dood" en/of
- " Ik schiet jullie dood" en/of
- " Ik ga jou helemaal gek maken" en/of
- " Ik ga jou vanaf jouw geslachtsdeel opensnijden tot boven en in stukjes hakken"
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.