Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/694720 / FA RK 25-1332
Beschikking van 28 juli 2025 over vervangende toestemming op grond van artikel 1:253a BW
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. S.I. Kouwenhoven te Naaldwijk,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
advocaat mr. D.Z. Celik te Amsterdam.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 februari 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, van 19 maart 2025;
het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 21 maart 2025;
de berichten van de vrouw van 14 mei 2025, 2 juni 2025 en 25 juni 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 juni 2025. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] (hierna: [voornaam minderjarige] ).
Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
De hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] is bij de vrouw.
3. De beoordeling
Verzoek tot verhuizing
De vrouw verzoekt vervangende toestemming te verlenen om met [voornaam minderjarige] naar Spijkenisse te verhuizen.
De man voert verweer en verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij hem zal zijn en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) zal worden gewijzigd.
De kern van het geschil is of [voornaam minderjarige] in [woonplaats] moet blijven wonen of dat zij naar Spijkenisse mag verhuizen en daar naar school mag gaan.
De man heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de huidige situatie – waarbij de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] bij de vrouw is en [voornaam minderjarige] een zorgregeling heeft met de man – zou moeten wijzigen als de vrouw in [woonplaats] blijft wonen. Omdat de vrouw heeft gesteld niet te zullen verhuizen als er geen toestemming is van de rechtbank, zal de rechtbank eerst beoordelen of de vrouw met [voornaam minderjarige] mag verhuizen.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de betreffende minderjarige wenselijk voorkomt. Bij de beantwoording van de vraag of een ouder vervangende toestemming moet krijgen om met een minderjarige te verhuizen, staan de belangen van de minderjarige weliswaar voorop, maar, naar vaste rechtspraak moet de rechter bij de beslissing in een geschil als dit alle omstandigheden van het geval in acht nemen en alle betrokken belangen afwegen (zie ook HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901).
Tegenover het belang van een ouder bij wie de minderjarige hoofdverblijfplaats heeft om de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, kunnen andere belangen van de minderjarige of van de andere ouder staan. In de afweging van alle belangen kunnen onder meer de volgende omstandigheden betrokken worden:
de noodzaak om te verhuizen;
de bestendigheid van de nieuwe relatie van de verhuizende ouder;
het aanbieden van alternatieven of compensatie voor de verminderingen van de contactmogelijkheden met de andere ouder;
de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing;
de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
de reisafstand.
De rechtbank zal hierna stilstaan bij deze omstandigheden.
Primair betoogt de man dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen omdat de verhuizing in strijd is met de afspraken die partijen daarover in het ‘werkplan’, dat voorafging aan het ouderschapsplan, zouden hebben gemaakt. De rechtbank volgt dit verweer niet. De rechtbank stelt vast dat het door de man overgelegde werkplan niet door partijen is ondertekend. Nu de vrouw betwist dat de afspraken in het werkplan definitief waren, is niet gebleken van bindende afspraken.
Uit de overgelegde stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is voldoende gebleken dat sprake is van een noodzaak tot verhuizing. De vrouw woont op dit moment in een woning waarin [voornaam minderjarige] geen eigen slaapkamer heeft en samen met de vrouw in een stapelbed slaapt. Die situatie is niet lang houdbaar, hetgeen door de man ook niet wordt betwist. De vrouw heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat er in de omgeving van [woonplaats] op dit moment geen geschikte andere woningen beschikbaar zijn. De man heeft naar voren gebracht dat er dichterbij, namelijk in Vlaardingen wel een woning beschikbaar is. De rechtbank overweegt daarover dat de noodzaak om te verhuizen samenvalt met de wens van de vrouw om met haar nieuwe partner en [voornaam minderjarige] een gezinsleven op te bouwen. De nieuwe partner van de vrouw heeft een geschikte woning in Spijkenisse. Een verhuizing naar Vlaardingen zou betekenen dat zowel de vrouw en [voornaam minderjarige] als de nieuwe partner van de vrouw, moeten verhuizen. Dat laatste is volgens de vrouw geen reële optie. Gelet op het voorgaande is de noodzaak voor de verhuizing naar Spijkenisse voor de rechtbank voldoende gebleken.
Hoewel de man stelt dat geen sprake is van een bestendige relatie, wordt dit door de vrouw betwist. De vrouw verklaart dat zij al twee jaar een relatie heeft en regelmatig bij haar nieuwe partner in Spijkenisse is, samen met [voornaam minderjarige] . Voor de rechtbank blijkt daaruit dat het een voldoende bestendige relatie is.
