RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster
Stichting Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (BOOR)
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5748
en
(gemachtigde: mr. C. van der Goot-Koenig).
Procesverloop
1. Op 29 juni 2026 heeft verzoekster beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door Stichting BOOR op haar verzoek van 24 mei 2026. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Stichting BOOR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Stichting BOOR heeft op 7 juli 2026 drie besluiten genomen waarmee de kinderen van verzoekster zijn verwijderd dan wel uitgeschreven van de [naam school] (hierna: de school). Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de partner van verzoekster [naam 1], gemachtigde van Stichting BOOR, [naam 2] (lid centrale directie primair onderwijs Stichting BOOR) en [naam 3] (juridisch beleidsadviseur Stichting BOOR). Het verzoek is gelijktijdig op zitting behandeld met de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen verzoekster en de leerplichtambtenaar van de gemeente Rotterdam (ROT 26/5498, ROT 26/5499 en ROT 26/5500).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het in de zaak om?
2. Verzoekster is moeder van de kinderen [naam 4], [naam 5] en [naam 6]. Verzoekster heeft op 24 mei 2026 aan Stichting BOOR een brief gestuurd waarin zij onder andere verzoekt dat Stichting BOOR per direct voor haar drie kinderen een passende overbruggingsperiode en onderwijscontinuïteit organiseert. Verzoekster heeft vervolgens op 20 juni 2026 een bezwaarschrift verzonden naar Stichting BOOR waarin zij onder andere aangeeft bezwaar te maken tegen de feitelijke weigering van Stichting BOOR om voor 6 juni 2026 een besluit te nemen omtrent passend onderwijs en de invulling van de zorgplicht ten aanzien van haar kinderen. Op 29 juni 2026 heeft verzoekster bij de rechtbank beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door Stichting BOOR op haar verzoek van 24 mei 2026. Met de e-mail van 9 juli 2026 heeft verzoekster aan de rechtbank verzocht om het bezwaarschrift van 20 juni 2026 aan Stichting BOOR aan te merken als een ingebrekestelling wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 24 mei 2026. Verzoekster heeft daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek om voorlopige voorziening gekoppeld aan het beroep van verzoekster tegen het niet tijdig beslissen.
3. Stichting BOOR heeft zich, onder meer in haar reactie van 10 juli 2026, op het standpunt gesteld dat het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Verzoekster heeft met haar brief van 24 mei 2026 een aantal vragen gesteld die neerkomen op de vraag op welke wijze Stichting BOOR invulling geeft aan de zorgplicht ten aanzien van de kinderen van verzoekster. Dit is echter geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waardoor het uitblijven van een reactie en/of een besluit niet gezien kan worden als een fictieve weigering als bedoeld in artikel 6:2, onder b, van de Awb. Ook als op Stichting BOOR een verplichting zou rusten een besluit te nemen, dan is ook de redelijke termijn om een besluit te nemen nog niet verstreken.
4. Op 24 juli 2026 heeft verzoekster op het verweerschrift van Stichting BOOR gereageerd. Verzoekster verwijst in haar reactie naar drie besluiten die Stichting BOOR heeft genomen op 7 juli 2026 die zien op de verwijdering, dan wel uitschrijving van de kinderen van de school. Verzoekster heeft op 9 juli 2026 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Verzoekster vraagt de rechtbank in haar reactie – samengevat – om de besluiten tot verwijdering/uitschrijving ook bij het verzoek om voorlopige voorziening te betrekken, dan wel om een eerdere brief van verzoekster aan de rechtbank van 10 juli 2026 aan te merken als een zelfstandig verzoek om voorlopige voorziening hangende de bezwaren van 9 juli 2026.
5. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter de standpunten van Stichting BOOR aan verzoekster voorgehouden en is de haalbaarheid van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brief van 24 mei 2026 besproken. Omdat verzoekster in deze procedure ook heeft beoogd een voorlopige voorziening te verzoeken met betrekking tot de besluiten tot verwijdering, dan wel uitschrijving, van 7 juli 2026, zijn partijen overeengekomen onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure connex te achten aan de bezwaarschriften tegen deze besluiten. Deze voorlopige voorziening is daarmee niet meer gekoppeld aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brief van 24 mei 2026. De rechtbank zal een uitspraak doen op het beroep niet tijdig beslissen van verzoekster.
