RECHTBANK ROTTERDAM
[verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfsplaats, verzoekster,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college,
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6539
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 augustus 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. U. Karatas),
en
(gemachtigde: mr. J.M. Tang).
Procesverloop
1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 juli 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster (via digitale verbinding), A.O. Adam als tolk en de gemachtigde van het college.
3. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank op 12 augustus 2026 onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
4. Verzoekster is 18 jaar, heeft de Somalische nationaliteit en is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij is op 15-jarige leeftijd alleen naar Nederland gekomen. Zij heeft op verschillende AZC-locaties gewoond en daarna twee jaar op een woongroep van Stichting Nidos in [gemeente] . Verzoekster is daar in maart 2026 zelf weggegaan en verblijft sindsdien in [plaats] . Zij heeft eerst verbleven bij een kennis van haar moeder, maar die heeft haar in juni 2026 uit huis gezet. Daarna heeft ze bij vrouwelijke kennissen op de vluchtelingenboot verbleven, maar daar kan ze niet langer verblijven.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Verzoekster heeft op 20 juli 2026 een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster zelfredzaam zou zijn. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek (deels) toe
6. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek (gedeeltelijk) toe, namelijk in zoverre dat (feitelijke) opvang moet worden verleend terwijl het recht op maatschappelijke opvang nader wordt onderzocht in bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
7. Een inwoner van Nederland komt – kort gezegd – in aanmerking voor opvang als hij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Beoordeeld moet dus worden of het huisvestingsprobleem van verzoekster wordt veroorzaakt doordat zij zich niet kan handhaven in de samenleving.
8. Er heeft op 20 juli 2026 een gesprek met verzoekster plaatsgevonden. Hieruit lijkt naar voren te komen dat verzoekster alleen een huisvestingsprobleem heeft en daar is de maatschappelijke opvang niet voor bedoeld. Gelet op het beeld dat uit het dossier naar voren komt heeft de voorzieningenrechter echter twijfels bij de zelfredzaamheid van verzoekster. Het gaat hier om een kwetsbare jongere van 18 jaar, die op 15-jarige leeftijd vanuit Somalië alleen naar Nederland is gekomen. Bij het verzoek zijn documenten overgelegd van Stichting Nidos en Pureza uit de tijd dat verzoekster in een woongroep in [gemeente] verbleef. Hieruit komt naar voren dat verzoekster traumatische ervaringen heeft gehad en mogelijk PTSS heeft. Ook wordt er melding gemaakt van agressie en manipulatief gedrag. Verder blijkt uit de door het college overgelegde stukken dat er op 10 augustus 2026 bij de jongerenconsulent van de gemeente informatie is binnengekomen van de straatadvocaat over signalen van seksueel misbruik of uitbuiting. De jongerenconsulent vraagt om deze signalen te onderzoeken en verzoekster tijdelijk te plaatsen binnen de vrouwenopvang. Ook stelt de jongerenconsulent dat verzoeksters zelfredzaamheid op dit moment onvoldoende is om haar situatie zelfstandig op te lossen en dat haar sociale netwerk is uitgeput. Uit de aanvulling van de rapportage van de Wmo-adviseur van 11 augustus 2026 volgt dat nader onderzoek op 11 augustus 2026 niet tot een andere conclusie heeft geleid. Ter zitting is zijdens het college toegelicht dat verzoekster zelf de weg naar hulpinstanties en de straatadvocaat heeft kunnen vinden, dat zij werkt, dat zij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, dat zij op 1 september 2026 met een studie start en dat er een voorliggende voorziening is in de vorm van verlengde opvang bij Nidos. Dit neemt de twijfels van de voorzieningenrechter bij de zelfredzaamheid van verzoekster echter niet weg. Uit het dossier komt het beeld naar voren van een kwetsbare jongere, die in haar meest recente tijdelijke opvanglocatie ongewenst zwanger is geraakt. Ook de door de straatadvocaat en de jongerenconsulent genoemde signalen van seksuele uitbuiting en misbruik weegt de voorzieningenrechter mee, net als de signalen van psychische problematiek. Deze signalen moeten nader worden onderzocht. Wel hecht de voorzieningenrechter eraan om te benadrukken dat de Wmo gericht is op maatschappelijke opvang en niet op het (uitsluitend) voorzien in huisvesting. Indien verzoekster wenst te worden toegelaten tot de maatschappelijke opvang zal zij ook hulp moeten accepteren en mee moeten werken aan het in kaart brengen van haar hulpvragen.
Conclusie en gevolgen
9. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het college aan verzoekster vanaf 12 augustus 2026 opvang dient te verlenen tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Hoewel de toewijzing met name gebaseerd is op informatie die ten tijde van het bestreden besluit nog niet bekend was, ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding om te bepalen dat verzoekster een vergoeding krijgt voor haar proceskosten. Daarbij acht de voorzieningenrechter doorslaggevend dat bij het intakegesprek geen tolk is ingeschakeld, terwijl uit het intakeformulier lijkt te volgen dat een tolk Somalisch wel nodig is. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat het college vanaf 12 augustus 2026 aan verzoekster opvang dient te verlenen tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaarschrift;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
U ontvangt afschrift van het proces-verbaal. Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: