ECLI:NL:RBROT:2025:15740

ECLI:NL:RBROT:2025:15740

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 31-12-2025
Datum publicatie 17-03-2026
Zaaknummer ROT 24/10971
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Financieel toezicht. Boete wegens overtreding van de Handelsregisterwet. Registratie UBO. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2025 in de zaak tussen

[Naam eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/10971

(gemachtigde: [naam 1] ),

en

De minister van Financiën, Belastingdienst/Bureau Economische Handhaving, verweerder

(gemachtigden: mr. A.C.M. Kuijstermans en D. Reijmers).

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 2 juli 2024 (boetebesluit) aan eiseres een bestuurlijke boete van € 2.575,- opgelegd wegens overtreding van artikel 19, eerste lid, van de Handelsregisterwet 2007 (Hrw) in samenhang met artikel 15a van de Hrw.

Eiseres heeft tegen het boetebesluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 oktober 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het boetebesluit gehandhaafd.

Op 19 november 2024 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 7 februari 2025 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft verweerder bij brief van 25 november 2025 verzocht om de verzendadministratie van diverse norminformerende brieven over te leggen.

Verweerder heeft op 4 december 2025 de gevraagde verzendadministratie overgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na opening van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de zitting kort onderbroken, zodat de gemachtigden van verweerder telefonisch contact konden opnemen met de gemachtigde van eiseres, die kort voor de zitting had verzocht aan verweerder om tot een schikking te komen. De gemachtigden van verweerder deelden vervolgens mede dat de gemachtigde van eiseres op de hoogte was van de zitting maar dat het niet was gelukt om tot overeenstemming te komen. Voor zover het telefoontje van de gemachtigde van eiseres aan de gemachtigden van verweerder zou moeten worden aangemerkt als een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak ter zitting, ziet de rechtbank daartoe geen aanleiding.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiseres zonder enig bericht niet ter zitting is verschenen, terwijl zij wel op de hoogte is van de zitting, dat er door of namens eiseres geen expliciet verzoek daartoe is gedaan aan de rechtbank en dat de gemachtigden van verweerder zich tegen een aanhouding van de behandeling ter zitting hebben verzet.

De behandeling van het beroep heeft vervolgens verder plaats gevonden.

Overwegingen

Inleiding

1. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld naar de naleving van de Hrw door eiseres. Dit onderzoek heeft zich in het bijzonder gericht op de verplichting van eiseres om in het handelsregister de uiteindelijke belanghebbenden (UBO’s) te registreren. Bij brieven van 6 oktober 2021 en 7 maart 2022 heeft de Kamer van Koophandel (KvK) ondernemingen, waaronder eiseres, verzocht om hun UBO’s te registreren. Hiertoe zijn zij sinds 27 maart 2022 verplicht. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres de UBO(’s) niet heeft geregistreerd. Bij brief van 30 oktober 2023 is eiseres daarom nogmaals verzocht zijn UBO(’s) te registeren. Bij raadpleging van het UBO-register op 17 mei 2024 is gebleken dat eiseres nog steeds niet heeft voldaan aan haar verplichting om zijn UBO(’s) te registreren. Deze bevindingen heeft verweerder neergelegd in het onderzoeksrapport van 17 mei 2024.

2. Verweerder heeft op 3 juni 2024 het voornemen kenbaar gemaakt om aan eiseres een bestuurlijke boete van € 2.575,- op te leggen wegens de overtreding van de registratieverplichting.

Besluitvorming

3. Bij boetebesluit van 2 juli 2024 heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete van € 2.575,- opgelegd wegens overtreding van artikel 47 van de Hrw door niet te voldoen aan artikel 19, eerste lid, van de Hrw in samenhang met artikel 15a van de Hrw.

Bij het bestreden besluit van 10 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de opgelegde boete gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regelgeving en beleidsregels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

5. Eiseres voert aan dat zij tot het voornemen van 3 juni 2024 nooit enig bericht heeft ontvangen over de verplichting om de UBO’s te registreren.

De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet betwist dat zij haar UBO(’s) niet heeft geregistreerd in het UBO-register. Daarmee staat vast dat eiseres artikel 19, eerste lid, van de Hrw in samenhang met artikel 15a van de Hrw heeft overtreden. Verweerder heeft, desgevraagd, de verzendadministratie van de brieven aan eiseres over de registratie van haar UBO(’s) overgelegd. Daarnaast heeft verweerder overgelegd een aantal interne telefoonnotities van belpogingen om met eiseres in contact te komen. Ongeacht welke conclusie hieruit zou moeten worden getrokken, ook indien zou moeten worden aangenomen dat eiseres tot de ontvangst van het voornemen van verweerder nooit enig bericht over de registratieplicht zou hebben ontvangen, kan die omstandigheid naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan haar (eigen) wettelijke verplichting om haar UBO(’s) te registeren. De hiertoe aangedragen beroepsgrond kan niet slagen.

6. Eiseres betoogt dat boeteoplegging geen enkele doel dient. De omissie heeft nooit een instelling of onderneming getroffen. Eiseres is bovendien inactief zodat er geen sprake is van hinder of nadeel.

De rechtbank begrijpt uit het betoog van eiseres dat zij zich op het standpunt stelt dat boeteoplegging in haar geval niet opportuun en evenredig is. Eiseres betwist niet dat verweerder op grond van artikel 47b van de Hrw in beginsel bevoegd is om over te gaan tot oplegging van een bestuurlijke boete wegens de aan haar verweten overtreding. De rechtbank stelt voorop dat deze bevoegdheid discretionair van aard is. De rechter moet het gebruik van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Het is immers niet (en in ieder geval niet in de eerste plaats) aan de rechter om te bepalen wanneer verweerder een boete mag opleggen en wanneer niet.

Verweerder heeft in het verweerschrift (nader) toegelicht dat de verplichte UBO-registratie voortvloeit uit de Richtlijn (EU) 2015/849 (de vierde anti-witwasrichtlijn). Het register is bedoeld om een waardevolle bijdrage te leveren aan het bereiken van meer transparantie over UBO(’s) van in Nederland opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten in het licht van de bescherming van de integriteit van het financieel stelsel tegen het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten zoals corruptie, fiscale misdrijven waaronder belastingontduiking en fraude, alsmede terrorismefinanciering (vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35179 nr. 3, p. 6 en 9). Uit de richtlijn volgt ook dat de bevoegde autoriteiten tijdig en onbeperkt toegang moeten hebben tot alle UBO-informatie ter uitoefening van hun publieke taken. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar betoog dat niemand zou zijn geraakt doordat zij nooit haar UBO(’s) heeft geregistreerd. Hierdoor zou het immers niet mogelijk zijn geweest voor de bevoegde autoriteiten tijdig en toegang te krijgen ter uitoefening van hun taken. Dit heeft eiseres ook niet weersproken. De omstandigheid dat eiseres een inactieve organisatie is die niet deelneemt aan het economische verkeer, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin afdoen aan de bevoegdheid van verweerder op tot boeteoplegging over te gaan. Verweerder heeft in dit kader terecht naar voren gebracht dat de Hrw voor de wettelijk plicht om de UBO(’s) te registreren geen onderscheid maakt tussen actieve en inactieve organisaties, zodat deze door eiseres aangedragen omstandigheid in die zin irrelevant is. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij de onderneming zal uitschrijven uit het handelsregister bij de KvK. Gesteld noch gebleken is echter dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Wat daarvan ook zij, ook dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de verweten overtreding en de bevoegdheid van verweerder om daarvoor een boete op te leggen. Door eiseres zijn geen andere omstandigheden aangevoerd die maken dat boeteoplegging in dit geval niet opportuun of evenredig is. Ook anderszins is dit naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank dus tot de conclusie dat boeteoplegging in het geval van eiseres opportuun en evenredig is en dat verweerder hiertoe dus heeft kunnen overgaan. De hiertoe aangedragen beroepsgrond kan niet slagen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Handelsregisterwet 2007

Artikel 15a

1. In het handelsregister wordt opgenomen wie de uiteindelijk belanghebbende is of de uiteindelijk belanghebbenden zijn van vennootschappen of andere juridische entiteiten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme die overeenkomstig de artikelen 5 of 6, eerste of derde lid, zijn ingeschreven in het handelsregister, met uitzondering van verenigingen van eigenaars en overige privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b.

2 In het handelsregister wordt over een uiteindelijk belanghebbende opgenomen:

a. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, indien dat aan hem is toegekend;

b. een fiscaal identificatienummer van een ander land dan Nederland waarvan hij ingezetene is, indien dat door zijn woonstaat aan hem is toegekend;

c. de naam, de geboortemaand en het geboortejaar, de woonstaat en de nationaliteit;

d. de geboortedag, de geboorteplaats, het geboorteland en het woonadres;

e. de aard van het door de uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang en de omvang van dit belang, aangeduid in bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen klassen.

3 In het handelsregister worden ten aanzien van een uiteindelijk belanghebbende gedeponeerd:

a. afschriften van de documenten op grond waarvan de gegevens, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a, b, c en d, zijn geverifieerd;

b. afschriften van de documenten, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën, waaruit de aard en omvang van het economische belang, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, blijken.

Artikel 19

1. De daartoe verplichte personen doen, met inachtneming van het bij algemene maatregel van bestuur bepaalde, de opgaven die de Kamer nodig heeft om ervoor te zorgen dat de in artikel 9 tot en met 14, 15a, tweede lid, en 16a, eerste lid, genoemde en de in artikel 17, onderdeel a, bedoelde gegevens te allen tijde juist en volledig in het handelsregister ingeschreven zijn.

(…)

Artikel 47

Het is verboden te handelen in strijd met dan wel niet te voldoen aan een bij of krachtens deze wet gestelde verplichting tot het doen van een opgave ter inschrijving in het handelsregister.

Artikel 47b

1. Onze Minister van Financiën kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van artikel 47, indien er sprake is van het handelen in strijd met artikel 19, eerste lid, voor zover de daartoe verplichte persoon niet de opgave doet die de Kamer nodig heeft om ervoor te zorgen dat de in artikel 15a, tweede en derde lid, bedoelde gegevens en bescheiden te allen tijde juist en volledig zijn ingeschreven in het handelsregister.

2 De op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?