[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: G.N. Weski
Officier van justitie: M.L.M. Kuiper
Tenlastelegging
De verdachte wordt door de officier van justitie beschuldigd van het invoeren van 54 kilo cocaïne en het zonder toestemming verblijven op een haventerrein. De volledige tenlastelegging houdt in dat de verdachte:
1.
op of omstreeks 26 november 2024, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
ongeveer 54 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2.
op of omstreeks 26 november 2024 te Rotterdam, althans in Nederland wederrechtelijk
heeft verbleven op een in een haven, luchthaven en/of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen te weten het besloten terrein van [bedrijf 1] , gelegen aan [adres 2] te Rotterdam en/of [bedrijf 2] , gelegen aan [adres 3] te Rotterdam.
Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de onder 1 en 2 omschreven feiten bewezen kunnen worden.
Oordeel rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
1
op 26 november 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 54 kilogram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
op 26 november 2024 te Rotterdam wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen te weten het besloten terrein van [bedrijf 1] , gelegen aan [adres 2] te Rotterdam en [bedrijf 2] , gelegen aan [adres 3] te Rotterdam.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de opgave van de bewijsmiddelen. Met een opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak.
1. De verklaring van de verdachte op de zitting van 12 februari 2025
2. Bevindingen van de politie
3. Bevindingen van de politie
4. Bevindingen van de politie
Verboden gedraging en de strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
1.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
2.
het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen
Strafbaarheid feit en verdachte
De verdachte en de feiten zijn strafbaar.
Motivering van de straffen
Eis officier van justitie
De officier van justitie vindt dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden moet worden opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met bijzondere voorwaarde: locatieverbod haventerrein.
Oordeel rechtbank
Ernst en gevolgen van het feit
In de haven van Rotterdam waar de verdachte zonder toestemming verbleef, heeft hij samen met zijn medeverdachte cocaïne uit de container gehaal en in twee rugzakken gedaan. De verdachte is daarmee betrokken geweest bij een groot cocaïnetransport van 54 kilo van Zuid-Amerika naar de haven van Rotterdam. Het op de markt brengen van deze harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Daarnaast wordt met de handel in cocaïne veel geld verdiend en deze handel gaat daardoor gepaard met vele vormen van - ook zeer ernstige - criminaliteit. Dit alles vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Voor de havens, de haventerreinen, de bedrijven werkzaam in de containersector, douane, politie en justitie leveren de activiteiten rondom deze cocaïnetransporten daarnaast een enorme kostenpost op.
De strafrechtsketen in het hele land wordt op dit moment overspoeld met zaken waarin (de handel in) cocaïne een (hoofd)rol speelt. Ter voorkoming en bestrijding van dit fenomeen worden voor dat type feiten en meer in het bijzonder de invoer van cocaïne, in het algemeen hoge straffen opgelegd.
Rol van de verdachte
De rol van de verdachte bij de invoer is die van zogenaamde uithaler. Uithalers halen de in containers ‘bijgepakte’ cocaïne uit de haven of verplaatsen die naar andere containers zodat anderen deze later onopgemerkt uit de haven kunnen ophalen.
Aan de ene kant is dat een belangrijke rol in het plegen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit die de invoer van cocaïne is. De uithalersactiviteiten zijn immers van essentieel belang om het cocaïnetransport goed te laten verlopen en daarmee zijn uithalers een onmisbare schakel in de internationale transportketen van cocaïne. Dat de rol belangrijk is blijkt ook wel uit de bedragen die verdiend kunnen worden met het uithalen.
Aan de andere kant is de rol in het geheel beperkt. Het werk van de uithaler is niet meer en niet minder dan de cocaïne voor de eigenaren van die cocaïne uit de haven krijgen. Dat kan een grote of zoals in dit geval een relatief kleine partij blijken te zijn, hetgeen voor de aard van de werkzaamheden op zich geen groot verschil maakt. Het is een bijzonder risicovolle klus waar andere betrokkenen in de keten hun handen niet graag aan vuil maken.
Het ronselen van uithalers lijkt een eenvoudige taak. Uithalers zijn namelijk gemakkelijk inwisselbaar en bij ontdekking eenvoudig te vervangen. Dat komt over het algemeen omdat veel jonge mensen de verlokkingen van het snelle geld niet kunnen weerstaan en de risico’s op de koop toe nemen.
Het uithalen is dan ook onderdeel van een breder maatschappelijk probleem: de georganiseerde criminaliteit is een val waarin vele (jonge) mensen trappen dan wel ongewild in terechtkomen.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van 23 januari 2025 blijkt dat de verdachte recent in Polen is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De verdachte heeft op de zitting over zijn rol verklaard. Mede hiermee heeft de verdachte laten zien dat hij besef heeft van zijn foute handelen. De verdachte wil zich nu focussen op een positieve toekomst.
Rapportage
Jeugdbescherming en reclassering heeft op 27 januari 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Op het leefgebied van de verdachte worden geen problemen geconstateerd. Interventies vanuit de reclassering worden om die reden dan ook niet noodzakelijk geacht.
Passende straf
De rechtbank komt alles afwegende op een gevangenisstraf met een totaalduur van 28 maanden. Daarvan wordt 15 maanden voorwaardelijk opgelegd. De totaalduur van de straf doet recht aan het element van leedtoevoeging dat gelet op de ernst van de feiten niet kan en mag ontbreken in de straf. Die totaalduur komt ook tegemoet aan de strafdoelen van preventie. De verdachte moet goed begrijpen dat bij herhaling in de toekomst het vergeldingsdeel in de straf steeds groter zal zijn en dat daarnaast een voorwaardelijke straf van 15 maanden boven zijn hoofd hangt. Voor anderen - onder meer jonge mensen - moet ook duidelijk zijn dat dit niet de weg is naar het grote geld en dat hoge straffen volgen als zij ook in de fout gaan.
Dat een groot deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk is, biedt de verdachte de kans om het anders te gaan doen. Daarbij wordt hij geholpen door de algemene en bijzondere voorwaarde. De algemene voorwaarde waarschuwt hem. Als hij weer in de fout gaat en strafbare feiten pleegt, kan het voorwaardelijke deel van 15 maanden gevangenisstraf alsnog worden tenuitvoergelegd. Dat kan bij herhaalde invoer, bij wederrechtelijk verblijf in de haven zoals nu bewezenverklaard en ook bij ieder ander strafbaar feit. De bijzondere voorwaarde moeten de verdachte ook helpen om het niet zover te laten komen. Houdt hij zich niet aan deze bijzondere voorwaarde, dan kan ook de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf volgen.
Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 138aa van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Beslissingen in het kort
De rechtbank:
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
Strafbaarheid en kwalificatie
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straffen
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 15 (vijftien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten en verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarde. De veroordeelde zal:
- zich niet bevinden op de Maasvlakte en in de Waalhaven (zie bijlage I voor de verboden gebieden);
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,
en E.M. Rocha en R.D.M. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van C.D. van der Veeke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 februari 2025.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I