RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/7048
(gemachtigde: mr. M. Kaplan),
en
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de schuldhulpverlening aan eiseres te beëindigen. Eiseres is het niet eens met de beëindiging. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de schuldhulpverlening mocht beëindigen vanwege onder andere een schending van de medewerkingsplicht. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 4 juni 2025 heeft het college de schuldhulpverlening aan eiseres met ingang van 5 juni 2025 beëindigd met een termijn van uitsluiting van zes maanden. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 11 juli 2025 dat verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (ROT 25/4657).
Met het bestreden besluit van 10 september 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de beëindiging van de schuldhulpverlening gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 5 november 2025 dat verzoek om voorlopige voorziening afgewezen (ROT 25/7050).
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 8 november 2022 heeft eiseres een “Verklaring rechten en plichten schulddienstverlening” ondertekend. Op 12 december 2022 heeft eiseres schuldhulpverlening aangevraagd bij de Kredietbank Rotterdam, tegenwoordig Geldplein (hierna: Geldplein). Met een besluit van 10 februari 2023 is aan eiseres schuldhulpverlening toegekend in de vorm van budgetbeheer. Met een besluit van 12 juli 2023 is de schuldhulpverlening uitgebreid met een schuldbemiddeling. Op 10 oktober 2023 is aan eiseres medegedeeld dat de schuldeisers akkoord zijn. Op 21 mei 2024 is na een verkort heronderzoek aan eiseres medegedeeld dat een achterstand is ontstaan. Het laatste heronderzoek heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. De uitkomsten zijn neergelegd in een rapportage van dezelfde datum.
4. Naar aanleiding van de bevindingen uit het heronderzoek van 8 mei 2025, is nader onderzoek gedaan. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de “Rapportage beëindiging verwijtbaar” van 4 juni 2025. In deze rapportage is onder meer vermeld dat eiseres per 1 september 2024 aan het werk is gegaan zonder Geldplein op de hoogte te stellen van deze wijziging. Eiseres ontvangt haar salaris op de eigen rekening en maakt maar een deel van haar salaris over naar Geldplein, waardoor er geen inzicht bestaat in de inkomsten en er te weinig wordt afgedragen aan de schuldregeling. De al bestaande achterstand in de reservering voor de schuldregeling is opgelopen. Ook bleek dat eiseres een auto in haar bezit heeft waarvan volgens het college de noodzaak (nog) niet is aangetoond. Eiseres weigert de machtiging te ondertekenen waarmee haar inkomen door haar werkgever aan Geldplein kan worden overgemaakt (budgetbeheer).
5. Het college heeft besloten de schuldhulpverlening aan eiseres met ingang van 5 juni 2025 te beëindigen omdat eiseres zich meerdere keren niet aan de afspraken voor de schuldhulpverlening heeft gehouden. In afwachting van het besluit op bezwaar heeft eiseres een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 11 juli 2025 het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat eiseres de inlichtingenplicht en de medewerkingsplicht heeft geschonden en dat het college daarom bevoegd was om de schuldhulpverlening te beëindigen en om eiseres tijdelijk uit te sluiten van de schuldhulpverlening. Het college heeft volgens de voorzieningenrechter in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid.
6. Met het bestreden besluit van 10 september 2025 is het college bij de beëindiging van de schuldhulpverlening gebleven. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden doordat zij niet heeft gemeld dat zij per 1 september 2024 aan het werk is gegaan. Het college heeft daarbij overwogen dat de aflossingscapaciteit nog steeds niet kan worden vastgesteld, omdat eiseres geen inzicht heeft gegeven in haar exacte inkomsten en de (her)berekening van haar ten onrechte ontvangen salaris. Daarbij heeft eiseres niet al het te veel ontvangen salaris teruggestort aan haar werkgever, waardoor er een schuld is ontstaan bij de werkgever. Het valt eiseres te verwijten dat er tijdens de schuldhulpverlening een nieuwe schuld is ontstaan. Ook heeft verzoekster de medewerkingsverplichting geschonden. Eiseres heeft geweigerd om een machtiging voor budgetbeheer te ondertekenen. Zij heeft daarom niet de medewerking verleend aan het college die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de schuldhulpverlening.
7. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet langer een procesbelang heeft bij deze procedure, omdat eiseres bij besluit van 10 december 2025 weer is toegelaten tot de schuldhulpverlening.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiseres wel procesbelang heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), kan belang bij het rechtsmiddel onder meer worden aangenomen, indien wordt gesteld dat ten gevolge van de in geding zijnde besluitvorming schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen en dit tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt. Eiseres heeft op de zitting gesteld dat zij in februari 2026 twee weken in vervangende hechtenis heeft gezeten omdat zij haar schulden niet kon betalen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Daar komt bij dat de beëindigde schuldhulpverlening budgetbeheer en schuldbemiddeling omvatte. Het college heeft op de zitting verklaard dat op dat moment het plan van aanpak van de schuldhulpverlening tot uitvoering is gebracht, maar dat de aanvraag voor een schuldregeling (de rechtbank begrijpt schuldbemiddeling) nog loopt. Hoewel eiseres met het besluit van 10 december 2025 weer is toegelaten tot de schuldhulpverlening, maakt eiseres op dit moment nog geen aanspraak op de schuldhulpverlening die zij had voordat deze werd beëindigd. De rechtbank zal het beroep van eiseres daarom verder inhoudelijk behandelen.
Standpunt eiseres
9. Eiseres stelt dat het college onterecht de schuldhulpverlening aan haar heeft beëindigd. Zij voert daartoe aan dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat zij haar werkhervatting wel heeft gemeld aan het college. Op 2 oktober 2024 heeft zij per e-mail kenbaar gemaakt aan de Geldplein dat zij is gaan werken en vraagt zij naar het rekeningnummer waarop zij extra kan aflossen. Ook heeft eiseres meermaals tijdens contact met medewerkers van het college aangegeven dat zij op kantoor is of aan het werk is. Daarnaast voert eiseres aan dat zij de medewerkingsplicht niet heeft geschonden. Eiseres was namelijk niet verplicht om de machtiging te tekenen. Zowel in de wet als de beleidsregels is niet opgenomen dat budgetbeheer een verplichting is om deel te nemen aan onderhavig traject. Uit e-mailcorrespondentie blijkt dat sprake was van een herroepbare machtiging, waardoor eiseres gerechtigd was om van ondertekening af te zien. Ook heeft eiseres inmiddels wel volledig inzicht gegeven in haar inkomsten, namelijk door het verstrekken van een arbeidsovereenkomst, een addendum en loonspecificaties. Hiermee heeft eiseres haar afloscapaciteit aangetoond. Daarbij heeft ook het college te laat een heronderzoek gedaan, waardoor de achterstand van betalingen onnodig hoog was opgelopen. Het is daarom ook onredelijk om de inkomenswijziging aan eiseres tegen te werpen. Eiseres doet daarbij een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Verder betwist eiseres dat zij een nieuwe schuld heeft laten ontstaan. Het was haar werkgever die haar ten onrechte te veel salaris heeft uitgekeerd.
Wettelijk kader
10. Voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Mocht het college de schuldhulpverlening aan eiseres beëindigen?
11. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college de schuldhulpverlening aan eiseres mocht beëindigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In beroep heeft eiseres een e-mail overgelegd van 2 oktober 2024 om 16:00 uur, waarin zij naar een medewerker van Geldplein schrijft: “Als ik extra kan aflossen omdat ik nu werk naar welk rekeningnummer kan dat gestuurd worden?”. Op de zitting heeft het college verklaard dat geen uitsluitsel gegeven kan worden over de ontvangst van de e-mail, omdat de betreffende mailbox niet meer beschikbaar is. Ook als de e-mail wel zou zijn ontvangen, stelt het college zich op het standpunt dat de mededeling van eiseres onvoldoende concreet was om aan de inlichtingenplicht te voldoen. Eiseres heeft namelijk geen gegevens verstrekt waaruit hogere inkomsten en een mogelijk hogere afloscapaciteit blijken.
Op 8 november 2022 heeft eiseres de “Verklaring rechten en plichten schulddienstverlening” ondertekend, waarin onder andere staat dat eiseres alle informatie die nodig is op tijd, volledig en correct verstrekt. Dit betreft onder andere huidige gegevens als toekomstige wijzigingen in inkomsten, uitgaven, bezittingen en schulden. In de besluiten van 10 februari 2023 en 12 juli 2023, waarin aan eiseres schuldhulpverlening en een schuldregeling is toegekend, wordt verwezen naar deze verklaring van 8 november 2022. Gelet op deze verplichtingen, overweegt de rechtbank dat het college van eiseres mocht verwachten dat zij, ook spontaan, meer concrete en volledige gegevens zou aanleveren over haar inkomsten en dat in zoverre niet (volledig) aan de inlichtingenplicht is voldaan. Toch had de e-mail van eiseres ook reden kunnen zijn voor Geldplein, dan wel het college, om door te vragen naar haar werk en inkomen. Wat eiseres verdient en welke afloscapaciteit zij heeft ligt immers aan de kern van de schuldhulpverlening. Het college heeft pas in mei 2025 heronderzoek verricht waarna is geconstateerd dat eiseres vanaf 1 september 2024 aan het werk is.
