RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/699040 / HA RK 25-433
Beschikking van 19 december 2025 inzake een verzoek tot het houden van een rogatoire commissie en het opvragen van documenten overeenkomstig het Haags Bewijsverdrag 1970, ingediend door het State Court of Chatham County, Georgia, Verenigde Staten van Amerika
in de zaak van
1. [eiser 1] , 2. [eiser 2] ,
beiden woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika,
eisers in de hoofdprocedure,
advocaten: mr. M.V.A. Heuten en mr. O.T. van Eechoud,
hierna te noemen: [eiser 1] , [eiser 2] , en samen [eiser 1] c.s.,
tegen
1. [gedaagde sub 1] ,
woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika
advocaat: mr. M.S. Don,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
TY ICOT INVESTMENTS LLC,
gevestigd te Savannah, Verenigde Staten van Amerika,
advocaat: mr. M.S. Don,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
TMX FINANCE LLC,
gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten van Amerika,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
TITLEMAX OF TEXAS INC.,
gevestigd te Austin, Verenigde Staten van Amerika,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
TITLEMAX OF GEORGIA,
gevestigd te Peachtree Corners, Verenigde Staten van Amerika,gedaagden in de hoofdprocedure,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] , TY ICOT, en samen [gedaagde sub 1] c.s.
en waarbij betrokken is
1. [betrokkene] ,
wonend te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AN DIRECT B.V.
gevestigd te Rotterdam, Nederland,
advocaten: mr. F.G.K. Overkleeft en mr. H.T. Verhaar,
hierna te noemen: [betrokkene] , AN Direct, en samen [betrokkene] c.s.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 april 2025, met als bijlage het verzoekschrift van het State Court of Chatham County te Savannah, Georgia, Verenigde Staten van Amerika ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 24 maart 2025, met bijlagen (hierna: het Verzoek);
- het verweerschrift van de zijde van [betrokkene] c.s., ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 november 2025;
- het verweerschrift van de zijde van [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s., ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 14 november 2025;
- de mondelinge behandeling van 20 november 2025.
2. De verzoeken
Het Verzoek heeft betrekking op een procedure die bij het State Court of Chatham County (hierna: het State Court) door [eiser 1] c.s. aanhangig is gemaakt tegen [gedaagde sub 1] c.s. Uit het Verzoek volgt dat [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. op enig moment gezamenlijk betrokken waren bij ICOT Hearing. [eiser 1] c.s. stellen dat hun eigendom van ICOT Holdings hun op onrechtmatige wijze is ontnomen en dat aan [eiser 2] de directeursfunctie binnen ICOT Hearing is ontnomen. Volgens [eiser 1] c.s. hebben [gedaagde sub 1] c.s. onder andere (1) een financieringscrisis gecreëerd als pressiemiddel om de aandelen van [eiser 1] c.s. in ICOT Holdings te verwateren, (2) de directie van ICOT Holdings gemanipuleerd en (3) een mogelijke externe koper van ICOT afgeschrikt. AN Direct, waarvan [betrokkene] bestuurder is, is in dit geval de mogelijke externe koper. [gedaagde sub 1] c.s. verweren zich tegen het voorgaande en stellen – voor zover van belang voor de rogatoire commissie – dat [eiser 1] c.s. geen schade hebben geleden die in aanmerking komt voor schadevergoeding door het vermeende verlies van de mogelijke verkoop aan AN Direct. [gedaagde sub 1] c.s. hebben naast hun verweer ook tegenvorderingen ingesteld. Zij stellen daarbij onder andere (1) dat [eiser 1] c.s. een verkeerde voorstelling hebben gegeven van de financiële situatie van ICOT Holdings om [gedaagde sub 1] c.s. tot investering te bewegen en (2) dat [eiser 1] c.s. verschillende leningen van [gedaagde sub 1] niet hebben afgelost.
De rechtbank is verzocht op grond van het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken van 18 maart 1970 (hierna: het Bewijsverdrag) een getuigenverhoor (hierna: verhoor) te gelasten en daarbij [betrokkene] en/of een of meer andere kennis dragende vertegenwoordigers van AN Direct als getuigen te horen ten aanzien van de in Appendix A bij het Verzoek genoemde vragen, met inachtneming van een aantal bijzondere vormen. Daarnaast is de rechtbank verzocht om de documenten zoals vermeld in onderdeel 11 van het Verzoek op te vragen bij AN Direct en/of [betrokkene] .
Bij deze beschikking beslist de rechtbank op beide verzoeken.
3. De verweren
[betrokkene] c.s. hebben de verzoeken en de daarbij verzochte bijzondere vormen bestreden. Hun verweerschrift strekt tot afwijzing van het Verzoek, met een hoofdelijke kostenveroordeling aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s.
Alhoewel [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. in de hoofdprocedure tegenover elkaar staan, staan zij in deze procedure aan één kant. Zij hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend, waarin zij concluderen tot het geven van uitvoering aan alle onderdelen van het Verzoek.
Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
4. De beoordeling
ontvankelijkheid
[eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. bepleiten dat [betrokkene] c.s. geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 282 Rv, waardoor zij niet ontvankelijk zijn in hun verweren voor zover die zien op het beoogde verhoor.
Een verzoek tot het houden van een rogatoire commissie is geen verzoekschriftprocedure zoals geregeld in Rv. De rechtbank zal voor de procedurele inkadering van haar beslissing echter wel zo veel als mogelijk aansluiten bij de bepalingen in Rv over verzoekschriftprocedures.
Ingevolge artikel 282 lid 1 Rv kan iedere belanghebbende tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. Wie als belanghebbende kan worden aangemerkt, moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre deze persoon door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
De rechtbank is van oordeel dat [betrokkene] c.s. wel belanghebbenden zijn. Door de bijzondere vormen ten aanzien van het getuigenverhoor die in het Verzoek zijn opgenomen kan de privacy van [betrokkene] in het geding komen, zodat hij door onverkorte uitvoering van het Verzoek in een eigen belang kan worden getroffen. Voor AN Direct geldt dat de documenten die op grond van het Verzoek bij haar opgevraagd zouden moeten worden mogelijk bedrijfsvertrouwelijke gegevens bevatten. Ook AN Direct zou in zoverre door onverkorte uitvoering van het Verzoek in een eigen belang kunnen worden getroffen. [betrokkene] c.s. moeten zich daarom in deze procedure kunnen uitlaten over het Verzoek.
getuigenverhoor
algemeen
Allereerst dient te worden beoordeeld of het verzochte verhoor zonder meer toelaatbaar is. Bij de beschikking van 23 april 2025 van de rechtbank Den Haag is vastgesteld dat het Verzoek aan de eisen van het Bewijsverdrag voldoet. De rechtbank wijst het verhoor dan ook toe. Daarvoor hoeft het Verzoek niet getoetst te worden aan de vereisten van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Volgens het Bewijsverdrag is de Nederlandse rechter verdragsrechtelijk gehouden tot het uitvoeren van een verzoek dat door een gerechtelijke instantie van een andere verdragsstaat, in dit geval het State Court, wordt gedaan. Dit is slechts anders in de gevallen genoemd in artikel 12 Bewijsverdrag, maar gesteld noch gebleken is dat de in dat artikel genoemde uitzonderingen in deze zaak aan de orde zijn.
welke getuigen moeten worden gehoord?
In het Verzoek staat dat [betrokkene] en/of een of meer andere kennis dragende vertegenwoordigers van AN Direct als getuigen moeten worden gehoord en in elk geval [betrokkene] . Daarbij zijn ‘als vertegenwoordigers van AN Direct die onder meer betrokken lijken te zijn geweest bij de gesprekken in 2017 en het duediligenceonderzoek in kwestie’ de volgende namen genoemd: [persoon A] ( [naam functie] ), [persoon B] (HAL Investments 2 B.V.), [persoon C] (HAL Investments 2 B.V.) en [persoon D] (HAL Investments 2 B.V.) Door de wijze waarop het Verzoek is geformuleerd, wordt het aan de Nederlandse rechter overgelaten om te bepalen of en zo ja welke getuigen naast [betrokkene] moeten worden gehoord. Het is echter niet aan de Nederlandse rechter om daarover te beslissen maar aan de verzoekende rechter in het kader van de zaak waarover die rechter moet beslissen. Dat in het Verzoek een aantal andere namen dan die van [betrokkene] zijn genoemd, leidt niet een andere conclusie omdat niet duidelijk is of zij daadwerkelijk moeten worden gehoord. Overigens gaat het om namen van mensen die volgens het Verzoek betrokken ‘lijken te zijn geweest’ zodat onzeker is of zij ‘kennis dragend’ zijn en drie van de vier namen zijn van personen die geen vertegenwoordigers van AN Direct zijn. De rechtbank zal daarom alleen [betrokkene] als getuige horen.
bijzondere vormen
Het State Court heeft onder punt 13 van het Verzoek een aantal bijzondere vormen verzocht ten aanzien van het verhoor. [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. sluiten zich aan bij die verzoeken. Voor toepassing van bijzondere vormen geldt, anders dan met betrekking tot het verzoek zelf, dat de bevoegde rechter wél het eigen procesrecht toepast. Gelet hierop, zal de toelaatbaarheid van de verzochte bijzondere vormen hierna voor iedere bijzondere vorm afzonderlijk naar Nederlands recht worden beoordeeld.
(i) voertaal
Het State Court verzoekt de rechtbank om het verhoor in het Engels te laten plaatsvinden of het verhoor simultaan te doen vertalen door een professionele vertaler. Deze verzoeken worden afgewezen. [betrokkene] heeft het recht om in zijn moedertaal een verklaring af te leggen. [betrokkene] spreekt Nederlands. Als [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. een vertaling willen van de getuigenverklaringen, moeten zij zelf zorgdragen voor een tolk.
(ii) aanwezigheid van en het stellen van vragen door Amerikaanse advocaten
Het State Court verzoekt om het verhoor beschikbaar te stellen via video-deelname op afstand, zodat de buitenlandse vertegenwoordigers van partijen (in de hoofdzaak) het verhoor kunnen bijwonen en vragen kunnen stellen.
De aanwezigheid van de buitenlandse advocaten via video-deelname is op zichzelf verenigbaar met het Nederlands recht. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook toe. Die advocaten krijgen echter niet de mogelijkheid om vragen te stellen. Op grond van artikel 179 lid 2 Rv zijn partijen en hun raadslieden gerechtigd de getuige vragen te stellen. De rechtbank legt deze bepaling zo uit dat het bij een rogatoire commissie zoals hier aan de orde, waarbij het Nederlands procesrecht van toepassing is, om de Nederlandse advocaten gaat.
(iii) duur
Het State Court verzoekt om partijen in totaal zeven uur de tijd te geven om het verhoor af te nemen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. verklaard dat vijf uur naar hun verwachting voldoende is. Om die reden geeft de rechtbank vijf uur tijd voor het verhoor.
(iv) verbatim transcript
Het State Court verzoekt verder om een verbatim transcript (stenografisch verslag) van het verhoor. Dit is een bijzondere vorm want het is in Nederland niet gebruikelijk om een woordelijk verslag van een getuigenverhoor te maken. Op grond van artikel 180 Rv wordt van het getuigenverhoor een proces-verbaal opgemaakt waarin de zakelijke inhoud van de getuigenverklaring wordt neergelegd. De rechtbank beschikt dan ook niet over de faciliteiten om het gevraagde woordelijke verslag onder haar verantwoordelijkheid te laten maken. De rechtbank zal het verzoek op dit punt daarom afwijzen. Het staat partijen echter vrij om zelf een stenograaf naar de zitting mee te brengen om die een woordelijk verslag van het getuigenverhoor te laten maken. Daarbij wordt opgemerkt dat de eventuele vertraging van het getuigenverhoor die dat met zich meebrengt, geen reden is voor verlenging van de maximale tijd die is bepaald voor het verhoor. Omdat het verslag van de externe stenograaf niet onder verantwoordelijkheid van de rechtbank is opgemaakt, zal de rechtbank dat niet waarmerken of ondertekenen en zal zij de getuige daartoe ook niet verplichten.
(v) vastlegging van het verhoor
Het State Court verzoekt daarnaast om het verhoor vast te laten leggen door een griffier en door middel van beeldmateriaal. De rechtbank zal een proces-verbaal opmaken van het verhoor ingevolge artikel 180 Rv. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. – via de toelichting van de inbellende Amerikaanse advocaten – toegelicht dat het beeldmateriaal vooral bedoeld is voor de stenograaf die daarmee kan controleren of zijn of haar verslag juist is. Hoewel hun voorkeur uitgaat naar een video-opname, hebben [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. geen bezwaar tegen een audio-opname die vervolgens alleen verstrekt wordt aan de stenograaf. [betrokkene] heeft bezwaar gemaakt tegen het maken van video-opnames omdat dit een inbreuk op zijn privacy is en hij geen controle heeft op het gebruik van de video-opname door partijen in Amerika. Video-opnames of audio-opnames zijn, alhoewel niet gebruikelijk, als zodanig niet onverenigbaar met het Nederlands procesrecht. Gelet op het bezwaar van [betrokkene] en nu gebleken is dat een audio-opname voor alleen de stenograaf ook volstaat, zal de rechtbank toewijzen dat een audio-opname aan de stenograaf zal worden verstrekt. Alle andere aanwezigen – de inbellende buitenlandse advocaten daaronder begrepen – mogen géén opnames maken van het verhoor.
inzageverzoeken
Onder 11 van het Verzoek staan de gegevens opgesomd welke [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. willen ontvangen van [betrokkene] c.s. Uit artikel 9 Bewijsverdrag vloeit voort dat bij de uitvoering van de rogatoire commissie de eigen landswet wordt toegepast. Daarbij is, anders dan [betrokkene] lijken te veronderstellen, niet vereist dat in het Verzoek al een grondslag in Rv wordt genoemd en evenmin dat daarin uiteen is gezet waarom aan de vereisten van Rv is voldaan. Het is aan de rechtbank om de grondslag in het nationale recht vast te stellen en te beoordelen of aan de vereisten daarvan is voldaan. In dit geval worden er gegevens gevraagd die zich onder [betrokkene] c.s. als derde bevinden. De verzochte gegevens zullen dan ook getoetst worden aan artikel 195a Rv.
Volgens artikel 23 Bewijsverdrag kan elke verdragsluitende staat op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging of toetreding verklaren, dat hij geen uitvoering geeft aan rogatoire commissies tot het houden van een procedure welke in de Staten waar de Comraon Law geldt bekend is als ’pretrial discovery of documents’. Nederland heeft ingevolge dit artikel verklaard dat zij rogatoire commissies die op dergelijke procedures zien niet zal uitvoeren. Daarbij is aangegeven dat de Nederlandse regering in het kader van artikel 23 van het Bewijsverdrag onder een pre-trial discovery of documents-procedure elke rogatoire commissie verstaat die – onder meer – van een persoon verlangt alle documenten te overleggen, anders dan de specifieke documenten gespecificeerd in de rogatoire commissie, welke naar het oordeel van het aangezochte gerecht (waarschijnlijk) in zijn bezit, bewaring of macht zijn. Dit betekent, samengevat, dat het Bewijsverdrag wel toestaat om documenten, ook in geval deze betrekking hebben op een pre-trial discovery, te verzoeken mits zij voldoende gespecificeerd zijn. Het door Nederland in het kader van artikel 23 Bewijsverdrag gemaakte voorbehoud vormt dus geen beletsel om het verzoek in behandeling te nemen. Of het verzoek voldoende gespecificeerd is, komt hierna aan de orde nu dat ook een van de vereisten van artikel 195a Rv is.
Volgens artikel 195a lid 1 Rv kan de rechter op verzoek van een partij die daar recht op heeft, een derde, die geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de gegevens betrekking hebben, bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens. In dit geval wordt er inzage verlangd van [betrokkene] c.s., die geen partij zijn in de Amerikaanse procedure ten behoeve waarvan inzage is verzocht.
Voor het recht op inzage moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Degene die gegevens van een ander verlangt moet a) partij zijn bij een rechtsbetrekking en b) de verlangde gegevens moeten voldoende bepaald zijn. Verder moet c) een partij voldoende belang hebben bij zijn/haar inzageverzoek en moet d) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde gegevens beschikken. Indien aan de voornoemde cumulatieve voorwaarden is voldaan, is de degene die over de gegevens beschikt alsnog niet gehouden om te voldoen aan het verzoek, als hem een verschoningsrecht toekomt of als gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 195a lid 1 juncto artikel 194 lid 2 Rv).
Als de rechter het verzoek toewijst, bepaalt hij in zijn beslissing de voorwaarden waaronder, de wijze waarop en de termijn waarbinnen inzage van de gegevens moet worden verstrekt. De rechter kan ook bepalen dat binnen een door hem te bepalen termijn een voorschot voor de kosten van het verstrekken van de gegevens moet worden voldaan (artikel 195a lid 1 juncto artikel 195 lid 2 Rv).
