vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/689877 / HA ZA 24-1036
Vonnis van 23 juli 2025
in de zaak van
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,
tegen
[gedaagde] .,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde,
advocaat mr. J. Mulder te Hoogeveen.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 30 september 2024 met producties 1 tot en met 14;
de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;
de brief van de rechtbank van 6 februari 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
de brief van de rechtbank van 23 april 2025 met de zittingsagenda;
de akte met aanvullende producties 15 en 16 van [eiseres] ;
de mondelinge behandeling van 28 mei 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van [eiseres] en [gedaagde] .
2. De zaak in het kort
[gedaagde] heeft voor [eiseres] (feitelijk) het vervoer van twee ladingen met cashewnoten uitgevoerd. Achteraf is gebleken dat de koper van de cashewnoten met wie [eiseres] overeenkomsten is aangegaan een oplichter was, die er met de cashewnoten vandoor is gegaan zonder te betalen. [eiseres] wil dat [gedaagde] haar schade vergoedt, omdat [gedaagde] niet heeft afgeleverd op het overeengekomen afleveradres en geen instructies heeft gevraagd aan [eiseres] . [gedaagde] betwist dat de schade op haar kan worden verhaald.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] , omdat zij de ladingen correct heeft afgeleverd en niet gehouden was om op dat moment nog instructies te vragen aan [eiseres] . Dit oordeel van de rechtbank wijkt af van het voorlopig oordeel dat zij op zitting aan partijen heeft gegeven. Nadere bestudering van de CMR en de jurisprudentie daaromtrent hebben ertoe geleid dat de rechtbank tot andere inzichten is gekomen. De rechtbank licht hierna toe waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
3. Wat is er gebeurd?
[eiseres] is onder andere gespecialiseerd in de handel in noten en [gedaagde] is gespecialiseerd in het internationaal vervoer van goederen over de weg.
Op 16 mei 2023 is [eiseres] door een partij die zich voordeed als [naam bedrijf 1] (hierna: “ [naam bedrijf 1] ”) per e-mail benaderd. “ [naam bedrijf 1] ” heeft zich aan [eiseres] voorgesteld als onderdeel van de [naam supermarktketen] (een grote Franse supermarktketen) en aangegeven dat zij op zoek was naar leveranciers.
Tussen [eiseres] en “ [naam bedrijf 1] ” zijn twee koopovereenkomsten tot stand gekomen op grond waarvan [eiseres] cashewnoten zou leveren tegen betaling door “ [naam bedrijf 1] ”. Door “ [naam bedrijf 1] ” werd als afleveradres voor de ladingen cashewnoten opgegeven: ‘ [adres 1] , [postcode] [plaats] , Frankrijk’.
Op 30 mei 2023 heeft [eiseres] aan VWA ( [naam opdrachtgever] Warehousing Alblasserdam) B.V. (hierna: VWA) opdracht gegeven voor het vervoer van een lading cashewnoten vanuit het warehouse van VWA in Alblasserdam, Nederland naar het door “ [naam bedrijf 1] ” opgegeven afleveradres in Frankrijk (hierna: de eerste lading).
Het vervoer van de eerste lading heeft VWA uitbesteed aan [gedaagde] .
De chauffeur van [gedaagde] die de eerste lading heeft vervoerd heeft als volgt verklaard:
“Op 6 juni 2023 om 10.47 uur kom ik aan bij het losadres zoals gecommuniceerd door de planning [gedaagde] en vermeld op de CMR:
[naam bedrijf 2]
[adres 1]
[postcode] [plaats]
Frankrijk
Een zwarte man vertelde mij dat ik moest leveren bij een ander magazijn om de hoek. Hij wees me de weg door voor de vrachtwagen uit te lopen. We reden tot aan het eerste gebouw rechts waar twee laaddocks waren. Volgens de GPS coördinaten gelegen op het volgende adres:
[adres 2]
[plaats]
Frankrijk
Ik zette de vrachtwagen voor een laaddock waar de mensen van het magazijn om 10.58 uur de 13 pallets met cashewnoten losten. Verder geen problemen en geen opmerkingen. Zij tekenden en stempelden de CMR en om 11.17 uur reed ik naar mijn volgende adres.”
Op 12 juni 2023 heeft [eiseres] voor de tweede keer aan VWA opdracht gegeven voor het vervoer van een lading cashewnoten vanuit het warehouse van VWA in Alblasserdam, Nederland naar het door “ [naam bedrijf 1] ” opgegeven afleveradres in Frankrijk (hierna: de tweede lading).
Het vervoer van de tweede lading heeft VWA uitbesteed aan [gedaagde] Logistik GmbH te Duitsland (hierna: [gedaagde] Duitsland). [gedaagde] Duitsland heeft het vervoer vervolgens weer uitbesteed aan haar Nederlandse zusteronderneming: [gedaagde] .
De chauffeur van [gedaagde] die de tweede lading heeft vervoerd heeft als volgt verklaard:
“Op 19 juni 2023 om 11.35 uur kom ik aan bij het losadres zoals gecommuniceerd door de planning [gedaagde] en vermeld op de CMR:
[naam bedrijf 2]
[adres 1]
[postcode] [plaats]
Frankrijk
Na aankomst op bovenstaand adres heb ik me gemeld bij het magazijn. Een daar aanwezige medewerker vertelde mij dat ik moest lossen bij een aangrenzend gebouw. Deze medewerker belde vervolgens met zijn collega op een andere locatie, waarna een donkere man met veiligheidshesje arriveerde. Deze man wees mij de weg naar het aangrenzende gebouw. Volgens de GPS coördinaten gelegen op het volgende adres:
[adres 2]
[plaats]
Frankrijk
Om 11.40 uur arriveerde ik bij het laaddock van het gebouw op bovengenoemd, gewijzigd, adres (een straat direct achter het gebouw op het oorspronkelijke adres). Daar heerste veel bedrijvigheid. In de loods waren 5 mensen bezig met onder andere het verplaatsen van pallets. Deze medewerkers hebben vervolgens aan het laaddock mijn vracht van 18 pallets gelost.
Om 12.44 uur heb ik via de boordcomputer aan de planning [gedaagde] gemeld dat ik op een ander adres, dan oorspronkelijk opgegeven, heb moeten lossen en kreeg hiervoor akkoord. De opdrachtgever [naam opdrachtgever] was inmiddels door de planning [gedaagde] op de hoogte gebracht en akkoord.
Het lossen duurde van 11.45 uur tot 12.48 uur. Hierbij zijn alle goederen in de loods neergezet. Deze loods stond vol met andere goederen. Na het lossen kreeg ik op de vrachtbrief een stempel en handtekening voor ontvangst van de goederen. Deze stempel week af van de losplaats. Als verklaring hiervoor gaven de medewerkers van de loods aan dat deze door de klant gehuurd werd.
Vervolgens ben ik weggereden.”
Eind augustus 2023, nadat betalingen door “ [naam bedrijf 1] ” uitbleven, is gebleken dat “ [naam bedrijf 1] ” niet de echte [naam bedrijf 1] was, maar een oplichter die de naam van [naam bedrijf 1] heeft misbruikt en er met de door [gedaagde] afgeleverde cashewnoten vandoor is gegaan zonder [eiseres] te betalen.
4. De standpunten van partijen
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] als opvolgend vervoerder aansprakelijk is voor het verlies van de ladingen op grond van de artikelen 17, 34 en 36 CMR, omdat de chauffeurs van [gedaagde] de ladingen niet hebben gelost op het adres uit de vervoersopdracht, maar op een ander adres, zonder dat deze wijziging met [eiseres] is besproken. [eiseres] wijst erop dat [gedaagde] aan [eiseres] instructies had moeten vragen op grond van artikel 15 lid 1 CMR en ‘best practices’ op dit punt en dit ten onrechte niet heeft gedaan. [eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar de schade ad € 166.666,84 te vergoeden, te vermeerderen met de CMR-rente en kosten.
[gedaagde] betwist dat zij gehouden is om (de gevorderde) schade aan [eiseres] te vergoeden, omdat:
[gedaagde] geen opvolgend vervoerder is als bedoeld in artikel 34 e.v. CMR;
de vordering ten aanzien van de tweede lading is verjaard;
[gedaagde] - als zij wel opvolgend vervoerder zou zijn - niet aansprakelijk is op grond van de CMR, omdat:
o [eiseres] uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar beschikkingsrecht en;
o [gedaagde] heeft voldaan aan haar resultaatverbintenis, omdat de ladingen aan de geadresseerde zijn afgeleverd;
[eiseres] niet heeft voldaan aan haar klachtplicht;
sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] (artikel 17 lid 2 CMR), en;
[gedaagde] niet gehouden is om de gevorderde vrachtprijs te vergoeden.
