RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
Het dagelijks bestuur van Stroomopwaarts MVS, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5891
(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
(gemachtigde: [naam] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een bijstandsuitkering. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek. Verzoekster is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft op 8 mei 2026 een bijstandsuitkering aangevraagd naar de norm van een alleenstaande. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. O.C. Bozbiyik, die waarneemt voor mr. R. Moghni, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
Verzoekster is van 5 februari 1996 tot 7 november 2000 gehuwd geweest met [ex-man] (de ex-man). Van 6 februari 2000 tot 17 april 2026 stond verzoekster ingeschreven op het adres van haar ex-man, [adres 1] . Op dit adres staan ook de vijf jongste kinderen van verzoekster en haar ex-man ingeschreven.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij smetvrees heeft. Volgens verzoekster is de relatie met haar ex-man en (jongste) kinderen hierdoor zodanig verstoord dat de situatie in de echtelijke woning onhoudbaar was geworden. Om die reden is verzoekster verhuisd.
Sinds 17 april 2026 staat verzoekster ingeschreven op het adres van haar oudste zoon, [adres 2] . Volgens de basisregistratie personen (BRP) staat ook de op een na oudste zoon van verzoekster op dit adres ingeschreven. Op 8 mei 2026 heeft zij op dit adres een bijstandsuitkering aangevraagd.
Op 18 juni 2026 is een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op [adres 2] (omstreeks 08.45 uur). Er werd opengedaan door een jongeman, die verklaarde dat verzoekster met haar oudste zoon naar buiten was. De man verklaarde desgevraagd dat hij de 22 jarige zoon van verzoekster is en niet weet waar zijn broer en moeder naar toe zijn.
Op 1 juli 2026 heeft een intakegesprek met verzoekster plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is verzoekster meegedeeld dat gegronde redenen bestaan voor een huisbezoek. Verzoekster is gevraagd hiervoor toestemming te verlenen. Dit heeft zij geweigerd. Ook de zoon van verzoekster, die bij het gesprek aanwezig was, gaf geen toestemming.
Waar gaat deze zaak om?
3. Verweerder heeft de bijstandsaanvraag afgewezen omdat verzoekster niet heeft meegewerkt aan het op 1 juli 2026 aangekondigde huisbezoek. Dit huisbezoek was nodig om de woonsituatie van verzoekster te controleren. Door niet mee te werken aan het huisbezoek heeft verzoekster de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden. Hierdoor is haar woonsituatie onduidelijk gebleven en kan verweerder het recht op bijstand niet vaststellen.
4. Verzoekster is het met dit besluit niet eens. Met haar verzoek wil verzoekster bereiken dat haar alsnog een bijstandsuitkering wordt toegekend.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed waardoor verzoekster de beslissing op bezwaar niet kan afwachten.
De voorzieningenrechter neemt in de zaak het spoedeisend belang aan. Verzoekster beschikt niet over inkomen, anders dan kinderbijslag en het kindgebonden budget.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat geen redelijke grond bestond voor een huisbezoek. Er bestond onvoldoende objectieve en redelijke twijfel over de opgegeven woon- en leefsituatie op het uitkeringsadres.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet (Pw) verleent de belanghebbende het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Indien hij de medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Pw, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.
Volgens vaste rechtspraak kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bestuursorgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende aanknopingspunten had om redelijkerwijs aan de juistheid van de opgegeven woonsituatie van verzoekster te twijfelen. Verzoekster pint blijkens de bankafschriften regelmatig (kleine) bedragen in [plaats 2] en niet in [plaats 1] . Verzoekster woonde tot 17 april 2026 nog samen met haar ex-man en vijf van hun kinderen in [plaats 2] . Sinds 17 april 2026 woont zij, naar gesteld, in bij haar zoon op het adres in [plaats 1] . Op dit adres staan drie personen ingeschreven. Ook haar tweede zoon staat daar ingeschreven, terwijl de woning klein is voor 3 personen (64 m²). Verzoekster weet niet wat haar zoons overdag doen. Verder is onduidelijk waar de partners van de zonen wonen. Na het intakegesprek met Stroomopwaarts is gezien dat verzoekster door haar ex-man werd opgehaald.
Verzoekster heeft verklaard dat zij in verband met haar smetvrees is verhuisd en dat haar smetvrees ook de reden was waarom zij niet heeft willen meewerken aan het huisbezoek. Los van het feit dat verzoekster haar smetvrees en de beperkingen die zij hiervan stelt te ondervinden niet onderbouwd heeft met stukken, kan dit geen reden zijn om een huisbezoek te weigeren. Niet is in te zien dat, zoals verzoekster stelt, verweerder met een lichter middel de woonsituatie had moeten beoordelen. Verzoekster heeft verder geen dringende redenen aangevoerd om een huisbezoek te weigeren.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat zij geen bijstandsuitkering krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: