ECLI:NL:RBROT:2025:15778

ECLI:NL:RBROT:2025:15778

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-04-2025
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer ROT 24/4716 (tussenuitspraak)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Tussenuitspraak, WIA, motiveringsgebrek, Post-Covid, urenbeperking. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:5282 (einduitspraak)

Uitspraak

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Foullani),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

Met het besluit van 11 januari 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV aan eiseres een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend per 20 december 2022. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres is daarbij vastgesteld op 46,71% met een restverdiencapaciteit van € 1.274,10 per maand.

Met het besluit van 28 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres is gewijzigd naar 60,55% met een restverdiencapaciteit van € 943,25 per maand.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiseres heeft aanvullende gronden ingediend en medische stukken ingebracht.

Het UWV heeft hier op 6 januari 2025 op gereageerd, met als bijlage een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 december 2024.

Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het besluit

1. Eiseres, laatstelijk werkzaam als verpleegkundige, heeft zich op

29 november 2020 ziekgemeld voor dit werk. Eiseres heeft op 22 september 2022 een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.

2. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft eiseres op 1 december 2022 gezien op het spreekuur en op 16 december 2022 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, die geldig is vanaf 1 december 2022. Daarin zijn beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.

De arbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 10 januari 2023, met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van eiseres, geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor het verrichten van haar eigen werk, maar wel voor de geduide functies Schadecorrespondent (SBC-code 516080), Administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) en Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180). Het loon dat met de middelste van de drie eerstgenoemde functies (de mediaanfunctie) verdiend kan worden, ligt 46,71% lager dan het loon dat eiseres met haar eigen werk zou kunnen verdienen (het maatmaninkomen). Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen.

3. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 19 maart 2024 geconcludeerd dat geen aanleiding wordt gezien om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts ten aanzien van de per datum in geding aangegeven mogelijkheden en beperkingen van eiseres.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in de rapportage van

27 maart 2024 geconcludeerd dat de functies met SBC-codes 516080 en 315100 in bezwaar komen te vervallen. Een aanvullende functieduiding leverde echter voldoende vervangende en passende functies op, te weten de functies Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) en Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010). Op basis van de gewijzigde functieduiding heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres gewijzigd vastgesteld op 60,55%. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.

Standpunt eiseres

4. In beroep voert eiseres aan dat haar beperkingen zwaar zijn onderschat. Zij meent dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische informatie heeft opgevraagd om tot een concrete duiding van de ernst van haar klachten te komen. Daarnaast is de belastbaarheid bepaald aan de hand van criteria die op basis van haar ziektebeeld niet te rechtvaardigen zijn. Eiseres is dan ook van mening dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep miskend dat de klachten voortvloeien uit een Post-Covid-Syndroom. Zij verwijst daarbij naar informatie van de website van de Rijksoverheid inzake Post-Covid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook geen onderbouwing gegeven ten aanzien van de gestelde beperkingen voor haar vermoeidheids-, pijn- en cognitieve klachten en overgevoeligheid voor prikkels. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verzuimt te onderbouwen waarom is afgeweken van het uitgangspunt van de bedrijfsarts dat eiseres maximaal drie uur per dag kan werken. Eiseres heeft ernstige vermoeidheidsklachten door de Post-Covid en verwijst daarbij naar de samenvatting van het resultaten onderzoek van het Erasmus MC en C-support van juni 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook geen rekening gehouden met de Post Exertional Malaise (PEM) klachten. Volgens eiseres is de onderbouwing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in meerdere Post-Covid zaken gebrekkig en verwijst daarbij naar de artikelen van Trouw van

5 september 2024, Eenvandaag van 1 juli 2024 en het rapport van [persoon A] en [persoon B] van 22 mei 2024. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gereageerd op de informatie van Vrije Universiteit Amsterdam van januari 2024. Eiseres voert aan dat er voldoende medische grondslag is voor de gestelde beperkingen en verwijst daarbij naar het verslag van de longarts van 31 mei 2024. Zij is verder van mening dat zij vanwege haar beperkingen niet in staat is om de geduide functies uit te voeren. Zij kan de functie van grafisch nabewerker niet uitvoeren, omdat sprake is van visuele en auditieve prikkels terwijl de functie van schadecorrespondent om die reden in bezwaar is vervallen. Daarnaast heeft zij in deze functies geen werkplekken kunnen vinden die zich in een redelijke afstand tot haar bevinden. Tot slot verzoekt eiseres de rechtbank om het UWV te veroordelen tot een schadevergoeding.

Toepasselijke wet- en regelgeving

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank dient te beoordelen of het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres terecht heeft vastgesteld op 60,55%. Daartoe dient de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de aan haar voorgehouden functies te verrichten.

7. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossieronderzoek, anamnese, psychisch onderzoek door de verzekeringsarts, aanvullend medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, hetgeen is gesteld tijden de hoorzitting van

19 maart 2024 en in het bezwaarschrift en de medische informatie afkomstig van de behandelend sector. Het medisch onderzoek heeft naar het oordeel van de rechtbank op zorgvuldige wijze plaatsgevonden. De stelling van eiseres dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische informatie heeft opgevraagd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel mag varen. Het benaderen van de behandelend sector is alleen aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend artsen een beredeneerd afwijkend standpunt hebben over de beperkingen. Die situatie heeft zich hier niet voorgedaan.

8. Partijen verschillen van mening over de vraag tot welke beperkingen de klachten van eiseres moeten leiden. Met name houdt partijen verdeeld de vraag of per datum in geding een verdergaande urenbeperking nodig is, vanwege de vermoeidheids- en energetische klachten van eiseres als gevolg van Post-Covid.

9. Zoals uit de rapportages van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt zijn de verzekeringsartsen ervan uitgegaan dat de klachten en beperkingen van eiseres worden veroorzaakt door het Post-Covid-Syndroom. In de FML is opgenomen dat eiseres gemiddeld 6 uur per dag en 30 uur per week kan werken.

10. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van (aan Post-Covid gerelateerde) vermoeidheids- en energetische klachten onvoldoende is gemotiveerd waarom deze geen aanleiding kunnen geven voor een (verdergaande) urenbeperking. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt onvoldoende in hoeverre de door eiseres ervaren belemmeringen zijn getoetst op consistentie en plausibiliteit. Met andere woorden, of de ervaren belemmeringen op basis van objectieve medische maatstaven aan ziekte of gebrek bij eiseres kan worden toegeschreven – en zo ja, wat daar dan het gevolg van is voor het aannemen van beperkingen.

11. De rechtbank acht hiervoor van belang dat de vermoeidheidsklachten van eiseres zijn ontstaan na een doorgemaakte Covid-infectie. Zoals ook volgt uit de uitspraak van de Raad van 28 november 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2459) is zowel over de oorzaak van het Post-Covid-Syndroom als over een eventuele adequate behandeling nog maar weinig bekend. Bij die stand van zaken komt naar het oordeel van de rechtbank extra gewicht toe aan een zorgvuldige weging van de klachten en belemmeringen op consistentie en plausibiliteit. In bezwaar en beroep heeft eiseres haar klachten en beperkingen uitvoerig en consistent toegelicht. Zij heeft een Covid-besmetting opgelopen in het ziekenhuis waar zij werkzaam was op de Covid afdeling. Eiseres is na deze besmetting weer aan het werk gegaan, maar is toch weer uitgevallen door voornamelijk de vermoeidheidsklachten en doordat zij zich niet kon concentreren. Zij is op advies van de bedrijfsarts altijd 3 x 3 uur blijven werken en de rest van de week had zij nodig om daarvan bij te komen. Daarnaast had zij dagelijks te maken met PEM-klachten. Eiseres slaapt veel en staat meestal niet uitgerust op. Ook in het dagverhaal van eiseres komt naar voren dat zij overdag veel moet rusten. De vermoeidheids- en PEM-klachten van eiseres, zoals hiervoor besproken, worden ook door de longarts [persoon C] bevestigd in haar verslagen. In het licht van de op eiseres betrekking hebbende medische informatie, de vele inspanningen van eiseres gericht op herstel (fysiotherapie, ergotherapie, multi-disciplinaire revalidatie) zonder duidelijke verbetering en de serieuze re-integratie in spoor 2 onder verantwoordelijkheid van bedrijfsarts die niet tot een opbouw van uren heeft kunnen leiden, komt de rechtbank het dagverhaal en klachtenverhaal van eiseres zoals ter zitting nader toegelicht plausibel voor.

12. Gelet op het beeld van eiseres zoals dat volgt uit het klachtenverhaal en het dagverhaal en de medische gegevens is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep de urenbeperking van 6 uur per dag en

30 uur per week onvoldoende hebben gemotiveerd. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit de rapportage van de bedrijfsarts van 20 september 2022 blijkt dat eiseres belastbaar werd geacht voor 3 x 3 uur per week. De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 16 december 2022 opgemerkt zich niet te kunnen vinden in de sociaal medische begeleiding vanwege deze mineure urenbeschikbaarheid. Daarbij is door de verzekeringsarts echter niet gemotiveerd waarom een urenbeperking tot 6 uur per dag passend is voor eiseres. In de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2024 wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook bevestigd dat de conclusie voor de gegeven urenbeperking niet wordt toegelicht. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep komt de conclusie echter logisch voort uit de objectieve medische gegevens. Uit de onderzoeken in de curatieve sector blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat sprake is van een postinfectieuze moeheid na covid waarbij sprake is van een beperkt inspanningsvermogen en deconditionering, maar zonder aanwijzingen voor onderliggende cardiopulmonale problematiek. Bij afwezigheid van overige ernstige somatische- of psychiatrische aandoeningen (bijvoorbeeld ernstige cardiale- of pulmonale problematiek, een maligniteit of ernstig depressief/psychotisch beeld) die een sterk afgenomen energieniveau aannemelijk maken, is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in ruime mate rekening gehouden met de ervaren vermoeidheidsklachten. Uit deze aanvullende motivering kan de rechtbank ook niet afleiden waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres in staat acht om 5 dagen 6 uur per dag arbeid te verrichten, ondanks de klachten en beperkingen van eiseres zoals die uit het klachtenverhaal en het dagverhaal van eiseres naar voren komen.

Conclusie en gevolgen

13. Zoals onder punt 10, 11 en 12 is overwogen bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is daardoor in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.

Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering van de verzekeringsarts (al dan niet na nader onderzoek of spreekuurcontact) of hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Indien het herstellen van het gebrek leidt tot aanpassing van de FML, zal ook de arbeidskundige beoordeling opnieuw moeten worden verricht.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die naar voren zijn gebracht voorafgaand aan de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten, het griffierecht en de eventuele schadevergoeding nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- bepaalt dat eiseres een termijn van vier weken krijgt om te reageren op de aanvullende motivering van het UWV;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand