Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/170119-23
Datum uitspraak: 16 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboorteland] op [geboortedatum] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres], [postcode] [plaatsnaam],
raadsman mr. D.J. van Rinsum, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2025.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Daalder heeft gevorderd:
- vrijspraak van het ten laste gelegde.
4. Waardering van het bewijs
Vrijspraak
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen.
Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven in werking getreden, welke wet de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld heeft verruimd. Het aan de verdachte ten laste gelegde feit is van voor de inwerkingtreding van die wet. Het onderhavige feit wordt daarom beoordeeld aan de hand van de ‘oude’ zedenwetgeving die gold tot 1 juli 2024. Artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) betreft verkrachting. Dat oude artikel vereist voor strafbaarheid het door (bedreiging met) geweld of een andere feitelijkheid dwingen van de ander tot (het plegen dan wel ondergaan van) de seksuele handelingen.
Voor een bewezenverklaring van dwang onder dit oude wetsartikel is vereist dat komt vast te staan dat de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer seksuele handelingen tegen de (kenbare) wil ondergaat. Daarbij heeft de rechtbank onder meer acht geslagen op HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194. Bewezen dient te worden dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest. Hiervoor is enige vorm van verzet nodig of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart, zoals onvrijheid veroorzaakt door geweld of een bedreigende sfeer. Bovendien moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het dwingen. De verdachte moet hebben geweten van de onvrijwilligheid aan de kant van het slachtoffer én moet opzettelijk een situatie in het leven hebben geroepen waaraan het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet heeft kunnen onttrekken. Een kenbaar “nee” van het slachtoffer wordt voor een bewezenverklaring niet zonder meer voldoende geacht. Dit geldt evenzeer voor situaties waarin een slachtoffer fysiek bevriest van angst en zich daardoor niet kan uiten of verzetten.
Bewezen moet dus worden dat het slachtoffer door (bedreiging met) geweld en/of een (andere) feitelijkheid is gedwongen de seksuele handelingen te ondergaan. De rechtbank heeft acht geslagen op de conclusie van 23 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:280. Geweld kan bestaan uit het aanwenden van fysieke kracht. Het geweld moet van voldoende kaliber zijn om de weerstand van de ander te breken. Onder een feitelijkheid vallen blijkens rechtspraak uiteenlopende typen gedragingen, waaronder: fysieke handelingen (bijvoorbeeld het stevig vastpakken van het slachtoffer), gebiedende taal gebruiken, het aanwenden van gezag of overwicht, onverhoeds seksueel handelen en handelen in een situatie waarin het slachtoffer zich onafhankelijk van de verdachte niet aan dat handelen kan onttrekken. Van door ‘een feitelijkheid’ dwingen kan sprake zijn indien de verdachte een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht, dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen de betreffende handelingen van de verdachte heeft kunnen verzetten, of dat het slachtoffer in een zodanig door de verdachte veroorzaakte (bedreigende) situatie is gebracht dat het slachtoffer zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken, zie ook de conclusie van 16 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:415.
In onderhavige zaak wordt de verdachte niet verweten noch is uit het dossier gebleken dat sprake is geweest van (bedreiging met) geweld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de medeverdachten. Gelet op de formulering van de tenlastelegging wordt de verdachte verweten dat de dwang is verwezenlijkt door middel van een feitelijkheid, te weten het voorbijgaan aan de verbale protesten van de aangeefster.
Op basis van de verklaringen van de verdachte, diens medeverdachten en de berichten die zijn aangetroffen in de telefoon van de aangeefster stelt de rechtbank vast dat alle betrokkenen op de betreffende avond, dan wel nacht bij elkaar zijn gekomen om seks te hebben. De bewijsmiddelen schetsen een beeld dat de aangeefster vrijwillig is meegegaan naar de hotelkamer en dat zij de groepsseks in ieder geval gedurende enige tijd niet als onprettig heeft ervaren. Dit blijkt uit het in het dossier beschreven filmpje waarop de aangeefster met een lach is te zien. Echter, het dossier bevat ook aanwijzingen dat aangeefster op enig moment geen plezier meer had aan de groepsseks en wilde stoppen met de seks. Dit blijkt uit haar eigen verklaring, die op dit punt wordt ondersteund door die van [getuige] en de (anonieme) mentor, die verklaren dat zij de volgende dag boos en ontdaan was en heeft gezegd dat zij pijn had gehad en wilde stoppen. Echter niet kan worden vastgesteld op welke wijze de aangeefster aan de verdachte en/of de medeverdachten precies kenbaar heeft gemaakt dat zij wilde stoppen met de seks of dat zij hadden moeten begrijpen dat de aangeefster wilde stoppen met de seks en dus ook niet dat de verdachte en/of de medeverdachten daar vervolgens in zodanige mate aan voorbij zijn gegaan dat van ‘dwang’ in de zin van art. 242 (oud) Sr gesproken kan worden gesproken.
De rechtbank spreekt de verdachte, gelet op het bovenstaande, vrij. De rechtbank benadrukt dat zij de ervaring van de aangeefster met deze vrijspraak niet wil bagatelliseren, maar dat zij moet beoordelen of de gedragingen waar het hier om gaat de drempel van de strafwaardigheid halen. Zoals hiervoor toegelicht halen de vast te stellen feiten de drempel voor het vaststellen van dwang onder de oude wetgeving niet.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5. Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij]. De benadeelde partij vordert een vergoeding van €5.000,- aan immateriële schade.
Beoordeling
De [benadeelde partij] zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het feit ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt gevorderd.
Nu de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
6. Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
7. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de [benadeelde partij] de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Zinnen, voorzitter,
en mrs. W.J.M. Diekman en T. Urbanus, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 8 mei 2021 te Dordrecht
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, te weten door voorbij te gaan aan haar verbale protesten,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer
handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],
te weten het brengen en/of houden van zijn penis in haar mond en/of vagina
( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht )