Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 18 december 2025
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende te [adres 1] ,
[postcode] [plaatsnaam] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoekster] de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op
1 november 2024. Het verzoek om een eerdere ingangsdatum vast te stellen wordt gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank bepaalt de ingangsdatum op 1 januari 2025 in plaats van op 1 november 2024.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
[verzoekster] heeft voorafgaand aan de zitting op 7 november 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting op 25 november 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 4 december 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster] ,
- [naam 1] en [naam 2] , beiden werkzaam bij Geldplein.
[verzoekster] heeft na de zitting op 5 december 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Schuldhulpverlening heeft na de zitting op 10 december 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat [verzoekster] eerst een schuldhulpverleningstraject heeft doorlopen bij Zuidweg en Partners. Het schuldhulpverleningstraject is bij Zuidweg en Partners voortijdig beëindigd omdat er geen goede schuldenlijst tot stand kwam. Vervolgens heeft [verzoekster] zich gewend tot Geldplein en is het dossier overgedragen. Door Zuidweg en Partners zijn geen schuldbewijzen overgedragen waardoor Geldplein het schuldhulpverleningstraject niet kon opstarten. Daarnaast is [verzoekster] al sinds mei 2024 bezig met schuldhulpverlening waardoor ervoor is gekozen om direct een Wsnp-verzoek in te dienen.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
[verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. [verzoekster] heeft verzocht om de eerdere ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 november 2024.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
Gebleken is dat [verzoekster] op 31 mei 2024 een stabilisatieovereenkomst heeft getekend bij Zuidweg en Partners. Het schuldhulpverleningstraject bij Zuidweg en Partners is beëindigd omdat [verzoekster] het niet eens was met de opgestelde schuldenlijst. [verzoekster] heeft zich vervolgens gemeld bij Geldplein voor schuldhulpverlening en is daar op 20 augustus 2025 toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject. De rechtbank neemt in aanmerking dat sprake is van een opvolgend traject en beschouwt de periode daarom als één traject. Bij de overgang van Zuidweg en Partners naar Geldplein is er een tussenperiode van drie maanden waarin er geen schuldhulpverleningstraject van toepassing was. Dat maakt dat die drie maanden niet kunnen worden meegenomen bij het vaststellen van de eerdere ingangsdatum. De eerdere ingangsdatum wordt bekeken van de eerste aflossing in augustus 2024 tot en met november 2025, waarbij de drie maanden waarin er geen schuldhulpverleningstraject van toepassing was in mindering worden gebracht. De beoordeling ziet derhalve over de periode van dertien maanden.
Gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is niet elke maand gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. Uit de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb) van augustus 2024 tot en met november 2025 volgt dat [verzoekster] een bedrag van in totaal € 2.978,67 had moeten sparen voor haar (gezamenlijke) schuldeisers. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat gedurende dit schuldhulpverleningstraject in de periode november 2024 tot en met mei 2025 door een schuldeiser beslag is gelegd op het inkomen van [verzoekster] . [verzoekster] heeft door middel van beslaglegging een bedrag van in totaal € 4.796,36 afgedragen aan de beslaglegger. Daarnaast heeft zij conform het vtlb nog een bedrag van in totaal € 1.398,90 afgedragen ten behoeve van de (gezamenlijke) schuldeisers. Dat maakt dat [verzoekster] gedurende het schuldhulpverleningstraject een bedrag van in totaal € 6.195,26 heeft afgedragen aan de beslaglegger respectievelijk heeft gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. De rechtbank is van oordeel dat hoewel [verzoekster] gedurende een periode van zeven maanden slechts aan één schuldeiser heeft afgedragen in plaats van aan de (gezamenlijke) schuldeisers, dit niet aan haar is toe te rekenen. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.11.3. Daarom telt die periode ook mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum en dat maakt dat [verzoekster] van augustus 2024 tot en met november 2025 meer heeft afgedragen dan zij op grond van het vtlb zou hebben moeten afdragen. Daarmee heeft [verzoekster] voldaan aan de afdrachtverplichting.
[verzoekster] heeft over de periode van augustus 2024 tot mei 2025 en van augustus 2025 tot en met november 2025 32 uur per week gewerkt. Deze periode bedraagt dertien maanden. Over deze periode heeft zij een totaal aantal uren van 1.664 gewerkt. Uitgaande van de geldende verplichting voor [verzoekster] om in de Wsnp fulltime (36 uur per week) te werken, had zij in voornoemde periode in totaal 1.872 uren kunnen werken. Een verschil dus van 208 uren. Dat tekort aan uren dient zij te compenseren. Omgerekend betekent dit bij een werkweek van 36 uur per week dat [verzoekster] afgerond zes weken te weinig heeft gewerkt. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat gedurende 11.5 maand door [verzoekster] is voldaan aan de inspanningsverplichting. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 4 september 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1957), rechtsoverweging 2.7.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald van dertien maanden minus zes weken. De rechtbank stelt de ingangsdatum daarom vast op 1 januari 2025.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster] .
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] -1968 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] ;
voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd te [adres 2]
;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam 3] ,
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 januari 2025 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
1 juli 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.