[verdachte] ,
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] in [plaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. C.W. Flokstra
Officier van justitie: mr. K.L. Rook
Tenlastelegging
De verdachte wordt door de officier van justitie van het voorhanden hebben van een vuurwapen, een patroonhouder en munitie en het in bezit hebben van een hoeveelheid cocaïne. De volledige beschuldiging houdt in dat de verdachte:
1.op of omstreeks 17 september 2024 te Rotterdam een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een Glock, type 19 Gen 5, kaliber 9x19mm,
en/of onderdeel/hulpstuk van wezenlijke aard en specifiek bestemd voor een vuurwapen,
te weten een lang patroonmagazijn, en/of munitie van cat III, te weten:
kaliber 9x19mm
1 patroon, merk Geco, kaliber 9x19mm,
voorhanden heeft gehad;
2.
op of omstreeks 17 september 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden.
Oordeel rechtbank
Bewezenverklaring
Bewezen is dat de verdachte:
1.op 17 september 2024 te Rotterdam een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een Glock, type 19 Gen 5, kaliber 9x19mm,
en onderdeel/hulpstuk van wezenlijke aard en specifiek bestemd voor een vuurwapen,
te weten een lang patroonmagazijn, en munitie van cat III, te weten:
kaliber 9x19mm
1 patroon, merk Geco, kaliber 9x19mm,
voorhanden heeft gehad;
2.
op 17 september 2024 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Bewijsmotivering en bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen redengevende inhoud van de opgave van de bewijsmiddelen. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak.
Verboden gedraging en de strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het
feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
2.
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De verdachte en de feiten zijn strafbaar.
Motivering van de straf
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en gevolgen van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en 45 stuks bijhorende patronen. Daarnaast had de verdachte 860 gram cocaïne in zijn woning liggen. Dit zijn ernstige feiten. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid en gaat bovendien vaak gepaard met zware en georganiseerde criminaliteit, waarbij ook veelvuldig geweld wordt gebruikt. Dat de verdachte ook een wapen in zijn woning had, maakte de kans op het ontstaan van extreem geweld nog groter. Niet zelden leidt het bezit van een wapen namelijk tot het daadwerkelijk gebruik daarvan en daarom wordt hiertegen streng opgetreden. Behalve dat deze feiten zorgen voor een onaanvaardbaar risico voor de maatschappij, heeft de verdachte ook het risico genomen dat zijn twee jonge kinderen met het wapen, dat in zijn woning onder een bed lag, in aanraking zouden komen.
Persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad van 5 december 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijke strafbare feiten.
Rapportage
De reclassering heeft op 10 maart 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Het risico op recidive en op letsel wordt ingeschat op laag. De rapporteur constateert dat er geen problemen zijn bij de verdachte die nadere interventies vanuit de reclassering nodig maken en adviseert om – bij een veroordeling – geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Conclusie
Gezien de aard en de ernst van het feit is het in beginsel passend om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, die de tijd dat de verdachte tot aan zijn schorsing in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht te boven zou gaan. Echter, de verdachte heeft zich aan de voorwaarden van zijn schorsing gehouden en hij heeft een vaste baan en een gezin. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast een taakstraf van 180 uur. Volgens de reclassering is er geen aanleiding om een toezicht op te leggen en de rechtbank zal dit dan ook niet doen.
Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
In beslag genomen goederen
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, met uitzondering van de geldbedragen die teruggeven dienen te worden aan de verdachte.
Beoordeling
De rechtbank gaat uit van de beslaglijst van 18 maart 2025. Zoals de officier van justitie heeft gevorderd, zullen de in beslag genomen goederen genoemd op de beslaglijst onder de nummers 4 tot en met 25 worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang.
Met betrekking tot de goederen op de beslaglijst onder de nummers 1 en 2 zal een last tot teruggave worden gegeven.
Beslissingen
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen,
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 86 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:- gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geld voor een bedrag van € 6.100,-;
- verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen vermeld op de beslaglijst onder de nummers 4 tot en met 25;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Boer, voorzitter,
en mrs. S.M. den Hollander en R.D.M. de Boer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Voorwinden, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 18 maart 2025.