RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712175 / JE RK 25-2652
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B. Özateş, kantoorhoudende in Rotterdam.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift van 18 december 2025 met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
de OTS-rapportage van de GI van 10 december 2025, ontvangen op 22 december 2025;
het bericht van de GI, inhoudende een wijziging van het verzoek, van 23 januari 2026;
- het bericht van de advocaat van de moeder met bijlagen van 27 januari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 1] en [naam 2] .
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de pleegmoeder van [minderjarige] , [naam 3] , en de pleegmoeder van de broer van [minderjarige] , [naam 4] .
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft met zijn moeder bij [naam instelling] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 16 februari 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. In augustus 2025 is de moeder samen met [minderjarige] terechtgekomen bij [naam instelling] . Dit proces verliep goed, maar na verloop van tijd kwamen er zorgelijke signalen naar voren. Hierover is de GI meermaals in gesprek gegaan met de moeder en langs geweest. Dit heeft niet tot een duurzame verandering geleid. Uiteindelijk heeft de GI besloten een schriftelijke aanwijzing te geven aan de moeder, om haar een laatste kans te bieden. Dit heeft de situatie niet verbeterd en de GI verzoekt daarom, naast een verlenging van de ondertoezichtstelling, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De GI geeft aan dat de moeder sinds dit besluit een positieve gedragsverandering heeft laten zien en op eigen initiatief hulp heeft gezocht bij Antes.
De moeder voert geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. Door en namens de moeder wordt ter zitting verzocht om afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het verzoek betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing is summier onderbouwd. Daarnaast blijkt niet uit de stukken dat de moeder zich niet aan de voorwaarden van de schriftelijke aanwijzing heeft gehouden. De hulpverlening is tekortgeschoten en de moeder heeft zelf hulp gezocht bij Antes. Er zijn geen indicaties dat deze zorg niet zal aanslaan. Een machtiging tot uithuisplaatsing moet een allerlaatste redmiddel zijn en op dit moment kan niet gesteld worden dat alle andere alternatieven al geprobeerd zijn. De moeder vindt het fijn dat [minderjarige] , wanneer nodig, naar het pleeggezin kan. Wat haar betreft kan dit ook vaker, als hiertoe de noodzaak bestaat. De moeder doet haar uiterste best om een goede moeder te zijn en dit gaat steeds beter.
5. De beoordeling
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
[minderjarige] wordt nog ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] verblijft sinds augustus 2025 samen met zijn moeder in de gezinsopvang van [naam instelling] . Sindsdien zijn er herhaaldelijk meldingen naar voren gekomen over onvoldoende zorg, veiligheid en stabiliteit van [minderjarige] . Het lukt de moeder vooralsnog niet om een duurzame verandering teweeg te brengen en de GI heeft daarom op 3 november 2025 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven. Het is positief dat de moeder sinds kort hulp heeft gezocht bij en ontvangt van Antes. Bezien moet worden of dit voldoende is en of de opvoedsituatie van [minderjarige] stabiel en veilig is en blijft.
De betrokkenheid van de jeugdbeschermer in het kader van een ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De machtiging tot uithuisplaatsing
Een uithuisplaatsing moet in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarige noodzakelijk zijn, zoals bedoel in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter is van oordeel dat van de noodzaak van een uithuisplaatsing op dit moment onvoldoende is gebleken en overweegt hiertoe als volgt.
De kinderrechter erkent dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] groot zijn. Tegelijkertijd is het voor de kinderrechter niet duidelijk welke specifieke incidenten, die ná de schriftelijke aanwijzing van 3 november 2025 hebben plaatsgevonden, ertoe hebben geleid dat de GI, kort na het afgeven van deze schriftelijke aanwijzing, heeft besloten dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig is. Daarbij komt dat het erop lijkt dat de overgang van de opname van de moeder bij Brijder naar haar verblijf bij [naam instelling] , zonder dat er adequate nazorg lijkt te zijn ingezet in verband met haar verslaving, een te grote stap is geweest. Er hebben zich (voor het afgeven van de schriftelijke aanwijzing) incidenten voorgedaan, waarbij de veiligheid van [minderjarige] in het gedrang is gekomen. De moeder heeft ondersteuning nodig om [minderjarige] een veilige, stabiele en passende opvoeding te geven. De GI zal moeten bezien of [naam instelling] deze ondersteuning aan de moeder kan geven of dat een verblijf van de moeder en [minderjarige] elders, waar zij die ondersteuning kan krijgen, noodzakelijk is.
Op dit moment is er geen sprake van een acuut gevaar in de ontwikkeling van [minderjarige] , waarvoor een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. De moeder ontvangt momenteel hulp vanuit Antes en er lijkt nu sprake te zijn van een voorzichtige positieve ontwikkeling van de moeder. Het verblijf bij [naam instelling] lijkt te stabieler te zijn. Daarnaast ziet de pleegmoeder, waar [minderjarige] in de weekenden verblijft, dat er de afgelopen tijd vooruitgang te zien is in het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] kan wellicht, indien nodig en in overleg, vaker logeren bij het pleeggezin.
Al met al is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] op dit moment niet noodzakelijk is. De kinderrechter wijst daarom dit verzoek af.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 16 februari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het verzoek van de GI over de machtiging tot uithuisplaatsing.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 5 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.