Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10-331427-23
Datum uitspraak: 13 februari 2025
Tegenspraak
Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] te ([postcode]) [plaatsnaam],
raadsvrouw mr. C. Ihataren, advocaat te Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 februari 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
3. Procesafspraken
Tussen de verdachte en de officier van justitie zijn procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de zitting ter kennisname aan de rechtbank gezonden.
Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij was een belangrijk element of de verdachte begreep wat de gemaakte afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak konden hebben. Ter zitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd en toegelicht dat het om de volgende afspraken gaat.
De verdachte:
De officier van justitie:
- zal de mobiele telefoon, geplaatst op de lijst van 3 september 2024 met inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met code GUER01.003 (omschrijving: zwart, merk Apple) aan de verdachte teruggeven;
- zal een gevangenisstraf eisen voor de duur van 16 maanden onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest.
Beide partijen:
- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.
4. Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie mr. H.A. van Wijk heeft gevorderd:
vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en voor de strafmaat de rechtbank verzocht de procesafspraken te volgen.
5. Waardering van het bewijs
Vrijspraak feit 1 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot
en met 9 november 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
- het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren
van 64 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,
vijfde lid van de Opiumwet,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
door
- de empty-depot-locatie van container [containernummer] in een/de
computersyste(e)m(en) (van Hapag Lloyd) te wijzigen, en/of
- informatie over container [containernummer] te delen met één of meer mededader(s),
en/of
- met één of meer mededader(s) afspraken te maken en/of contact te onderhouden
en/of informatie uit te wisselen over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen
van de container [containernummer] (met daarin cocaïne);
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2022 tot
en met 16 januari 2024 te Rotterdam en/of Ridderkerk, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
anders dan als ambtenaar, te weten als medewerker van de afdeling Customer Care
en/of van de afdeling Carrier Haulage, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij
Hapag Lloyd, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in
zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (meermalen,
althans éénmaal) een gift, belofte en/of dienst, te weten geld, heeft aangenomen
en/of heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en/of vragen in strijd met
de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
6. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1. medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
2.
anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, vragen en/of aannemen van een gift en dit aannemen/vragen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
7. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
8. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer in Nederland en het verder afleveren van een partij cocaïne van 64 kilogram cocaïne. Om deze invoer mogelijk te maken heeft hij als medewerker van de firma Hapag-Lloyd containerlocaties zonder klantverzoek gewijzigd. Voorts heeft de verdachte met medeverdachten informatie uitgewisseld over de in te voeren cocaïne. Het wijzigen van container locaties kan alleen door medewerkers van het haventerrein worden gedaan en ook alleen zij hebben toegang tot de informatie over de locaties van containers. De verdachte was dus een onmisbare schakel om de cocaïne in te voeren en hij heeft zijn functie als havenmedewerker daarvoor misbruikt. Hij heeft dit naar het lijkt enkel gedaan om daar zelf financieel beter van te worden.
Hiermee heeft de verdachte niet alleen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de internationale drugshandel, maar ook aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs, wat een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat de invoer van cocaïne en de handel daarin een bijzonder ontwrichtende invloed hebben op de samenleving. Bovendien heeft de verdachte ook het door zijn werkgever en collega’s in hem gestelde vertrouwen misbruikt. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Waardering procesafspraken
Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. De verdachte heeft tijdens de terechtzitting ten aanzien van de procesafspraken verklaard dat hij de procesafspraken kent, weet waar hij aan begonnen is en de gevolgen hiervan begrijpt.
De indruk die de rechtbank op grond van de stukken en uit deze bespreking heeft gekregen, is dat de verdachte weloverwogen en vrijwillig ervoor heeft gekozen, mede op advies en met bijstand van zijn raadsvrouw, in te stemmen met het afdoeningsvoorstel inclusief de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, en dat hij zich bewust is geweest van de inhoud, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Voorts is de verdediging op de zitting in de gelegenheid gesteld al hetgeen naar voren te brengen wat zij daartoe dienstig acht.
De rechtbank is van oordeel dat geen afbreuk is gedaan aan de regels van een eerlijk proces. Hierbij is in het bijzonder gedacht aan het belang van de verdachte om zo spoedig mogelijk berecht te worden en het maatschappelijk belang bij een voortvarende afdoening van de zaak.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie in lijn met de procesafspraken geëiste gevangenisstraf van 16 maanden passend en geboden. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal op de op te leggen gevangenisstraf in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 47, 57 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.
10. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,
en mrs. L. Stevens en S.W.H. Bootsma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 13 februari 2025.
Bijlage
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot en met 9 november 2023 te
Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals
bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 64 kilogram cocaïne, in elk
geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2023 tot
en met 9 november 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
- het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren
van 64 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a,
vijfde lid van de Opiumwet,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
door
- de empty-depot-locatie van container [containernummer] in een/de
computersyste(e)m(en) (van Hapag Lloyd) te wijzigen, en/of
- informatie over container [containernummer] te delen met één of meer mededader(s),
en/of
- met één of meer mededader(s) afspraken te maken en/of contact te onderhouden
en/of informatie uit te wisselen over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen
van de container [containernummer] (met daarin cocaïne);
2.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2022 tot
en met 16 januari 2024 te Rotterdam en/of Ridderkerk, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
anders dan als ambtenaar, te weten als medewerker van de afdeling Customer Care
en/of van de afdeling Carrier Haulage, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij
Hapag Lloyd, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in
zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (meermalen,
althans éénmaal) een gift, belofte en/of dienst, te weten geld, heeft aangenomen
en/of heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en/of vragen in strijd met
de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.