Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10.096343.25
Datum uitspraak: 11 juli 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1974,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
verblijvende op het adres [adres],
raadsman mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 juni 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. T. Kodrzycki heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak feit 3
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewijswaardering feit 1 en 2
Partiële vrijspraak voorhanden hebben MDMA
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte 5,8 gram MDMA voorhanden heeft gehad, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Vormverzuim ex artikel 359a Sv
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van twee vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit dient bewijsuitsluiting als gevolg te hebben en dat zou ertoe moeten leiden dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
De structurele inzet van het peilbaken op het voertuig van de verdachte, met als doel hem te kunnen volgen en observeren, in combinatie met de aanvullende fysieke observaties is onrechtmatig geweest. Deze combinatie levert een stelselmatige observatie op in de zin van artikel 126g Sv, waarvoor een verdenking als bedoeld in artikel 27 Sv en een door de officier van justitie afgegeven bevel tot het stelselmatig volgen van de verdachte aanwezig had moeten zijn. Van een dergelijk(e) verdenking en bevel was geen sprake. Daarnaast is de verbaliseringsplicht geschonden, vanwege het ontbreken in het dossier van deugdelijke en wezenlijke informatie over het peilbaken en de fysieke observaties. Het verstrekte aanvullende proces-verbaal beantwoordt niet alle vragen van de verdediging en niet kan worden uitgesloten dat cruciale informatie is achtergehouden.
Dit handelen levert een onherstelbaar en ernstig vormverzuim op. De verdachte is gevolgd door de politie door middel en als gevolg van een technische hulpmiddel en hij heeft dit ervaren als een inbreuk op zijn recht op privacy. Verder wordt de verdediging door de gebrekkige verbalisering de mogelijkheid ontnomen om de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek te beoordelen en adequaat te onderbouwen welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de onrechtmatigheid daarvan. Door het gebrek aan transparantie komt ook het recht op een eerlijk proces van de verdachte in het geding. Het is noodzakelijk om een signaal af te geven aan de opsporingsinstanties dat deze wijze van handelen onacceptabel is.
Voor het geval de rechtbank zichzelf op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden onvoldoende in staat acht om het door de verdachte geleden nadeel vast te stellen, doet de verdediging het verzoek tot het horen als getuige van de betreffende hulpofficier van justitie en alle verbalisanten die bij de observaties waren betrokken.
Standpunt officier van justitie
Het Openbaar Ministerie (OM) meent dat het aanbrengen van een peilbaken voor een periode van twee maanden en het daarbij in die periode meermalen fysiek observeren van de verdachte, zonder dat daarvoor door een officier van justitie een bevel stelselmatige observatie is afgegeven, onrechtmatig is geweest. Met die constatering kan in dit geval worden volstaan, gezien de geringe inbreuk. Bewijsuitsluiting of strafvermindering is in dit geval niet passend. Een schending van de verbaliseringsplicht is volgens het OM niet aan de orde. Er is een aanvullend proces-verbaal en verslaglegging over het gebruik van peilbakens en de fysieke observaties van de verdachte aan het dossier toegevoegd. Hierbij is geen informatie achtergehouden.
Beoordeling
De politie heeft het volgende geconstateerd. Op 17 januari 2025 neemt het Flexteam van de politie Rijnmond-Oost waar dat de verdachte een contante betaling doet in de Bijenkorf met een aantal biljetten van 200 euro. Vervolgens wordt waargenomen dat de verdachte als bestuurder een Mercedes instapt. Deze Mercedes staat op naam van [naam], een persoon met wie de verdachte geen directe link lijkt te hebben. Verder blijkt de verdachte geregistreerd te staan als ongewenst vreemdeling. Op basis van deze informatie ontstaat bij de politie de verdenking van een misdrijf en besluit zij om de Mercedes te voorzien van een peilbaken op grond van artikel 3 van de Politiewet. Dit peilbaken is twee maanden lang actief geweest en de politie heeft, zo beschrijft zij, gedurende deze periode zes keer het peilbaken (live) uitgekeken.
- Vormverzuim gebruik peilbaken
Naar het oordeel van de rechtbank kon de politie op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op goede gronden komen tot een redelijk vermoeden van schuld van een strafbaar feit. Anders dan de raadsman heeft bepleit is het betalen met biljetten van 200 euro niet gebruikelijk in het dagelijks betalingsverkeer en levert dit een witwasindicatie op. Dat de Mercedes uiteindelijk te linken zou zijn aan de stief grootvader van de kinderen van de verdachte was op het moment van de waarneming van de verbalisanten bovendien niet bekend.