5. De beoordeling van de rechtbank
[gedaagde] is opvolgend vervoerder in de zin van artikel 34 e.v. CMR
[gedaagde] geldt als opvolgend vervoerder. Aan de eisen die de artikelen 34 e.v. CMR daarvoor stellen, is voldaan. Immers, partijen zijn het erover eens dat (voor beide ladingen geldt dat) het vervoer aan één enkele vervoerovereenkomst werd onderworpen. Het werd niet in verschillende overeenkomsten ‘opgeknipt’. [gedaagde] heeft (voor beide ladingen) de goederen en de vrachtbrief in ontvangst genomen. Niet nodig is dat de goederen en de vrachtbrief door de oorspronkelijke afzender ( [eiseres] ) aan [gedaagde] zijn afgegeven, zoals [gedaagde] meent. De tekst van het CMR-verdrag stelt die eis niet en de verdere inhoud van het verdrag wijst daar ook niet op. Het arrest van de Hoge Raad in de zaak Veldhuizen/Beurskensbiedt, anders dan [gedaagde] betoogt, ook geen steun voor dit standpunt. Dat arrest geeft juist een ruime uitleg aan artikel 34 CMR en dat past ook bij de bedoeling van de regeling over opvolgend vervoer. Uit de artikelen 36-39 CMR volgt immers dat het juist de bedoeling van de regeling voor opvolgend vervoer is dat de ladingbelanghebbende en de verhaalzoekende vervoerder sterker komen te staan. De beperkte uitleg die [gedaagde] aan de regeling geeft past daar niet bij. De conclusie is dat [gedaagde] als opvolgend vervoer (mede)aansprakelijk is onder de twee vervoerovereenkomsten die [eiseres] met VWA heeft gesloten.
De vordering ten aanzien van de tweede lading is niet verjaard
Het verweer van [gedaagde] dat de vordering ten aanzien van de tweede lading is verjaard, omdat [gedaagde] Duitsland nimmer door [eiseres] aansprakelijk is gesteld verwerpt de rechtbank. [eiseres] heeft haar vordering ingesteld tegen [gedaagde] en kan - zoals hiervoor is gebleken - [gedaagde] hiervoor als opvolgend vervoerder ook aansprakelijk houden. Als de vordering tegen [gedaagde] Duitsland als ‘papieren’ vervoerder die de opdracht aan [gedaagde] heeft verstrekt al zou zijn verjaard, dan volgt hieruit niet dat ook de vordering tegen [gedaagde] is verjaard. Ook verder heeft [gedaagde] niets gesteld, en is niets gebleken op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de vordering ten aanzien van de tweede lading is verjaard.
[eiseres] heeft geen afstand gedaan van haar beschikkingsrecht
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van haar beschikkingsrecht om te beslissen waar de goederen gelost dienden te worden, omdat zowel op de transportopdrachten als op de CMR-vrachtbrieven een concrete losinstructie stond vermeld: om te lossen diende te worden gebeld met het op de transportopdracht en de CMR-vrachtbrief vermelde telefoonnummer (artikel 12 lid 3 CMR).
De rechtbank oordeelt dat van de situatie als bedoeld in het derde lid van artikel 12 CMR geen sprake is. Vast staat dat op de transportopdrachten en op de CMR-vrachtbrieven een telefoonnummer (en bij de eerste lading ook een naam) stond vermeld bij ‘losinstructie’. Ook staat vast dat voorafgaand aan de levering van de ladingen op 6 en 16 juni 2023 door [gedaagde] op verzoek van [eiseres] contact is opgenomen met dat telefoonnummer. Het doel van dit telefonisch contact was echter - zoals [eiseres] onweersproken heeft gesteld - om het aankomsttijdstip van de chauffeurs door te geven en niet om de plaats van aflevering te (laten) bepalen. Deze stelling van [eiseres] wordt bevestigd in de e-mails hierover die door [gedaagde] zijn overgelegd bij productie 4 waarin staat:
e-mail van 6 juni 2023 aan [gedaagde] :
“Auto is er nog niet en mijn klant vraagt het onderstaande: Kunnen jullie per omgaande de chauffeur met contact person: (…) Phone: (…) laten bellen?”
e-mail van 16 juni 2023 aan [gedaagde] :
“Is het mogelijk dat jullie contact opnemen met de klant daar voor de levertijd maandag.”
Met het laten doorgeven van de aankomsttijd van de chauffeurs heeft [eiseres] geen afstand gedaan van haar beschikkingsrecht. Hieruit volgt immers niet dat de geadresseerde (nader) zou (kunnen) bepalen waar de ladingen geleverd zouden moeten worden. De opmerking bij ‘losinstructie’ op de CMR-vrachtbrief kan dan ook niet worden aangemerkt als een vermelding in de zin van artikel 12 lid 3 CMR waarmee het beschikkingsrecht vanaf het opmaken van de vrachtbrief aan de geadresseerde zou toekomen.
[gedaagde] is niet aansprakelijk
Niet in geschil is dat de ladingen feitelijk ter beschikking zijn gesteld aan de in de vrachtbrief en vervoersopdracht bedoelde geadresseerde “ [naam bedrijf 1] ”. Het is niet zo dat een vervoerder alleen aan zijn resultaatverbintenis kan voldoen door af te leveren op het adres dat op de vrachtbrief is vermeld. Aflevering aan de geadresseerde is zelfs mogelijk zonder de goederen fysiek te lossen. De chauffeurs mochten en moesten zich, eenmaal aangekomen op de plaats van de bestemming richten naar de instructies van de geadresseerde nu deze aangaf de ladingen in ontvangst te willen nemen, en waren niet gehouden eerst instructies van [eiseres] als afzender te vragen.
Ter zitting hebben partijen gediscussieerd over de vraag wat er is gebeurd op het moment dat de chauffeurs op 6 en 19 juni 2023 aankwamen op het opgegeven afleveradres. [gedaagde] heeft in dit verband verwezen naar de verklaringen van de chauffeurs (zie 3.6 en 3.9). [eiseres] heeft betwist dat de chauffeur van de tweede lading zich bij het magazijn heeft gemeld en heeft erop gewezen dat uit de verklaringen niet (goed) blijkt waar de chauffeurs zich precies hebben gemeld.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van de chauffeurs voldoende duidelijk blijkt hoe de feitelijke aflevering van de ladingen heeft plaatsgevonden en dat hieruit niet blijkt van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de chauffeurs anders hadden moeten handelen dan zij hebben gedaan. Hierbij weegt de rechtbank mee dat in deze zaak vast staat dat is afgeleverd aan de rechthebbende geadresseerde en dat een eventueel onderzoek door de chauffeurs naar de identiteit van de geadresseerde in deze zaak geen verschil zou hebben gemaakt. De CMR-vrachtbrieven zijn ook voor ontvangst door “ [naam bedrijf 1] ” afgetekend.
De plicht om instructies te vragen op grond van artikel 15 lid 1 CMR - waar [eiseres] zich op beroept - gaat hier niet op, omdat geen sprake was van omstandigheden die de aflevering beletten. “ [naam bedrijf 1] ” weigerde immers niet om de ladingen in ontvangst te nemen noch was het anderszins voor [gedaagde] onmogelijk om de ladingen af te leveren aan de geadresseerde. Ook de ‘best practices’ waar [eiseres] naar verwijst als opgenomen in een brochure van het Verbond van Verzekeraars maken niet dat de chauffeurs aan [eiseres] instructies hadden moeten vragen. Gesteld noch gebleken is dat wat hierin staat onderdeel uitmaakte van de (vervoer)overeenkomst tussen partijen en het strekt te ver om op basis van een enkele verwijzing naar ‘best practices’ in een brochure het onbetaald blijven van de ladingen voor rekening van de vervoerder te laten komen.
[gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank de ladingen dan ook correct afgeleverd. Dat [eiseres] daardoor haar grip op de onbetaalde ladingen is verloren, zoals ruim twee maanden later bleek, komt in dit geval niet voor rekening van de wegvervoerder. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Omdat de vorderingen van [eiseres] op deze grond worden afgewezen zal de rechtbank niet ingaan op de andere verweren die [gedaagde] heeft aangevoerd.
[eiseres] moet € 10.653,00 aan proceskosten betalen
De rechtbank zal [eiseres] veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Deze proceskosten worden begroot op:
- griffierecht € 6.617,00
- salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten x € 1.929,00)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 10.653,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv).
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 10.653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2025.
2459/1182/1885