beslissing
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/703302 / HA RK 25-690
Beslissing van 9 oktober 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
1. LCS Piping International B.V.,
2. Gouden Buys B.V.,
gevestigd te Ridderkerk,
hierna te noemen: verzoeksters, advocaat: mr. P. Habermehl,
strekkende tot de wraking van
mr. M.J. Drop,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verzoek van verzoeksters strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer C/10/673508 HA ZA 24-131. Die zaak betreft een geschil tussen verzoeksters en [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door mr. L.F. Dröge en
mr. J.M. van der Kooij en [naam 3], bijgestaan door mr. M.W. Huijzer. Deze zaak wordt behandeld door de meervoudige kamer van de rechtbank. De gewraakte rechter maakt als rechter-plaatsvervanger deel uit van deze meervoudige kamer. Op 6 februari 2025 heeft in deze zaak een zitting plaatsgevonden. Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
Op 7 juli 2025 heeft de voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank per e-mail aan de advocaten van partijen in het kader van de transparantie melding gemaakt dat mr. Drop, rechter-plaatsvervanger en advocaat, op een advocatencongres in New York bij een avondeten met tafelschikking naast mr. Dröge was geplaatst. Mr. Drop vond het gezien de tafelschikking richting de gastheer niet gepast om ergens anders te gaan zitten. Er is - uiteraard - met geen woord over de procedure LCS c.s./Den Otter c.s. gesproken.
De advocaat van verzoeksters heeft op 9 juli 2025 op dit e-mailbericht gereageerd en aangegeven dat verzoeksters moeite hebben en het bezwaarlijk achten dat mr. Drop als plaatsvervangend-rechter bij de zaak betrokken blijft. Verzoeksters hebben de rechter gemotiveerd verzocht zich te verschonen.
Mr. Dröge heeft op 9 juli 2025 op deze berichten gereageerd en aangegeven dat tijdens het diner met geen woord over de procedure is gesproken. Daarbij maakt hij ook bezwaar tegen het verzoek van de advocaat van verzoeksters om een andere rechter aan te stellen.
Bij bericht van 11 juli 2025 heeft de rechtbank laten weten dat mr. Drop ook na beraad geen aanleiding ziet om zich te verschonen van de behandeling van de zaak.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek met bijlagen van verzoeksters van 15 juli 2025; de schriftelijke reactie van de rechter van 17 september 2025;
de spreekaantekeningen van de advocaat van verzoeksters.
l. 7. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek was aanvankelijk gepland op 3 september 2025, maar vanwege ziekte van mr. Habermehl is de behandeling uitgesteld naar 25 september 2025. Bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zijn verschenen namens verzoeksters [naam 4] (directeur) en mr. Haberrnehl. De rechter had voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te kunnen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
Verzoeksters hebben - zakelijk en verkort weergegeven - het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd.
De rechter en mr. Dröge, de advocaat van de wederpartij van verzoeksters, hebben in april 2025 deelgenomen aan een advocatencongres in New York en hebben tijdens een diner naast elkaar gezeten. Dit was kort nadat in de zaak de tweede zitting had plaatsgevonden, terwijl de zaak voor vonnis stond. Op het moment dat het voor de rechter duidelijk werd wie mr. Dröge was had hij in actie moeten komen om ergens anders te gaan zitten of een andere passende oplossing te zoeken voor de situatie. De rechter heeft dat niet gedaan. Volgens de rechter zou het gezien de tafelschikking jegens de gastheer niet gepast zijn geweest om ergens anders te gaan zitten. Van de rechter - ook als het een rechter-plaatsvervanger betreft - mag worden verwacht dat hij de onpartijdigheid actief bewaakt. De rechter heeft dit miskend toen hij ervoor koos om naast mr. Dröge te blijven zitten. Bij verzoeksters is het beeld opgeroepen van een partijdige rechter, die dineert met de advocaat van hun wederpartij. Wat ook nog heeft bijgedragen aan dat beeld, is het feit dat de melding van hetgeen zich heeft voorgedaan door de voorzitter van de kamer pas in juli 2025 is gedaan, terwijl het congres al drie maanden eerder had plaatsgevonden. Dit tijdsverloop heeft bijgedragen aan de schijn van partijdigheid die bij verzoeksters is gewekt. Zij vrezen dat de voor de behandeling van de zaak benodigde onpartijdigheid is aangetast en dat dit de uitkomst van de zaak negatief zal beïnvloeden.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Dit geldt ook voor een rechter-plaatsvervanger. Uit de wet volgt dat verzoeksters die concrete
omstandigheden moeten aanvoeren en wel zodra deze aan hun bekend zijn geworden.
De omstandigheden die verzoeksters hebben aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door zijn persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeksters geuite vrees dat de rechter jegens hen een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeksters van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
De wrakingskamer oordeelt dat de door verzoeksters aangevoerde omstandigheden niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek kunnen leiden. De redenen daarvoor zijn de volgende.
De rechter en mr. Dröge, als advocaat van de wederpartij van verzoeksters, zijn bij toeval naast elkaar geplaatst bij een diner tijdens een advocatencongres. De rechter heeft mr. Dröge, naar zijn zeggen, niet direct herkend als betrokken advocaat in een bij hem onderhanden zaak, maar realiseerde zich dit pas tijdens het diner.
Het enkele feit dat de rechter er op dat moment niet voor heeft gekozen om zijn plaats aan tafel te verlaten om verder contact met mr Dröge te vermijden, is onvoldoende om aan te nemen dat de rechter in deze zaak bevooroordeeld is of vooringenomenheid koestert.
In de uitoefening van zowel het rechtersambt als de functie van advocaat ligt besloten dat zij elkaar met regelmaat, ook bij gelegenheden buiten de zittingzaal, zullen treffen. In het normale maatschappelijk verkeer mag bij een ontmoeting tussen de rechter en een advocaat worden vertrouwd op de professionele distantie die, in ieder geval de rechter uit het oogpunt van zorgvuldigheid en de door hem afgelegde eed tot geheimhouding heeft te betrachten.
Het voert te ver om van de rechter te verlangen dat hij, bij een toevallige ontmoeting, buiten ieder kader van een bij hem onderhanden procedure en in een geheel andere setting, direct fysiek afstand neemt van een advocaat die optreedt in een zaak die de rechter onder handen heeft en niet (meer) met hem spreekt.
Verzoeksters hebben nog gesteld dat de melding over het contact pas in juli 2025 is gedaan, terwijl het contact al in april 2025 plaatsvond en dat dit lange tijdsverloop heeft bijgedragen aan de vrees van verzoeksters dat de rechter niet (meer) onpartijdig is. De rechter heeft in zijn reactie voor dit tijdsverloop een goede verklaring gegeven. Verzoeksters hebben deze op de zitting niet weersproken. De wrakingskamer is daarom van oordeel dat ook het tijdsverloop niet kan bijdragen aan het beeld dat de schijn van partijdigheid is gewekt.
Andere concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat er sprake is van de schijn van partijdigheid van de rechter zijn niet gesteld of gebleken. Dit betekent dat de door verzoeksters ervaren partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. M.C. Franken en
mr. F. Aukema-Hartog, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door mr. F. Aukema-Hartog in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025 in tegenwoordigheid van mr. H.C.C. Kan, griffier en door hen ondertekend.
de griffier de jongste rechter
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.