Het college heeft echter ook aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres de medewerkingsplicht heeft geschonden doordat zij heeft geweigerd om een machtiging te ondertekenen waarmee Geldplein haar inkomsten kan opvragen bij haar werkgever zodat zij maandelijks het correcte bedrag kunnen reserveren voor de schuldregeling. De rechtbank is van oordeel dat zij daarmee niet de medewerking heeft verleend aan het college die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de schuldhulpverlening, waardoor sprake is van een schending van de medewerkingsplicht. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij niet verplicht was om de machtiging te tekenen omdat zij niet verplicht was om aan budgetbeheer deel te nemen. Eiseres heeft ter zitting terecht opgemerkt dat uit artikel 3, vierde lid, van de Beleidsregels schuldhulpverlening Rotterdam 2024 kan worden opgemaakt dat schuldhulpverlening kán bestaan uit budgetbeheer. Aan eiseres is echter met het besluit van 10 februari 2023 schuldhulpverlening toegekend in de vorm van budgetbeheer en de daaraan verbonden voorwaarden. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Het college kon eiseres daarom houden aan de voorwaarden die waren gesteld in dit besluit. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat Geldplein met eiseres de afspraak heeft gemaakt dat zij zelf een deel van haar inkomsten naar Geldplein mocht overmaken zonder een machtiging te tekenen, of dat zij kon afzien van het tekenen van een machtiging. Eiseres heeft gewezen op e-mailcorrespondentie waarin een medewerker van Geldplein spreekt over een herroepbare machtiging. Hieraan kan echter niet de waarde worden gehecht die eiseres daaraan wenst toe te kennen, omdat daaruit niet blijkt dat de schuldhulpverlening ook zonder machtiging vorm kon krijgen. Dat de machtiging herroepbaar was, kan immers ook betekenen dat eiseres op elk moment vrijwillig kon afzien van het krijgen van schuldhulpverlening. Nu verzoekster heeft geweigerd om de machtiging te ondertekenen, is ook niet gebleken dat zij in voldoende mate bereid was tot het inzetten van de maximale afloscapaciteit voor de aflossing van de schulden. Eiseres heeft ook daarom onvoldoende medewerking verleend waardoor het college ook om deze reden in beginsel bevoegd was om de schuldhulpverlening te beëindigen.
Het college heeft in het kader van de evenredigheid niet af hoeven zien van beëindiging van de schuldhulpverlening. In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat Geldplein, ondanks dat de beëindiging ingrijpend is voor eiseres, niet anders kon dan de schuldhulpverlening te beëindigen. Hierbij heeft het college laten meewegen dat meerdere verplichtingen die verbonden zijn aan het traject voor schulphulpverlening zijn geschonden. De omstandigheid dat eiseres een grote schuldenlast heeft en dat beëindiging van de schuldhulpverlening ertoe zal leiden dat haar schulden weer openvallen, vormen volgens het college op zichzelf geen omstandigheid die als disproportioneel onredelijk of onbillijk moet worden gekwalificeerd. Het college heeft daarbij in zijn algemeenheid van belang geacht dat een lichtvaardige goedkeuring van het traject afbreuk kan doen aan de bereidheid van schuldeisers om daaraan mee te werken, omdat schuldeisers door in te stemmen met schuldhulpverlening een belangrijk deel van de schuld niet kunnen innen. De rechtbank kan deze belangenafweging volgen. Het standpunt van eiseres dat moet worden afgezien van beëindiging omdat het heronderzoek laat is ingesteld en de schuldhulpverlening ook verder niet soepel is verlopen, kan ook verder niet slagen. De rechtbank neemt daarbij mee dat het college ook in de bezwaarfase nog bereid was de schuldhulpverlening voort te zetten onder de voorwaarde dat eiseres de machtiging voor budgetbeheer zou ondertekenen. Voor zover van het college, dan wel Geldplein, gedurende de schuldhulpverlening mogelijk meer had mogen worden verwacht, is het college daar voldoende aan tegemoet gekomen door lange tijd bereid te zijn geweest de schuldhulpverlening met een machtiging voort te zetten. Eiseres heeft ook in de bezwaarfase nog afgezien van het ondertekenen van een machtiging. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat het college de belangenafweging in het voordeel van eiseres had moeten laten uitvallen.
Het college heeft in het bestreden besluit nog meegenomen dat eiseres gedurende de schuldregeling een nieuwe schuld heeft laten ontstaan bij haar werkgever. Op de zitting heeft het college gesteld dat de voornaamste afwijzingsgronden de schending van de inlichtingen- en medewerkingsverplichting betreffen. Omdat deze afwijzingsgronden het bestreden besluit al kunnen dragen, zal de rechtbank het punt over de nieuw ontstane schuld niet verder bespreken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de schuldhulpverlening aan eiseres mocht beëindigen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening
Artikel 6. Inlichtingenplicht
De cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de op hem van toepassing zijnde schuldhulpverlening of voor de uitvoering van deze wet, voor zover gegevens over deze feiten en omstandigheden niet door het college kunnen worden verkregen.
Artikel 7. Medewerkingsplicht
1. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
[…]
Beleidsregels schuldhulpverlening Rotterdam 2024
Artikel 3 Criteria schuldhulpverlening
1. Het college verleent aan de inwoner toegang tot de schuldhulpverlening indien het college van oordeel is dat dit noodzakelijk is.
[…]
4. Schuldhulpverlening kan in elk geval bestaan uit:
a. een schuldregeling;
b. budgetbeheer, bestaand uit het tijdelijk beheren van het inkomen van cliënt door het openen van een rekening waarop de inkomsten worden gestort en de uitgaven en reserveringen worden gedaan conform het plan van aanpak;
c. toeleiding naar een traject richting financiële redzaamheid;
d. toeleiding naar een traject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen.
Artikel 4 Verplichtingen
De medewerking, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet kan betrekking hebben op:
a. het nakomen van gemaakte afspraken en, indien van toepassing, nadere, schriftelijk opgelegde individuele verplichtingen;
b. het tijdig verschijnen op afspraken;
c. de inspanning om het inkomen te verhogen, alsmede de uitgaven te verminderen en deze inspanning aantoonbaar te maken;
d. het niet aangaan van nieuwe schulden vanaf het moment dat het eerste gesprek, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet heeft plaatsgevonden;
e. het tijdig betalen van de vaste lasten;
f. het verkopen van bezittingen die niet noodzakelijk zijn en de opbrengst inzetten ten behoeve van vermindering van de schuldenlast;
g. het meewerken aan dienstverlening door instanties die het schuldhulpverleningstraject ondersteunen;
h. het meewerken aan het oplossen of verminderen van psychosociale of verslavingsproblematiek als dit noodzakelijk is om de schuldhulpverlening succesvol af te kunnen ronden of om terugval met betrekking tot de genoemde problematiek te voorkomen;
i. het deelnemen aan een traject gericht op financiële redzaamheid als dit noodzakelijk is om de schuldhulpverlening succesvol af te kunnen ronden of om terugval met betrekking tot de financiële redzaamheid te voorkomen;
j. de voor de schuldhulpverlening van belang zijnde informatie door de gemeente te doen inwinnen bij en te verstrekken aan ketenpartners;
k. het nalaten van hetgeen de voortgang van de schuldhulpverlening belemmert;
l. het gevraagd en ongevraagd verstrekken van juiste en volledige informatie en bewijsstukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de schuldhulpverlening, voor zover gegevens over deze feiten en omstandigheden niet door het college kunnen worden verkregen, waaronder in ieder geval wordt verstaan wijzigingen in gezinssamenstelling, burgerlijke staat of woonsituatie en wijzigingen in inkomsten, uitgaven, bezittingen en schulden;
m. het in voldoende mate bereid zijn tot het inzetten van de maximale afloscapaciteit voor de aflossing van de schulden;
n. het tentoonspreiden van, naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen gemeten, correct gedrag jegens medewerkers van de gemeente Rotterdam of van een organisatie die tevens bij de schuldhulpverlening is betrokken.
Artikel 5 Afwijzings- en beëindigingsgronden
1.Het college kan besluiten de schuldhulpverlening af te wijzen of te beëindigen indien:
a. de cliënt niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 4 of zoals opgenomen in het plan van aanpak, nadat cliënt een redelijke termijn is geboden om aan genoemde verplichtingen te voldoen;
[…]