ECLI:NL:RBROT:2026:10209

ECLI:NL:RBROT:2026:10209

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer ROT 25/2950
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Last onder bestuursdwang waarbij eiser wordt opgedragen tenten te verwijderen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2950

(gemachtigde: mr. D. Gaasbeek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, het college

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een last onder bestuursdwang aan eiser op te leggen waarbij eiser wordt opgedragen zijn tenten uiterlijk op 10 januari 2025 om 11:00 uur van het [straatnaam] te [locatie] te verwijderen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de last onder bestuursdwang.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een last onder bestuursdwang aan eiser mocht opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 10 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd. Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Eiser heeft op 5 januari 2025 een demonstratie gemeld bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij op 8 januari 2025 om 12:00 uur een demonstratie wenst te houden en dat hij gebruik zal maken van spandoeken. De doelstelling van de demonstratie is als volgt weergegeven:

“Dat de gemeente en de sociale dienst haar afspraken naleeft, en met spoed de betalingen te voldoen gelang bijzondere rechtsbijstand en de geleden schade gelang de nalatigheid.”

Eiser heeft aangegeven 150 deelnemers te verwachten.

Uit de bestuurlijke rapportage van 9 januari 2025 volgt dat twee toezichthouders op 9 januari 2025 omstreeks 13:30 uur uit de hoofdingang van het stadskantoor liepen en daar twee tenten zagen staan. Er was één man, eiser, aanwezig bij de tenten. Eiser erkende de eigenaar te zijn van de tenten. Hij verklaarde dat hij niet aan het kamperen was, maar aan het protesteren. Eiser werd schriftelijk gewaarschuwd en verzocht de tenten te verwijderen. Aan die waarschuwing heeft eiser geen gevolg gegeven.

Aan eiser is vervolgens een voornemen tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgereikt. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze te geven.

Op 10 januari 2025 is aan eiser een besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang uitgereikt, omdat hij in strijd handelde met artikelen 2:10A en 4:18 van de Algemene plaatselijke verordening Dordrecht. Eiser kreeg tot 11:00 uur de tijd om de tenten te verwijderen. Eiser heeft dit nagelaten en het college heeft de tenten verwijderd. Eiser heeft bezwaar ingediend tegen de last onder bestuursdwang. Bij het bestreden besluit van 19 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Gronden van beroep

4. Eiser voert aan dat het college niet bevoegd was om een last onder bestuursdwang toe te passen en de demonstratie te beëindigen. Eiser had een kampement opgezet en die kwalificeerde als demonstratie. Slechts de burgemeester kan op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) een demonstratie beëindigen. Het recht op demonstratie, zoals bedoeld in artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan slechts worden beperkt bij wet in formele zin, niet bij Algemene plaatselijke verordening (APV). Het college heeft in strijd gehandeld met artikel 11 van het EVRM, nu een last onder bestuursdwang in geval van een betoging niet ‘prescribed by law’ is en de aanhouding van eiser en ontruiming van het kampement geen legitiem doel dienden en niet noodzakelijk waren, aldus eiser.

De bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang vloeit voort uit artikel 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet en uit artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van die bepalingen is het college bevoegd om handhavend op te treden tegen overtredingen van gemeentelijke verordeningen zoals de APV. Dit is een algemene en vaste taak van het college die betrekking heeft op het ordelijke gebruik van de openbare ruimte.

Eiser heeft op 5 januari 2025 een demonstratie gemeld bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en heeft daarbij aangegeven dat hij op 8 januari 2025 om 12:00 uur een demonstratie wenst te houden. Hij heeft aangegeven dat hij gebruik zou maken van spandoeken. Eiser heeft niet aangegeven gebruik te zullen maken van tenten. Ook heeft hij de demonstratie voor één dag aangemeld. Het college hoefde daarom in ieder geval niet bedacht te zijn op tenten en ook niet op een dag na de dag van demonstratie. Er was verder ook geen reden voor het college om het kampement te zien als onderdeel van de demonstratie.

De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de toegepaste last onder bestuursdwang uitsluitend betrekking had op het verwijderen van zonder vergunning geplaatste tenten en het beëindigen van het zonder vergunning plaatsen of laten staan van kampeermiddelen in strijd met artikel 2:10A en artikel 4:18 van de APV. Het betrof daarom reguliere handhaving van verordeningsregels en niet een besluit over het verloop van een manifestatie in de zin van artikel 7 van de Wom (nog daargelaten de vraag of eisers feitelijke eenmensprotest onder de reikwijdte van artikel 9 van de Grondwet en de Wom valt). In eisers geval is de demonstratie niet beëindigd. Het college wijst er terecht op dat eiser op de aangewezen plaats en tijd mocht demonstreren, onder de gestelde voorwaarden. Het gebruik van de openbare ruimte als kampeer- of slaapplek was verboden en het plaatsen van tenten zonder vergunning was niet toegestaan. De toegepaste bestuursdwang had uitsluitend tot doel de overtreding van de APV te beëindigen en niet om een demonstratie te stoppen.

Anders dan eiser stelt, verzet artikel 5:23 van de Awb zich niet tegen de oplegging van een last onder bestuursdwang. Het college heeft de last niet ingezet ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Op 9 januari 2025 zijn de feiten geconstateerd en vastgelegd in een bestuurlijke rapportage. Er is eerst een voornemen aan eiser uitgereikt om een last onder bestuursdwang op te leggen. Eiser heeft ervoor gekozen geen zienswijze in te dienen. Pas op 10 januari 2025 heeft het college het primaire besluit genomen en kreeg eiser tot 11:00 uur de tijd om de tenten te verwijderen.

De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de last onder bestuursdwang mocht opleggen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.J. Klomp

Griffier

  • mr. M.M. Mercelina

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand