Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/655492 / FA RK 23-2482
Beschikking van 7 januari 2025 over vaststelling ouderschap en de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.F.A. van Pelt te Rotterdam.
e n
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015, hierna: de minderjarige,
wonende te [woonplaats 1] ,
vertegenwoordigd door [naam 1] , advocaat te Rotterdam,
in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige,
hierna: de bijzondere curator.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. K. Jeurissen te Breda.
In deze zaak treedt als bijzondere curator op:
[naam 1] , advocaat te Rotterdam, hierna: de bijzondere curator.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 31 maart 2023;
de beschikking van deze rechtbank van 30 mei 2023, waarbij mr. Van Tongerlo is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;
het bericht van de man van 6 oktober 2023;
het bericht van de vrouw van 27 oktober 2023;
het bericht van de bijzondere curator van 21 december 2023;
het bericht van de man van 24 april 2024;
het bericht van de vrouw van 16 mei 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 28 november 2024;
het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 2 december 2024.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd: het bericht met bijlagen van de man van 10 december 2024. Deze stukken hebben betrekking op het verzoek van de vrouw tot de vaststelling van een onderhoudsbijdrage voor de minderjarige. Dit verzoek zal pas later in de procedure inhoudelijk worden behandeld. Omdat de vrouw nog voldoende tijd zal krijgen om op deze stukken te reageren, worden deze stukken aan het dossier toegevoegd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 december 2024. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
namens de man: zijn advocaat;
de bijzondere curator.
2. De vaststaande feiten
De vrouw is de moeder van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
De minderjarige is niet erkend.
De vrouw oefent alleen het gezag over de minderjarige uit.
De vrouw en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Spaanse nationaliteit.
3. De beoordeling
Vaststelling ouderschap op verzoek van de moeder
De vrouw verzoekt vaststelling van het ouderschap van de man over de minderjarige.
Rechtsmacht
De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat de vrouw woonplaats in Nederland heeft.
Toepasselijk recht
Op grond van artikel 10:97 BW wordt de vraag of ouderschap gerechtelijk kan worden vastgesteld bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de aangewezen ouder en de moeder of, als dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de aangewezen ouder en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben, of, als dit ook ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Omdat partijen geen nationaliteit gemeenschappelijk hebben en niet in hetzelfde land wonen, is op grond van artikel 10:97 BW het Nederlandse recht van toepassing als het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige.
Op grond van artikel 1:207 lid 1 aanhef en sub a en b van het Burgerlijk Wetboek kan het ouderschap van een persoon, onder meer op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van de moeder van het kind of op verzoek van het kind zelf.
Voor de moeder geldt een wettelijke termijn. Zij moet het verzoek – voor zover hier van belang – indienen binnen vijf jaar na de geboorte van het kind. Aan de mogelijkheid voor het kind om door middel van gerechtelijke vaststelling het ouderschap te vestigen is geen termijn vastgesteld. Dit betekent dat het kind een in tijd onbeperkte mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap krijgt.
De vrouw heeft het verzoek op 31 maart 2023 ingediend, terwijl de minderjarige is geboren op 7 mei 2015. De vrouw kan daarom niet worden ontvangen in dit verzoek. Deze beslissing zal echter nog niet formeel worden uitgesproken om te voorkomen dat er verschillende beroepstermijnen gaan lopen in samenhangende zaken.
Vaststelling ouderschap op verzoek van de minderjarige
De bijzondere curator heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek van de vrouw namens de minderjarige overgenomen indien komt vast te staan dat de man diens biologische vader is. De bijzondere curator verzoekt in dat kader een DNA-onderzoek te gelasten bij Verilabs.
De man voert inhoudelijk verweer tegen het verzoek zijn ouderschap over de minderjarige vast te stellen. In samenhang daarmee doet hij een procedureel verzoek, dat ertoe strekt de huidige bijzondere curator te ontslaan en een andere bijzondere curator te benoemen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor in rechtsoverwegingen 3.1.2 tot en met 3.1.4 heeft geoordeeld met betrekking tot haar rechtsmacht en het toepasselijk recht.
Ontslag bijzondere curator
Bij bericht van 6 oktober 2023 heeft de man voor het eerst verzocht om ontslag van de bijzondere curator omdat de bijzondere curator en de advocaat van de vrouw kantoorgenoten zijn. De rechtbank heeft dat verzoek niet gehonoreerd. Daarbij is kort gezegd overwogen dat de rechtbank het kantoorgenootschap destijds over het hoofd heeft gezien, dit geen schoonheidsprijs verdient, maar de rechtbank ervan uitgaat dat de bijzondere curator – zoals hij zelf ook stelt – de Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:212 BW (hierna: de Leidraad) in aanmerking zal nemen.
Na zijn gesprek met de bijzondere curator begin 2024 heeft de man nogmaals verzocht om ontslag van de bijzondere curator en daarnaast, in het geval de rechtbank hierop afwijzend zal beslissen, om verlof voor het indienen van hoger beroep.
De man stelt door het verloop van bedoeld gesprek geen vertrouwen te hebben in de bijzondere curator. In zijn optiek worden de beginselen van hoor en wederhoor en onpartijdigheid ernstig geschonden en kan van een eerlijke behandeling door de rechtbank geen sprake zijn.
De bijzondere curator deelt de visie van de man op hun gesprek niet. Hij weerspreekt vooringenomen en/of partijdig te zijn en zich op die manier te hebben geuit.
De bijzondere curator acht het in het belang van de minderjarige dat de behandeling van de zaak geen verdere vertraging oploopt en dat de minderjarige voorlopig nog in het ongewisse kan blijven over het bestaan van deze procedure.
De vrouw maakt bezwaar tegen een ontslag van de bijzondere curator. Het dient in haar optiek geen enkel doel of belang en zal de procedure alleen maar nog meer vertragen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
In de Leidraad is opgenomen dat het als ongewenst wordt beschouwd wanneer een bijzondere curator tevens optreedt als advocaat van een van de partijen. Deze situatie doet zich hier niet voor.
De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de bijzondere curator zijn taak niet naar behoren heeft uitgeoefend. De rechtbank wijst er daarbij op dat de bijzondere curator partijdig moet zijn bij de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt, de minderjarige (hij is immers als advocaat gebonden aan artikel 10a van de Advocatenwet). De door de man gestelde gebruiken in het Spaanse rechtssysteem zijn niet van belang: er wordt in Nederland geprocedeerd naar Nederlands recht en naar Nederlandse gebruiken.
Niettemin zal de rechtbank de bijzondere curator vervangen. Zoals de rechtbank al eerder liet weten, verdient de beslissing om deze bijzondere curator te benoemen geen schoonheidsprijs. Dat valt de bijzondere curator niet te verwijten, dat is iets dat beter had gekund en gemoeten bij de rechtbank, maar ook hier vallen wel eens spaanders bij het hakken. Het belangrijkste argument tegen vervanging, namelijk het voorkomen van vertraging in de procedure, is thans niet langer een geldig argument. Zoals hierna zal worden toegelicht, zal de rechtbank een gerechtelijk DNA-onderzoek gelasten. Dat onderzoek wordt niet vertraagd als er een andere bijzondere curator komt. Afhankelijk van de uitslag van het DNA-onderzoek kan de nieuwe bijzondere curator de gesprekken voeren en de stappen nemen die deze geraden voorkomen. Er is (nog) geen vertrouwensband tussen de huidige bijzondere curator en de minderjarige, omdat de bijzondere curator ervoor heeft gekozen deze nog niet te spreken. Ook daarin kan dus geen argument worden gevonden de bijzondere curator niet te vervangen.
Het verzoek tussentijds hoger beroep toe te laten is gedaan onder de voorwaarde dat de rechtbank het verzoek tot vervanging van de bijzondere curator afwijst. Omdat aan de voorwaarde niet wordt voldaan, behoeft dit verzoek geen bespreking of beslissing.
DNA - onderzoek
Het bovenstaande laat onverlet dat de bijzondere curator voorafgaand aan zijn bij deze beschikking te verlenen ontslag, namens de minderjarige heeft verzocht een DNA-onderzoek te gelasten naar de vraag of de man al dan niet de biologische vader van de minderjarige kan zijn en met welke mate van waarschijnlijkheid. Dat verzoek van de minderjarige ligt dus ter behandeling en beslissing voor.
De vrouw stemt met een DNA-onderzoek in.
De man stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende aanleiding is voor een DNA-onderzoek omdat de door de vrouw overgelegde stukken niet aantonen dat partijen tijdens het conceptietijdvak een (seksuele) relatie hadden.
De rechtbank kan in ieder geval uit de door de vrouw overgelegde stukken opmaken dat partijen elkaar gedurende enkele jaren meermalen hebben ontmoet, zowel in Nederland als in Spanje. Verder blijkt hieruit dat de man zich zowel voor, tijdens als na de bevalling van de minderjarige betrokken toonde.
De vrouw heeft een WhatsAppgesprek overgelegd tussen haar schoonzus en de man waarin laatstgenoemde op de hoogte wordt gehouden van het verloop van de bevalling op een manier die verder lijkt te gaan dan valt te verwachten bij iemand die niet de (veronderstelde) vader van het kind is. Daarnaast zijn er foto’s van de man met de minderjarige die in verschillende jaren zijn gemaakt en waarvan sommige een intieme (familie) band veronderstellen. Zo zijn er foto’s van hen, de minderjarige als baby, samen onder de douche. Dit alles vraag om méér uitleg dan tot op heden door de man is gegeven.
De man heeft wel gewezen op een bericht van de vrouw in een WhatsApp-gesprek van 27 mei 2018. Om 19.54 uur stuurt de vrouw de tekst “You can never change that you are not the father! NEVER!!” De man heeft deze tekst in het verweerschrift opgenomen, kennelijk ter onderbouwing van zijn ontkenning van het vaderschap. Het citaat is echter volledig uit zijn context gehaald. De kennelijke stelling van de vrouw, het gehele gesprek door, is dat de man de vader van de minderjarige is, maar dat hij, door dat te ontkennen, de minderjarige berooft van zijn vader en de rol die deze in zijn leven kan spelen. Het bericht valt dan ook moeilijk anders uit te leggen dan dat wordt bedoeld dat wat de man ook zegt of doet, hij het niet kan veranderen dat hij weigert zijn rol als vader te nemen en dus geen vader(figuur) voor de minderjarige is. De rechtbank leest hierin niet dat de vrouw het biologische vaderschap van de man ontkent. De rechtbank zal zich in een later stadium beraden over de vraag of artikel 21 Rv is geschonden en zo ja, welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden.
Dat de man de verwekker is van de minderjarige, acht de rechtbank dan ook, gelet op het voorgaande, mogelijk. Er is daarom, anders dan de man stelt, voldoende aanleiding voor het gelasten van een deskundigenonderzoek.
De rechtbank heeft in het kader van de beoordeling behoefte aan een DNA- onderzoek. De rechtbank zal een DNA-onderzoek gelasten en (een medewerker van) Verilabs benoemen als deskundige. Uit de door de bijzondere curator verkregen informatie van Verilabs blijkt dat de afname van het DNA-materiaal van de man ook in Spanje kan plaatsvinden, namelijk via de Nederlandse ambassade in Madrid. Hiervoor dient wel een extra voorschot van € 300,- te worden voldaan.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij. In normaal Nederlands: als de man niet meewerkt, dan heeft de rechtbank de bevoegdheid om op die grond zijn vaderschap vast te stellen.
De deskundige begroot de aan het onderzoek verbonden honorering en kosten op € 695,- voor de vaderschapstest + € 60,- voor twee bezoeken indien de man in Nederland aan het onderzoek zal deelnemen.
De deskundige heeft de aan het onderzoek verbonden honorering en kosten begroot op € 695,- voor de vaderschapstest + € 300,- indien de man in Spanje zal deelnemen aan het onderzoek.
De hoofdregel is dat de verzoekende partij de kosten van de deskundige voorschiet. De rechter kan in verband met de omstandigheden van het geding van deze hoofdregel afwijken (artikel 284, vierde lid, Rv, gelezen in verbinding met artikel 195 Rv). Op basis van de omstandigheden van dit geding acht de rechtbank het aangewezen dat de man het voorschot voor zijn rekening neemt. In een eerder stadium heeft de man de kans gekregen om deel te nemen aan een onderhands DNA-onderzoek dat door de bijzondere curator zou worden gefaciliteerd. Zonder redelijke grond heeft de man deze mogelijkheid onbenut gelaten, zodat de rechtbank het om deze reden niet redelijk acht anderen vooralsnog op te laten draaien voor de aanzienlijk hogere kosten die met een gerechtelijk DNA-onderzoek gemoeid zijn.
Omdat niet bekend is waar de man zal deelnemen aan het onderzoek, zal de hoogte van het voorschot worden vastgesteld op een bedrag van € 995,-. Nadere instructies zijn opgenomen in de beslissing hieronder. De rechtbank zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De voorschotbeslissing loopt niet vooruit op het antwoord op de vraag wie uiteindelijk de kosten van het DNA-onderzoek zal moeten dragen. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de uitkomst van de zaak.
De rechtbank zal in afwachting van het DNA-onderzoek de behandeling van de zaak op dit punt pro forma aanhouden tot 1 juli 2025.
Onderhoudsbijdrage en dwangsom
De vrouw verzoekt ten laste van de man een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 714,- per maand, met ingang van
7 mei 2015 en op straffe van een dwangsom.
Omdat de vrouw in Nederland woont, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening van 18 december 2008 rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Op het verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
De man voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 611a lid 1 Rv kan een dwangsom niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom. Het verzoek van de vrouw zal te zijner tijd in elk geval tot zover worden afgewezen.
De inhoudelijke behandeling van het verzoek zal worden aangehouden, omdat op dit moment geen sprake is van een familierechtelijke band tussen de man en de minderjarige, noch het verwekkerschap van de man vaststaat.
Dwangsom in verband met adres man
De vrouw verzoekt aan de man een dwangsom op te leggen van € 25.000,- voor het geval hij zijn adres wijzigt en de vrouw daarvan niet telkens binnen drie dagen na de wijziging op de hoogte brengt middels een aangetekend schrijven of e-mail.
De rechtbank acht zich op grond van artikel 3 Rv bevoegd en past Nederlands recht toe op het verzoek.
De man voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank is van oordeel dat aan dit verzoek een rechtsgrond ontbreekt. Het verzoek zal daarom te zijner tijd worden afgewezen.
Proceskosten
Omdat nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
4. De beslissing
De rechtbank:
beveelt een onderzoek door een deskundige, te weten een DNA-onderzoek, ter beantwoording van de vraag of de man de biologische vader van de minderjarige kan zijn en met welke mate van waarschijnlijkheid;
benoemt tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijdstip uit te voeren:
[naam 2] of een van de andere geautoriseerde rapporteurs van Verilabs, werkzaam bij Verilabs Nederland B.V., [adres 1] ;
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op een bedrag van € 995,-;
bepaalt dat de man het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
wijst de deskundige erop dat het onderzoek pas na het bericht van de griffier over de betaling van het voorschot moet aanvangen;
verzoekt de deskundige uiterlijk binnen vijf maanden na het schriftelijke bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;
ontslaat [naam 1] uit zijn functie van bijzondere curator;
benoemt tot bijzondere curator over de minderjarige:
[naam 3] , kantoorhoudende aan de [adres 2] ;
bepaalt dat de bijzondere curator binnen vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht schriftelijk verslag doet van haar bevindingen en daarbij een standpunt inneemt over het verzoek;
en voor verder te beslissen:
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de vaststelling van het ouderschap en de onderhoudsbijdrage in afwachting van het deskundigenbericht wordt aangehouden tot 1 juli 2025 PRO FORMA;
bepaalt dat partijen op laatstgenoemde datum niet hoeven te verschijnen;
bepaalt dat – zodra de rechtbank in de onderhavige zaak het deskundigenbericht heeft ontvangen – partijen in de gelegenheid gesteld zullen worden hierop schriftelijk te reageren, waarna – als nodig – de mondelinge behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een dan te bepalen datum en tijdstip.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M. Ligthart, griffier, op 7 januari 2024.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.