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. aangegeven dat de gegevens die zijn verzocht onder viii, x, xi en xii niet meer relevant zijn. De rechtbank laat deze gegevens dan ook buiten beschouwing.
Gedeeltelijke afwijzing van de inzageverzoeken
De rechtbank wijst de inzageverzoeken af voor zover deze betrekking hebben op de gegevens genoemd onder iv, v en vi onder punt 11 van het Verzoek. De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. onvoldoende belang hebben bij deze inzageverzoeken. Tijdens de mondelinge behandeling is het doel van de inzageverzoeken nader toegelicht door de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s. De gegevens waar het bij deze onderdelen om gaat zijn in de procedure in Amerika al opgevraagd en verstrekt en het doel van deze onderdelen van het Verzoek is om na te gaan of er nog informatie is die niet is verstrekt. Er zijn geen concrete aanknopingspunten gegeven voor de veronderstelling dat er nog meer informatie is die niet is verstrekt. Het verzoek heeft in zoverre een hoog speculatief karakter en komt neer op een ontoelaatbare fishing expedition.
Toewijzing van de overige inzageverzoeken
De rechtbank wijst de overige inzageverzoeken toe, omdat is voldaan aan de vereisten van artikel 195a Rv en er geen sprake is van gewichtige redenen die zich tegen inzage verzetten.
Het begrip ‘partij bij een rechtsbetrekking’ moet ruim worden opgevat. Onder een rechtsbetrekking worden alle burgerrechtelijke betrekkingen tussen twee of meer partijen verstaan. Het Verzoek is ingediend op initiatief van en in overeenstemming met [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. en de inzageverzoeken hebben betrekking op hun geschil in Amerika. Aan dit vereiste is dus voldaan.
Alhoewel [betrokkene] c.s. de bepaaldheid van de inzageverzoeken betwisten, is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende bepaald zijn. De gegevens waarvan inzage wordt verzocht moeten in elk geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld, zodat geen sprake is van een fishing expedition. Van belang is dat de wederpartij weet (of kan weten) welke stukken worden gevraagd. Dat kan door de aard (overeenkomst, brieven of e-mails), tijdsperiode en/of het onderwerp van de bescheiden aan te duiden, al dan niet in combinatie met de (rechts-) personen die daarin worden genoemd. Het onderwerp moet voldoende nauwkeurig worden afgebakend. Als de stukken zelf onbekend aan verzoeker zijn, kan vanzelfsprekend niet worden vereist dat verzoeker specifiek aangeeft van welke datum deze zijn en wat de concrete inhoud is. Het inzageverzoek moet dus voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de gegevens worden opgevraagd. De rechtbank is van oordeel dat de inzageverzoeken voldoende zijn afgebakend, zodat duidelijk is voor [betrokkene] c.s. op welke gegevens er wordt gedoeld.
Degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde gegevens beschikken. De verzoeker die inzage wenst, moet aannemelijk maken dat een partij of derde over de desbetreffende gegevens beschikt. Door het Verzoek en de toelichting daarop van [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. is aannemelijk dat [betrokkene] c.s. over de opgevraagde gegevens beschikken. Laatstgenoemden hebben dit ook niet betwist, zodat ook aan dit vereiste is voldaan.
[betrokkene] c.s. verzetten zich tegen het verstrekken van de gevraagde gegevens vanwege gewichtige redenen, omdat volgens hen in de verzochte gegevens bedrijfsgevoelige informatie staat.
Onder gewichtige redenen vallen in ieder geval persoonlijke, medische en financiële gegevens en vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Van gewichtige redenen kan ook sprake zijn als de bescherming van persoonsgegevens van derden niet kan worden gewaarborgd. Verder valt te denken aan het bestaan van een wettelijke geheimhoudingsplicht die niet is erkend door toekenning van een verschoningsrecht, maar die wel de voor toekenning van een verschoningsrecht vereiste afweging in zich draagt. Het zal steeds van de concrete omstandigheden afhangen in hoeverre een gewichtige reden van degene die over informatie beschikt, zwaarder moet wegen dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt en partijen over alle relevante informatie beschikken die van belang is voor de oplossing van hun geschil.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van gewichtige redenen die zich tegen de inzageverzoeken verzetten. Het enkele feit dat de gegevens bedrijfsgevoelig zijn, levert op zichzelf nog geen gewichtige redenen op als bedoeld in artikel 194 Rv. Bovendien gaat het om gegevens uit de periode van 1 september 2016 tot en met juli 2017, zodat van [betrokkene] c.s. had mogen worden verwacht dat zij duidelijk zouden maken waarom die gegevens ook na het verloop van 8 à 9 jaren nog steeds bedrijfsvertrouwelijk zijn. Dat hebben zij niet gedaan. De enkele stelling ter zitting dat uit de gegevens de investeringsstrategie van de aandeelhouder van AN Direct zou kunnen worden afgeleid, is daarvoor onvoldoende. Bovendien is die aandeelhouder niet in deze procedure verschenen.
voorschot
[betrokkene] c.s. verzoeken een voorschot op de kostenvergoeding ten behoeve van het verstrekken van de verzochte gegevens. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij aangegeven dat het gaat om een bedrag van € 30.000,00. Voornoemd bedrag zouden [gedaagde sub 1] c.s. moeten betalen aan [betrokkene] c.s., voordat er inzage wordt verleend. [gedaagde sub 1] c.s. hebben de noodzaak en de hoogte van het voorschot betwist.
Ingevolge artikel 195 lid 2 Rv kan de rechter bepalen dat binnen een bepaalde termijn een voorschot betaald moet worden voor de te maken kosten. De rechter kan daarbij bepalen dat inzage pas hoeft te worden verleend nadat het voorschot is voldaan.
De rechtbank acht in dit geval het voorschot van € 30.000,00 onvoldoende gespecificeerd. Bovendien acht de rechtbank een uurtarief van € 250,- voor het vergaren van de verzochte gegevens, zonder nadere onderbouwing, aan de forse kant. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.
5. De beslissing
De rechtbank
beveelt een verhoor van:
de heer [betrokkene],
wonend te Rotterdam,
met betrekking tot de vragen en onderwerpen zoals opgenomen in Appendix A bij het verzoekschrift van het State Court of Chatham County;
benoemt mr. A.C. Rop tot rechter-commissaris voor wie dit verhoor zal plaatsvinden;
bepaalt dat het verhoor van getuige [betrokkene] zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125 op een nader te bepalen datum;
bepaalt dat de griffier de hiervoor vermelde getuige bij aangetekende brief zal oproepen, onder bijvoeging van het verzoekschrift (en de vragenlijst);
bepaalt dat de griffier de overige betrokken partijen en het State Court of Chatham County schriftelijk op de hoogte stelt van de datum en het tijdstip van het verhoor;
verzoekt de advocaten van partijen om uiterlijk 7 dagen voor het verhoor schriftelijk dan wel per e-mailbericht de rechtbank te berichten wie tijdens het getuigenverhoor in persoon dan wel via video-deelname aanwezig zullen zijn, onder vermelding van hun e-mailadres en telefoonnummer;
bepaalt over de bijzondere vormen bij het getuigenverhoor dat:
de getuige in het Nederlands mag verklaren;
enkel de in Nederland ingeschreven advocaten van partijen vragen mogen stellen aan de getuige;
de Amerikaanse advocaten bij het verhoor aanwezig mogen zijn via video-deelname, maar geen vragen mogen stellen;
het getuigenverhoor maximaal vijf uur mag duren;
de rechtbank een audio-opname van het getuigenverhoor zal maken en verstrekken aan de stenograaf van wie [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. de contactgegevens aan de rechtbank moeten doorgeven;
het niet is toegestaan dat aanwezigen (zowel via video-deelname als in persoon) beeld- of geluidsopnames maken tijdens het verhoor;
bepaalt dat de griffier na uitvoering van het verhoor het proces-verbaal daarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 van de Uitvoeringswet Bewijsverdrag toezendt aan de rechtbank Den Haag;
veroordeelt Frank Alexander Corné [betrokkene] , woonachtig in Nederland, en AN Direct B.V., gevestigd te Rotterdam, binnen uiterlijk 2 maanden na betekening van dit vonnis de gegevens zoals vermeld onder i, ii, iii, vii, ix, xiii, xiv, xv, xvi, xvii, xviii, xix en xx onder punt 11 van het verzoekschrift van het State Court of Chatham County te overleggen aan de Nederlandse advocaten van [eiser 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s.;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op
19 december 2025.
3961/2819