Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.096352.25
Datum uitspraak: 11 juli 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) in 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
raadsman mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. T. Kodrzycki heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het voorhanden hebben van de heroïne geldt dat er zowel sprake is van beschikkingsmacht als van wetenschap. Er is een overdracht waargenomen waarbij tassen met een grote hoeveelheid heroïne in de achterbak van de auto van de verdachte zijn geplaatst, ook door de verdachte. Bij de algehele gang van zaken had de verdachte tenminste vragen moeten stellen. Hij heeft dat niet gedaan, waardoor hij de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er verdovende middelen in de tassen zaten. Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario is onaannemelijk. Onduidelijk blijft waarom de verdachte de [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) naar het station moest brengen terwijl hij zelf met de auto was gekomen en waarom de verdachte voor een geldlening van € 500,- vanuit Lelystad naar Rotterdam zou rijden, gelet op de tijd en kosten daarvan.
Vaststaande feiten en omstandigheden
Op 28 maart 2025 wordt een voertuig, een Mercedes met kenteken [kenteken], door de politie geobserveerd. De bestuurder van de Mercedes is [medeverdachte]. Omstreeks 19:00 uur wordt gezien dat [medeverdachte] een ontmoeting heeft met de verdachte op het Mia van IJperenplein te Rotterdam. De verdachte en [medeverdachte] begroeten elkaar en spreken elkaar een aantal minuten. Vervolgens opent [medeverdachte] de kofferbak van de Mercedes en haalt hieruit een zwarte sporttas. Gezien wordt dat de verdachte de kofferbak van zijn voertuig opent waarna [medeverdachte] de sporttas in het voertuig van de verdachte plaatst. Vervolgens haalt [medeverdachte] uit de Mercedes een witte bigshopper, die hij aan de verdachte overhandigt. De verdachte plaatst de bigshopper in zijn voertuig. De verbalisanten gaan vervolgens over tot aanhouding. In de dichtgeritste sporttas en, onder een trui, in de witte bigshopper bevinden zich meerdere plastic zakken met daarin verschillende bruine substanties, die, zo blijkt later, heroïne en paracetamol bevatten.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor weergegeven onderzoeksresultaten geen wetenschap van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van verdovende middelen kan worden aangenomen. De tassen waren door [medeverdachte] meegenomen naar de parkeerplaats en de verdovende middelen in de tassen waren voor de verdachte niet zichtbaar. Andere feiten of omstandigheden waaruit zou blijken dat de verdachte wetenschap had of had moeten hebben van de verdovende middelen, zijn er niet. De rechtbank stelt voorts vast dat er geen bewijs aanwezig is dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de verdovende middelen.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
6. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en S.M. den Hollander, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 5403 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een vervoermiddel, te weten een Renault Clio, althans een auto, en/of
- stoffen, te weten 5403 gram, althans enige hoeveelheid, heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of 33568 gram, althans enige hoeveelheid, paracetamol, althans een versnijdingsmiddel voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren
tot het plegen van dat feit.