RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713636 / JE RK 26-116
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam.
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. F. el Makhtari, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. N. Roos, kantoorhoudende te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 2].
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover, via een videobelverbinding, een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft op een open groep van [naam instelling] in [plaatsnaam].
Bij beschikking van 21 januari 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 21 april 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 18 februari 2026. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
De Raad heeft verzocht [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor een periode van drie maanden. Daarnaast heeft de Raad verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er dient nog te worden beslist op het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. De Raad maakt zich, samen met de ouders, grote zorgen om [minderjarige]. Zij vertoont al langere tijd zelfbepalend gedrag. Hierdoor brengt zij zichzelf in gevaar. Zo heeft zij zich op plekken bevonden waar drugs aanwezig waren en mogelijk ook seksuele activiteiten plaatsvonden. De ouders zijn erg betrokken en staan open voor hulpverlening, maar zijn op dit moment onvoldoende in staat om [minderjarige] in haar gedrag te begrenzen. Het is belangrijk om meer zicht te krijgen op de oorzaak van het gedrag van [minderjarige] en te onderzoeken hoe zij weer gemotiveerd kan worden voor school en hulpverlening. Op dit moment verblijft [minderjarige] op een open groep van [naam instelling] in [plaatsnaam]. De Raad hoopt dat [minderjarige] meer rust ervaart nu zij buiten de regio verblijft.
4. De standpunten
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Er bestaan zorgen over het gedrag van [minderjarige]. Zij brengt zichzelf in gevaar. [minderjarige] is meerdere keren als vermist opgegeven en werd hierna aangetroffen op onveilige plekken. De situatie is voor de ouders niet langer houdbaar. [minderjarige] is geplaatst bij de woongroep [naam instelling] in [plaatsnaam]. In eerste instantie stond [minderjarige] niet achter deze plaatsing en is zij weggelopen. Op dit moment lijkt er sprake te zijn van een omslag. [minderjarige] lijkt de plaatsing te accepteren en erkent dat zij hulp nodig heeft. In eerste instantie zal worden gericht op het creƫren van stabilisatie en structuur door middel van een dagbesteding in de vorm van school of activiteiten en het voeren van gesprekken. Uiteindelijk is het doel om meer inzicht te krijgen op de emotieregulatie en gedragsproblematiek van [minderjarige] en passende hulpverlening in te zetten.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] kent een belast verleden. Het gaat al een langere tijd niet goed met [minderjarige] en de moeder maakt zich grote zorgen. Er is ook sprake van automutilatie. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] de juiste hulp bieden. De moeder is blij dat [minderjarige] nu eindelijk hulp krijgt, maar is ontevreden over de manier waarop door [naam instelling] naar haar wordt gecommuniceerd. De moeder heeft lang in onwetendheid gezeten over de verblijfplek van [minderjarige]. Zij zou in eerste instantie worden geplaatst op een groep in Zutphen, maar uiteindelijk is dit [plaatsnaam] geworden. Ook zijn de begeleiders van [naam instelling] niet goed bereikbaar en zij geven geen duidelijk antwoord op vragen. Het is onduidelijk wanneer de moeder [minderjarige] mag bezoeken. Ook het contact tussen de advocaat van de moeder en de begeleiding van de groep verliep moeizaam.
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De vader staat achter het verzoek van de Raad en wil het beste voor [minderjarige]. Wel moet goed worden onderzocht welke hulpverlening passend is voor [minderjarige]. De vader vraagt zich af of [naam instelling] hiervoor de juiste instantie is, omdat [minderjarige] een smartphone heeft gekregen van de begeleiding. Dit is zorgwekkend omdat [minderjarige] met deze telefoon in contact kan komen met het netwerk dat een negatieve invloed op haar heeft, waarvan zij nu juist op afstand is geplaatst. Daar komt bij dat de moeder en de vader geen toestemming hebben gegeven voor deze telefoon. Het is belangrijk dat de communicatie met de groep verbetert.
5. De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er grote zorgen zijn over [minderjarige]. [minderjarige] vertoont agressief en zelfbepalend gedrag en er zijn zorgen over haar mentale gezondheid. Zij is meerdere malen weggelopen van huis, gaat niet naar school en er is bij haar sprake van automutilatie. De ouders hebben geen grip op [minderjarige]. Het lukt hun onvoldoende om [minderjarige] in haar gedrag te begrenzen, waardoor zij op dit moment niet thuis kan verblijven. Op dit moment verblijft [minderjarige] op een crisisgroep van [naam instelling] in [plaatsnaam]. De kinderrechter acht deze buiten regionale plaatsing in het belang van [minderjarige] om structuur en passende begeleiding te kunnen bieden. De komende tijd wordt gewerkt aan het vinden van een passende dagbesteding voor [minderjarige], bij voorkeur in de vorm van school met eventueel aanvullende activiteiten. Ook wordt onderzocht welke hulpverlening [minderjarige] nodig heeft. Toen de kinderrechter (na de zitting) haar beslissing telefonisch aan [minderjarige] wilde doorgeven, heeft zij zelf ervaren dat het niet van zelf ging om in contact te komen met de groep (en vervolgens met [minderjarige]). De kinderrechter benadrukt dat het van belang is dat de begeleiding van de groep van [minderjarige] bij [naam instelling] goed in contact staat en communiceert met de moeder, de vader en de GI. De begeleiding dient goed bereikbaar te zijn. De GI dient ervoor zorg te dragen dat hierover met de begeleiding van de groep goede afspraken worden gemaakt die ook worden nagekomen. Ook is het van belang dat de moeder en de vader worden betrokken bij belangrijke beslissingen die moeten worden genomen over [minderjarige]. Daaronder valt ook het gebruik van een smartphone door [minderjarige], te meer nu de ouders ter bescherming van [minderjarige] haar smartphone hebben afgenomen.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 21 april 2026.
De kinderrechter zak de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 april 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.