RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats 1] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5696
en
(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats 2] (vergunninghouder).
Er is van rechtswege een vergunning verleend voor (kort gezegd) kamerbewoning door maximaal vier personen. Als er wel op tijd was beslist op de vergunningaanvraag, dan was deze ook verleend omdat er volgens het college aan alle criteria wordt voldaan. Verzoeker voert onder meer aan dat het verhuren van de woning aan meerdere personen in strijd is met het huishoudelijk reglement van de Vereniging van Eigenaars (VvE). Dit is echter geen bestuursrechtelijke aangelegenheid, zodat het buiten de beoordeling van de voorzieningenrechter valt. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Procesverloop
1. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het omzetten van woonruimte in onzelfstandige woonruimte voor kamerbewoning door maximaal vier personen. Het college heeft niet op tijd op deze aanvraag beslist, waardoor de vergunning van rechtswege is verleend. Het college heeft dit bekendgemaakt met het besluit van 29 juni 2026. De vergunningverlening is op 1 juli 2026 gepubliceerd in het gemeenteblad.
2. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en de vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Het college heeft van rechtswege een vergunning verleend aan de vergunninghouder, waardoor hij (kort gezegd) kamers kan verhuren aan maximaal vier personen. Verzoeker is het daar niet mee eens, onder meer omdat het verhuren van kamers aan meerdere bewoners in strijd is met het huishoudelijk reglement van de VvE.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
7. De vergunninghouder heeft tijdens de zitting verklaard dat de woning eerst opgeknapt wordt, maar dat er voor het begin van het nieuwe studiejaar gezocht gaat worden naar studenten die een kamer willen huren. De voorzieningenrechter verwacht niet dat er op dat moment al een beslissing op het bezwaarschrift zal liggen. Zij ziet dus een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af?
8. De criteria voor het verlenen van een vergunning voor kamerbewoning staan in artikel 2.2.3. van de Verordening samenstelling Woningvoorraad 2025 (zie de bijlage bij deze uitspraak). Het college heeft tijdens de zitting verklaard dat als er wel op tijd was beslist op de aanvraag, de vergunning ook zou zijn verleend omdat er aan alle criteria wordt voldaan.
9. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij betwijfelt of er niet binnen een straal van 50 meter reeds een vergunning voor kamerbewoning voor vier of meer kamerbewoners is verleend. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college afdoende toegelicht dat daar geen sprake van is. Verder stelt verzoeker dat het verhuren van kamers aan meerdere personen wel in strijd is met het huishoudelijk reglement van de VvE. Dit is echter geen afwijzings- of intrekkingsgrond voor het verlenen van de vergunning door het college.
De VvE kan andere maatregelen nemen als een eigenaar zich niet aan het huishoudelijk reglement houdt. Als een geschil hierover (uiteindelijk) aan een rechter wordt voorgelegd, dan moet dat bij de civiele rechter gebeuren en niet bij de bestuursrechter. Deze grond valt dus buiten de beoordeling van de voorzieningenrechter.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, verwacht de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit in bezwaar stand zal houden. Zij ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de vergunning niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage wettelijk kader
Artikel 2.2.3 van de Verordening samenstelling Woningvoorraad 2025
1. Het college verleent een vergunning voor kamerbewoning, indien wordt voldaan aan de volgende criteria:
a. in de woonruimte is ten minste 18 vierkante meter gebruiksoppervlak gemiddeld per persoon aanwezig;
b. de woonruimte bevindt zich op minimaal 50 meter afstand van een andere woonruimte waarvoor reeds een vergunning voor kamerbewoning voor 4 of meer kamerbewoners is verleend, waarbij de afstand wordt gemeten tussen de coördinaten van de locaties van de woonruimten die vermeld staan in de geautomatiseerde landelijke voorziening, bedoeld in art 26 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen.
c. op het adres van de woonruimte in de 24 maanden voorafgaand aan de datum van aanvraag van de vergunning geen vergunning is ingetrokken door toepassing van artikel 3.2.4; en
d. de woonruimte niet is gelegen in één van de gebieden genoemd in bijlage 2.
2. De onderdelen a, b en c van het eerste lid zijn niet van toepassing op een vergunning voor kamerbewoning door drie kamerbewoners.