Weliswaar is door de verhuizing sprake van meer reistijd (ongeveer drie kwartier langer, 33 kilometer) maar de zorgregeling kan gelijk blijven aan hoe de regeling op dit moment is. Dat betekent echter wel dat een deel van de zorgregeling besteed wordt aan het reizen, zoals de man stelt. Daartegenover staat dat de vrouw daarvoor compensatie heeft aangeboden in het contact tussen de man en [voornaam minderjarige] op studiedagen of in de vakantie en eventueel op extra momenten. Door de verhuizing zullen de mogelijkheden voor ad hoc contactmomenten tussen de minderjarige en de man beperkter worden, zoals door de man gesteld. Door de vrouw is gemotiveerd betoogd dat er op dit moment ook geen ad hoc contacten zijn. De verhuizing zal de frequentie van dat soort contact dan ook niet wijzigen. Daarbij komt dat de vrouw zich ook ten aanzien hiervan bereid heeft getoond om te praten over extra omgang. Ook heeft zij concrete voorstellen gedaan in zowel de stukken als tijdens de mondelinge behandeling, waarbij zij aanbiedt dat de man een extra dag contact kan hebben met [voornaam minderjarige] . Gelet op dit alles gaat de rechtbank voorbij aan het punt van de man dat de zorgregeling en daarmee de band tussen de man en [voornaam minderjarige] in het gedrang komt.
Alle belangen tegen elkaar afwegend, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming te verlenen tot een verhuizing toewijzen.
Vervangende toestemming inschrijving basisschool
De vrouw verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [voornaam minderjarige] op een basisschool in Spijkenisse.
De man voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
De man wil niet dat [voornaam minderjarige] van schoolt wisselt, ook niet als, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, de vrouw met [voornaam minderjarige] mag verhuizen. Volgens de man gaat het nu goed op school, nadat het een tijd lang minder goed ging. Volgens de man heeft [voornaam minderjarige] baat bij een stabiele situatie. Volgens de raad is een schoolwissel voor een minderjarige van de leeftijd van [voornaam minderjarige] niet zo ingrijpend. De rechtbank volgt het advies van de raad en is van oordeel dat [voornaam minderjarige] in Spijkenisse naar school moet gaan. De rechtbank is het met de man eens dat stabiliteit goed is voor een minderjarige. Tegelijkertijd is het ook van belang dat het sociale netwerk van [voornaam minderjarige] zich in haar nieuwe woonplaats afspeelt. Dat betekent dat de school van [voornaam minderjarige] ook in Spijkenisse moet zijn.
De rechtbank merkt op dat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben toegezegd dat als de rechtbank bepaalt dat moet worden verhuist en de school moet wijzigen, partijen dan samen zullen zoeken naar een school in Spijkenisse waar zij allebei achter staan. De rechtbank gaat er van uit dat partijen dit zullen doen. Tegelijkertijd is de rechtbank van oordeel dat [voornaam minderjarige] na de zomer direct moet kunnen starten op haar nieuwe school en dat er geen onduidelijkheid moet ontstaan. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen in die zin dat deze toestemming pas ingaat een week voor de start van het schooljaar en voor het geval partijen dan geen overeenstemming over een school hebben.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
De man verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem zal zijn. De man verzoekt daarnaast de zorgregeling te wijzigen waarbij [voornaam minderjarige] (primair, naar de rechtbank begrijpt) doordeweeks bij de man verblijft en eens in de twee weken een weekend bij de vrouw verblijft en subsidiair co-ouderschap aan te gaan waarbij [voornaam minderjarige] één hele week bij de vrouw blijft en één week bij de man (waarbij de vrouw op maximaal 20 minuten afstand van de man woont).
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen. Op grond van datzelfde artikel kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen alsmede, met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a lid 3 BW.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de verhuizing en over de schoolkeuze, acht de rechtbank het niet in het belang van [voornaam minderjarige] om de zorgregeling te wijzigen in een door de man verzochte regeling. Een wijziging van de zorgregeling zou betekenen dat [voornaam minderjarige] bijna dagelijks (bij een weekendregeling met de vrouw) en anders vijf keer per week (bij een co-ouderschap) heen en weer moet rijden naar Spijkenisse omdat zij daar op school zal zitten. Omdat de vrouw betoogt dat de zorgregeling niet hoeft te wijzigen ten opzichte van de huidige zorgregeling zal de rechtbank de huidige zorgregeling in stand laten. Het staat partijen vrij om een ruimere zorgregeling af te spreken, in het kader van de compensatie zoals overwogen in randnummer 3.1.10
Nu de zorgregeling niet zal wijzigen, zal de hoofdverblijfplaats van [voornaam minderjarige] de vrouw volgen naar Spijkenisse en zal het verzoek van de man ten aanzien van de wijziging van het hoofdverblijf worden afgewezen.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
verleent de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] naar Spijkenisse te verhuizen;
verleent de vrouw, voor het geval uiterlijk een week voor de aanvang van het schooljaar door de man geen toestemming is gegeven, vervangende toestemming voor het inschrijven van de minderjarige op een basisschool in Spijkenisse;
bepaalt dat de vervangende toestemmingen onder 4.1. en 4.2. strekken tot vervanging van de vereiste toestemmingen van de man;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.