Vervolgens heeft de politie op grond van vorenstaande terechte verdenking een peilbaken ingezet. Door het gebruiken van het peilbaken, een technisch hulpmiddel, heeft de politie gedurende twee maanden de Mercedes, waarvan de verdachte gebruik maakte, kunnen volgen wanneer het voertuig in beweging kwam. Het peilbaken kon op dat moment – uitsluitend – live uitgekeken worden. De rechtbank stelt aan de hand van deze feitelijkheden (de duur, frequentie en intensiteit) vast dat de politie een min of meer compleet beeld kon krijgen van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte. Voor het gebruik van het peilbaken kon artikel 3 van de Politiewet niet volstaan als grondslag. Een bevel als bedoeld in artikel 126g Sv was vereist. Dat bevel was echter niet gegeven. Dat maakt dat de rechtbank constateert dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Of hieraan een rechtsgevolg (in de vorm van bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering) moet worden verbonden, dient te worden beoordeeld aan de hand van de factoren die zijn genoemd in het tweede lid van artikel 359a Sv; te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit.
Daarbij geldt dat voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Bewijsuitsluiting kan slechts aan de orde zijn indien – voor zover hier relevant – sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel (anders dan artikel 6 EVRM), en bewijsuitsluiting onder omstandigheden noodzakelijk kan worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden.
De rechtbank is van oordeel dat het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte door het handelen van de politie is geschonden. De politie heeft immers zonder daartoe gemachtigd te zijn het voertuig dat in gebruik was bij de verdachte gevolgd en geobserveerd. Hiermee is een inbreuk gemaakt op de privacy van de verdachte. Bij de bepaling van de ernst van het verzuim dient de omvang van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte vastgesteld te worden. Hierbij is van belang of het observeren zich heeft beperkt tot (niet omvangrijke) waarneming van hetgeen in het openbaar is geschied en of de observaties betrekking hadden op situaties waarin de geobserveerde mocht verwachten onbevangen zichzelf te kunnen zijn. De rechtbank concludeert dat er sprake is van een geringe inbreuk nu de observaties niet omvangrijk zijn (over een periode van twee maanden zes keer) en zich hebben beperkt tot openbare ruimtes en dat geen van de plaatsen waar de auto van de verdachte is gevolgd of de verdachte is gezien een voor de verdachte intieme persoonlijke plek betrof. Geconcludeerd wordt dat de ernst van het verzuim beperkt is. Van een concreet gebleken nadeel van de verdachte is in deze strafzaak niet gebleken. Strafvermindering is daarom niet aan de orde.
Daarnaast ziet de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen aanwijzingen waaruit volgt dat het Flexteam van de politie vaker overgaat tot het plaatsen van peilbakens zonder het vereiste bevel. Er kan slechts worden vastgesteld dat er sprake is van een incidenteel verzuim. Van een situatie waarin bewijsuitsluiting noodzakelijk kan worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om de politie ervan te weerhouden (in de toekomst) onrechtmatig op te treden is geen sprake.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen noodzaak tot het horen van de hulpofficier van justitie, de heer F.R. Roquas en alle bij de observaties betrokken verbalisanten.
- Vormverzuim schending verbaliseringsplicht
In het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] heeft het OM aanvullende informatie verschaft over de inzet van het peilbaken. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat bepaalde feiten en/of omstandigheden ontbreken dan wel zijn achterhouden. Derhalve is geen sprake van een vormverzuim in de zin van schending van de verbaliseringsplicht.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 5403 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of
ongeveer 5,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een vervoermiddel, te weten een Mercedes-Benz C 220, althans een auto, en/of
- stoffen, te weten 5403 gram, althans enige hoeveelheid, heroïne, in elk geval een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of 33568 gram, althans enige hoeveelheid, paracetamol, althans een versnijdingsmiddel
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
eendaadse samenloop van
1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
2
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ruim vijf kilo heroïne en het plegen van voorbereidingshandelingen die zien op de bewerking van en handel in harddrugs. De verdachte heeft heroïne en een grote hoeveelheid paracetamol, een versnijdingsmiddel, met de auto vervoerd naar een parkeerplaats en daar ter plekke de tassen waarin deze stoffen zich bevonden, verplaatst naar een ander voertuig.
Het is algemeen bekend dat harddrugs voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen zijn. Door de verspreiding van harddrugs en het gebruik ervan wordt niet alleen de volksgezondheid ernstig bedreigd, maar de ervaring leert ook dat dit dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit. Dit varieert van lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit zoals geweldsmisdrijven.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 mei 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op 55 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2, 10 en 10a van Opiumwet.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
10. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, voorzitter,
en mrs. I. Tillema en S.M. den Hollander, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 5403 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of
ongeveer 5,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 28 maart 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen van heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een vervoermiddel, te weten een Mercedes-Benz C 220, althans een auto, en/of
- stoffen, te weten 5403 gram, althans enige hoeveelheid, heroïne, in elk geval een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet en/of 33568 gram, althans enige hoeveelheid, paracetamol, althans een versnijdingsmiddel
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit;
3
Hij op of omstreeks 28 maart 2025, te Rotterdam, althans in Nederland,
meerdere voorwerpen, te weten:
- een Audemars Piquet Royal Oak off Shore ter waarde van €15.000,- en/of
- een Hublot Big Bang Ferrari Limited ter waarde van €13.000,- en/of
- een Zenith El Primero ter waarde van €2.000,-
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp,
onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.