Ten aanzien van de besluiten tot verwijdering van [naam 5] en [naam 6]
6. Stichting BOOR heeft met twee besluiten van 7 juli 2026 (de bestreden besluiten I en II) de twee dochters van verzoekster, [naam 5] en [naam 6], verwijderd van de school. Stichting BOOR heeft in het besluit allereerst verwezen naar de eerdere verwijderingsbesluiten die zijn genomen ten aanzien van de dochters, namelijk op 23 mei 2025. Na juridische procedures ten aanzien van deze verwijderingsbesluiten hebben Stichting BOOR, verzoekster en het als toehoorder uitgenodigde samenwerkingsverband (PPO) ten overstaan van de Geschillencommissie Passend Onderwijs op 1 juli 2025 een overeenkomst gesloten.
In de overeenkomst zijn afspraken opgenomen om alsnog tot passend onderwijs te komen. De voorzieningenrechter citeert hieronder de gesloten overeenkomst, welke door partijen is ondertekend:
“1. Stichting BOOR schort de verwijderingsbesluiten en de lopende bezwaarprocedures op tot 1 oktober 2025 en de school [naam school] schrijft de kinderen zo spoedig mogelijk na afloop van de hoorzitting weer in, waarna de school een kopie daarvan verstrekt aan de advocaat van [verzoekster].
2. Alle drie de kinderen worden afzonderlijk medisch onderzocht door een ter zake kundige onafhankelijke jeugdarts die is aangesloten bij de organisatie Jeugdartsen Nederland (AJN), met als doel vast te stellen welke aanpassingen moeten plaatsvinden om tot een veilige onderwijsomgeving te komen.
Deelvragen aan de arts (niet limitatief):
• Welke fysieke aanpassingen in een schoolgebouw/klaslokaal dragen bij aan het geformuleerde doel;
• Zijn er belemmeringen ten aanzien van tempsratuur en/of sterke temperaluurwisselingen en zo ja, op welke wijze kan daar adequaat op worden gereageerd?
• Welke uitlokkende factoren zijn er?
• Kunnen leerlingen de uitlokkende factoren herkennen en/of voorkomen?
• Is behandeling mogelijk?
3. [verzoekster] verleent hierbij toestemming en aan PPO om bij alle drie de
kinderen afzonderlijk een capaciteitenonderzoek uit te voeren (actueel OPP), waarvan belemmerende en bevorderende factoren onderdeel uitmaakt. Om zicht te krijgen op het didactisch functioneringsniveau van alle drie de kinderen worden op school didactische toetsinstrumenten ingezet en/of toetsen afgenomen. De gebruikelijke rechten van ouders ten aanzien van het handelingsdeel zijn van kracht.
4. De uitkomsten van de onderzoeken worden met partijen gedeeld en besproken
tijdens een overleg
5. Het samenwerkingsverband heeft de regie bij de advisering over de
ondersteuningsbehoefte van alle drie de leerlingen om te komen tot een
passend onderwijsaanbod, met inachtneming van de uitkomsten van beide
onderzoeken waaraan partijen zich committeren.
6. Partijen verlenen medewerking aan bovenstaande afspraken. Mocht dat
onverhoopt niet het geval zijn, dan kan stichting BOOR alsnog
verwijderingsbesluiten nemen en kan [verzoekster] opnieuw een geschil
aanhangig maken bij de GPO en/of bezwaar maken tegen deze
verwijderingsbesluiten.”
Stichting BOOR overweegt in de bestreden besluiten I en II dat het niet mogelijk is gebleken bij [naam 5] en [naam 6] capaciteitsonderzoeken af te nemen en de didactische onderzoeken af te ronden, aangezien verzoekster bij voortduring nieuwe belemmeringen bleef opwerpen. Daardoor is het actuele onderwijsniveau van [naam 5] en [naam 6] niet in kaart gebracht. Daarnaast heeft verzoekster Stichting BOOR ook niet nader bericht over het medisch onderzoek dat zij geïnitieerd zou hebben. Hierdoor kan Stichting BOOR het standpunt van verzoekster dat [naam 5] en [naam 6] geen fysiek onderwijs zouden kunnen volgen, niet verifiëren. Stichting BOOR is daardoor tot de besluiten gekomen om de voornemens van 10 april 2025 om [naam 5] en [naam 6] van school te verwijderen, uit te voeren.
7. Op de zitting hebben partijen standpunten uitgewisseld ten aanzien van de vraag in hoeverre Stichting BOOR de verwijderingsbesluiten ten aanzien van [naam 5] en [naam 6] kon motiveren door te verwijzen naar de niet nagekomen afspraken uit de overeenkomst van 1 juli 2025. Verzoekster heeft, onder andere, aangegeven dat zij zich wel aan de afspraken van 1 juli 2025 heeft gehouden. Verzoekster is met de kinderen naar het Erasmus MC geweest om de kinderen nader te laten onderzoeken. Vervolgens kon verzoekster niet bij een CJG-arts (Centrum Jeugd en Gezin, een jeugdarts) terecht, aangezien een CJG-arts geen belastbaarheidsverklaring kan verschaffen ten aanzien van de mogelijkheden van de kinderen. Stichting BOOR heeft aangegeven dat de CJG-arts wél bevoegd is een nadere inschatting te maken van de belastbaarheid van de kinderen en informatie te verschaffen over eventuele aanpassingen die gedaan moeten worden in het kader van onderwijs.
8. De voorzieningenrechter constateert dat partijen van mening verschillen over het nakomen van de afspraken en met name over de medische route die verzoekster had moeten afleggen. Op dit moment, ruim een jaar na de overeenkomst van 1 juli 2025, is nog altijd geen duidelijkheid ontstaan over de aanpassingen die gedaan moeten worden om de kinderen te voorzien van onderwijs. De voorzieningenrechter komt echter niet toe aan een inhoudelijk beoordeling van de motivering van de verwijderingsbesluiten van [naam 5] en [naam 6]. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.
Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
Stichting BOOR heeft de voorzieningenrechter voorafgaand aan de zitting medegedeeld dat Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR), via samenwerkingsverband PPO, heeft verzocht om een interventie in verband met de (onderwijs)ondertoezichtstelling waarmee JBRR is belast. Stichting BOOR heeft deze uitnodiging voor een overleg geaccepteerd. Insteek is om, in aanwezigheid van verschillende partijen, tot een passende onderwijsplek te komen voor de drie kinderen van verzoekster. Het overleg is gepland op 31 augustus 2026. Stichting BOOR heeft aangegeven in afwachting van het overleg de verwijderingsbesluiten ten aanzien van [naam 5] en [naam 6] niet te effectueren, maar aan te houden tot na het overleg. Op de zitting heeft Stichting BOOR bovendien toegezegd dat verwijderingsbesluiten ten aanzien van [naam 5] en [naam 6] niet te effectueren totdat Stichting BOOR op het bezwaar heeft beslist.
Nu Stichting BOOR heeft toegezegd dat bestreden besluiten I en II tot verwijdering van [naam 5] en [naam 6] niet zullen worden geëffectueerd totdat op het bezwaar is beslist, heeft verzoekster ten aanzien van de besluiten I en II niet langer een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter kan slechts een voorziening treffen totdat op het bezwaar is beslist. Verzoekster kan daarom ook niet méér bereiken met deze procedure dan dat Stichting BOOR heeft toegezegd ten aanzien van bestreden besluiten I en II. De voorzieningenrechter zal het verzoek ten aanzien van bestreden besluiten I en II daarom afwijzen.
Ten aanzien van de uitschrijvingsbesluit van [naam 4]
9. Stichting BOOR heeft met het bestreden besluit van 7 juli 2026 (bestreden besluit III) de zoon van verzoekster, [naam 4], uitschreven van de school. [naam 4] heeft namelijk de leeftijd van 14 jaar bereikt. Op basis van artikel 39, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs (WPO) verlaten leerlingen de school in elk geval aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt. Stichting BOOR heeft [naam 4] daarom vanaf 1 augustus 2026 uitgeschreven.
10. Verzoekster is het niet eens met bestreden besluit III, in die zin dat Stichting BOOR onvoldoende zorg heeft gedragen voor vervolgonderwijs voor [naam 4]. Op dit moment is onduidelijk hoe dat onderwijs voor [naam 4] vormgegeven moet worden. Verzoekster wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat er snel duidelijkheid komt over de overgang van [naam 4] naar het voortgezet onderwijs.
11. De voorzieningenrechter ziet ten aanzien van bestreden besluit III ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom ook in zoverre afwijzen. Zij overweegt daartoe als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 4] de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt en dat hij daardoor op grond van artikel 39, vierde lid, van de WPO dient te worden uitgeschreven van de school. Verzoekster is het niet eens met het feit dat Stichting BOOR niet heeft voorzien in een school voor voortgezet onderwijs voor [naam 4]. Volgens verzoekster had Stichting BOOR dit op basis van de zorgplicht moeten doen. Stichting BOOR heeft daartegenover gesteld dat het de verantwoordelijkheid is van ouders om hun kind in te schrijven op het voortgezet onderwijs. Stichting BOOR heeft erop gewezen dat [naam 4] meermaals is uitgenodigd om de doorstroomtoets te maken om zijn niveau vast te stellen, maar dat op deze uitnodigingen niet is ingegaan.
De voorzieningenrechter komt niet toe aan een beantwoording van de vraag of van Stichting BOOR ten aanzien van de uitschrijving van [naam 4] meer had mogen worden verwacht. Daargelaten de vraag of op Stichting BOOR de zorgplicht rust om [naam 4] te begeleiden naar voortgezet onderwijs en of zij deze niet is nagekomen, is de voorzieningenrechter gebleken dat ook het vervolgonderwijs voor [naam 4] onderdeel uitmaakt van het brede overleg op 31 augustus 2026, zoals genoemd in overweging 8.2. Tijdens dit overleg kunnen partijen een duurzaam plan maken voor het vervolgonderwijs van [naam 4]. Stichting BOOR heeft aangegeven dat niet duidelijk is op welk niveau en op welke school [naam 4] zou moeten instromen omdat hij geen doorstroomtoets heeft gemaakt. Op het overleg zal besproken moeten worden op welke wijze deze informatie over [naam 4] verkregen dient te worden. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is welk vervolgonderwijs voor [naam 4] geschikt is en aan welke medische vereisten dit onderwijs zal moeten voldoen, leent wat verzoekster vraagt zich niet voor een voorlopige voorziening.
Ter afsluiting
12. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster wellicht op een andere uitkomst van deze procedure had gehoopt, namelijk dat de voorzieningenrechter Stichting BOOR zou opdragen nog voor het begin van het komende schooljaar met een concreet plan te komen waarmee [naam 4], [naam 5] en [naam 6] geholpen zouden zijn. Nog daargelaten of de voorzieningenrechter bevoegd zou zijn een dergelijke opdracht te geven, kan gelet op al het voorgaande al geen (dergelijke) voorziening worden getroffen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster het onderwijs en de zorg voor haar kinderen goed geregeld wil hebben, zodat zij geen onnodig medisch risico lopen. Tegelijkertijd acht de voorzieningenrechter het ook ernstig dat de kinderen van verzoekster al meerdere jaren geen, of nauwelijks, onderwijs hebben ontvangen. De voorzieningenrechter wil partijen dan ook nadrukkelijk meegeven het geplande overleg van 31 augustus 2026 aan te grijpen om duidelijk afspraken te maken over de te volgen medische route en de af te nemen capaciteits- en didactische onderzoeken, en een duidelijk tijdpad te maken en dat ook te bewaken, zodat een duurzame oplossing gevonden kan worden ten aanzien van het onderwijs van de kinderen. Het lijkt de voorzieningenrechter daarbij in ieder geval opportuun als voorafgaand aan het overleg al tussen partijen kan worden opgehelderd in hoeverre de CJG-arts bevoegd is om een oordeel te geven over de belastbaarheid van de kinderen.
Conclusie en gevolgen
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: