Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van: 18 december 2025
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres.
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting op 16 oktober 2025, 13 november 2025 en 3 december 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 4 december 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster],
- mevrouw D. Roderiguez, schuldhulpverlener bij Geldplein,
- mevrouw W. Balgobind, beschermingsbewindvoerder.
De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting op 4 december 2025 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2020 niet is gedaan. De Belastingdienst wil daarom niet meewerken aan een schuldregeling.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie het ontbreken van een poging om tot een minnelijke regeling te komen, niet aan de ontvankelijkheid van het verzoek in de weg staat. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de Belastingdienst geen medewerking wilde verlenen aan het minnelijk traject. [verzoekster] is dus ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
[verzoekster] heeft schulden laten ontstaan die naar hun aard niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gelaten, en staan in beginsel aan toelating in de weg. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder gekeken naar de schuld aan de Belastingdienst. Uit het overzicht van de Belastingdienst van
17 oktober 2025 blijkt dat de openstaande schuld € 21.442,00 bedraagt. De schuld aan de Belastingdienst heeft onder andere betrekking op te veel ontvangen huur- en zorgtoeslag over de periode 2022 en 2023, inkomstenbelasting over de periode 2022 en zorgverzekeringswet over de periode 2022.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. [verzoekster] heeft haar onderneming al op 15 juni 2020 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast staat [verzoekster] sinds 16 december 2022 onder beschermingsbewind. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
[verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat het schuldhulpverleningstraject is gestart op 20 mei 2025. [verzoekster] heeft over de maand juni 2025 op basis van haar inkomen geen afloscapaciteit gehad. [verzoekster] heeft vanaf juli 2025 tot en met heden wel afloscapaciteit. De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject in totaal € 243,54 heeft gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers waarmee is voldaan aan de in het schuldhulpverleningstraject geldende verplichting tot afdracht van het inkomen boven het vtlb. Daarnaast is in de periode van het schuldhulpverleningstraject ook aan de inspanningsverplichting voldaan. [verzoekster] is namelijk door de gemeente ontheven van de sollicitatieplicht vanaf 5 juni 2025.
De rechtbank komt tot de conclusie dat er weliswaar geen aanbod is gedaan, maar dat toch een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 1 juni 2025, zijnde de eerste maand na de start van het traject waarin [verzoekster] heeft voldaan aan de inspanningsplicht en de afdrachtplicht.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster].
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum]-1995 te [geboorteplaats],
wonende op een (bij de rechtbank bekend) geheim adres.
voorheen aldaar handelend onder de naam [handelsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 1 juni 2025 en de duur op achttien maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
1 december 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.