Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummers: C/10/670886 / FA RK 23-9287 en C/10/696667 FA RK 25-2300
Beschikking van 28 januari 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Sangar te Rotterdam,
t e g e n
[naam man] , hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.J. Sparreboom te Barendrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 december 2023;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlagen, ingekomen op 26 februari 2024;
het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 5 december 2024;
het aanvullend zelfstandig verzoek van de man met bijlagen, inkomen op
6 januari 2025
het verweerschrift van de vrouw op het (aanvullend) zelfstandig verzoek tevens aanvullende verzoeken met bijlagen, ingekomen op 4 maart 2025;
het bericht met bijlagen van de man van 21 mei 2025;
het aanvullend verzoek van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 6 juni 2025;
het verweerschrift van de man op het aanvullend verzoek tevens aanvullende zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 9 juni 2025;
het aanvullend/gewijzigd zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op
30 oktober 2025;
- het verweer op het aanvullend/gewijzigd zelfstandig verzoek van de man, tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 31 oktober 2025;
Buiten de toegestane termijn is het bericht met bijlagen van de vrouw van
4 november 2025 overgelegd. De rechtbank zal, met instemming van de man, kennisnemen van dit stuk.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
10 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Tijdens de mondelinge behandeling is zowel door de advocaat van de man als door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd. Daarnaast heeft de man, met instemming van de vrouw, nog stukken overgelegd.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank kennisgenomen van het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 november 2025.
2. De vaststaande feiten
Partijen hebben op 13 juni 2014 huwelijkse voorwaarden laten opmaken.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .
3. De beoordeling
Inleiding
In de loop van de procedure hebben partijen hun verzoeken over en weer gewijzigd. De rechtbank beoordeelt hierna alleen de verzoeken waarop nog beslist moet worden.
Scheiding
De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt daartoe dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor de duur van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
De man voert gemotiveerd verweer.
Op het moment van de mondelinge behandeling woonden partijen nog samen in de echtelijke woning. Deze woning is een gemeenschapsgoed. De man wil de woning overnemen. De vrouw is nog steeds deelgenoot en heeft recht op het genot van deze woning zolang de woning niet is overgedragen aan de man of een derde. Hoewel de huidige situatie waarin partijen in de echtelijke woning een afzonderlijk leven leiden voor hen niet ideaal is, is gesteld noch gebleken dat sprake is van een onhoudbare situatie. De rechtbank vindt het daarom niet onredelijk om de huidige situatie nog iets langer te laten voortduren. Als het de man lukt om de toedeling van de woning aan hem te financieren, dan eindigt het deelgenootschap op het moment dat de man de woning goederenrechtelijk krijgt geleverd. Vanaf dat moment is de man 100% gerechtigd tot het gebruik van de woning.
Mocht deze goederenrechtelijke levering plaatsvinden vóór afloop van de verzochte termijn van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, dan acht de rechtbank de vrouw vanaf dat moment financieel in staat om (tijdelijk) elders te verblijven. De vrouw heeft ter zitting aangegeven op zoek te zijn naar andere woonruimte en in ieder geval bereid te zijn de woning voor afloop van de verzochte termijn te verlaten, mits het de man lukt de vrouw uit te kopen. De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw daarom toe tot het moment dat de man de woning goederenrechtelijk krijgt geleverd, dan wel tot uiterlijk zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden
De vrouw verzoekt, na wijziging, over te gaan tot de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap waarbij de rechtbank dient:
a. te bepalen dat de helft van de door de man ontvangen rente - zijnde een bedrag van € 2.548 - door de man ontvangen op de rekening bij Moneyou (eindigend op [nummer 1] ) en de rekening bij de ING Bank (eindigend op [nummer 2] ), aan de vrouw toekomt en dat de man dit bedrag binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw moet voldoen;
b. vast te stellen dat de man gedurende het huwelijk van partijen een bedrag van
€ 20.000,- aan schenkingen heeft ontvangen;
c. vast te stellen dat het privévermogen van de vrouw € 265.247,- bedraagt;
d. primair vast te stellen dat het aandeel van de vrouw in de aankoop van de grond en in de aflossing van de hypothecaire geldlening gelijk is aan die van de man en dat de helft van de overwaarde van de woning minus de openstaande hypotheekschuld aan de vrouw toekomt;
e. subsidiair vast te stellen dat haar aandeel in de aankoop van de grond ten minste
€ 60.000,- bedraagt, haar aandeel in het aflossen van de hypothecaire geldlening ten minste € 26.000,- bedraagt en dat aan de vrouw conform de beleggingsleer toekomt haar eigen gerendeerde inleg (€ 86.000/372.735 x huidige waarde) plus de helft van de resterende overwaarde, na verrekening van de eigen inleg van de man;
f. te oordelen dat de Lexus aan de man wordt toebedeeld, onder de voorwaarde dat de man de helft van de dagwaarde (zijnde een bedrag van € 9.275,-) binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw moet voldoen;
g. te oordelen dat de man de helft van de opbrengst van de motor Yamaha (zijnde een bedrag van € 3.500,-) binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw moet voldoen;
h. te bepalen dat de ontslagvergoeding van de man in de gemeenschap valt en dat de man de helft van dit bedrag (zijnde € 5.000,-) binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw moet voldoen;
i. te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van zijn betaalrekening bij de ING Bank eindigend op [nummer 2] binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking aan de vrouw een bedrag van € 2.910,93,- moet voldoen;
j. te bepalen dat de man in het kader van de verdeling van de spaarrekening van de man bij de ING Bank eindigend op [nummer 3] binnen 14 dagen na te wijzen beschikking aan de vouw een bedrag van € 61.118,92,- moet voldoen;
k. te bepalen dat de man binnen 14 dagen na de te wijzen beschikking de tien schadevrije jaren die aan de SEAT MII, kenteken [kenteken] , zijn gekoppeld, middels het ondertekenen van de afstandsverklaring, aan de vrouw moet overdragen.
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt, na wijziging, over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgt:
I. de (wijze van) afwikkeling van de tussen partijen vigerende huwelijkse voorwaarden af te wikkelen conform de punten 2. tot en met 19. van het aanvullend zelfstandig verzoek van 6 januari 2025;
II. het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan de man moet voldoen met betrekking tot de kosten van de huishouding;
III. het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan de man moet voldoen met betrekking tot de op haar naam staande bankrekening(en) en de op haar naam staande vermogensopbouwende polissen;
IV. de vrouw te veroordelen binnen vier weken na deze beschikking afschriften te overleggen van de bankrekeningen als genoemd onder punt 33 van het aanvullend/gewijzigd verzoek van 31 oktober 2025 over de periode juni 2023 tot en met september 2024 een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
V. het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan de man moet voldoen, althans aan de gemeenschap moet vergoeden uit hoofde van de gronden gesteld in de punten 2 tot en met 34 van het aanvullend zelfstandig verzoek van 31 oktober 2025.
Voor zover relevant zijn partijen in hun huwelijkse voorwaarden het volgende overeengekomen:
“(…)
Artikel 1
1. Er zal tussen de echtgenoten bestaan een gemeenschap van goederen overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voor de wettelijke gemeenschap van goederen, met uitzondering echter van:
a. de goederen, welke door de echtgenoten krachtens erfstelling, legaat of schenking zullen worden verkregen, welke laatstbedoelde goederen ieders persoonlijke eigendom zullen zijn en blijven, terwijl de op die verkrijging drukkende schulden en lasten - de wegens die verkrijgingen geheven belastingen als erf- en schenkbelasting -uitsluitend voor rekening van de verkrijger zullen zijn
b. de navolgende aan de verschenen persoon sub 1 toekomende saldi op de op zijn naam staande bankrekeningen:
1. het per vandaag op het SNS keuzedeposito met rekeningnummer [rekeningnummer 1] aanwezige saldo groot een honderd duizend euro (€ 100.000,00);
2. het per vandaag op de Moneyou kwartaalspaarrekening met rekeningnummer
[rekeningnummer 2] aanwezige saldo groot een honderd duizend euro (€ 100.000,00);
3. een deel ten bedrage van dertig duizend euro (€ 30.000 00) van het per vandaag op de ING Bank Oranje spaarrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer 3] aanwezige saldo. Het overige deel van het per vandaag op deze rekening aanwezige saldo, behoort tot de gemeenschap van goederen;
c. Premies en koopsommen, verschuldigd en/of betaald wegens overeenkomsten van levens- en ongevallenverzekering, gesloten of later overgenomen door een van de echtgenoten, op het leven van één hunner ten gunste van de andere echtgenoot, welke geheel ten laste komen van de begunstigde echtgenoot;
d. de hierna in artikel 2 vermelde vergoedingen.
2. Ook de opbrengsten van de in lid 1 sub a tot en met d gemelde vermogensbestanddelen, alsmede hetgeen voor een en ander in de plaats treedt, vallen niet in de tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen.
Artikel 2
De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van goederen of aflossing op schulden, of aandelen daarin, welke behoren tot het vermogen van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn opeisbaar bij vervreemding van die
goederen en bij ontbinding van het huwelijk. De vordering tot ontvangst van deze vergoedingen, zal geen rente dragen.
(…)”
Artikel 3.b
Kosten van de huishouding
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen daar evenredigheid daarvan.
Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, de huurprijs voor de echtelijke woning en renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto’s.
2. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.
Verdeling beperkte gemeenschap van goederen
Partijen hebben geen overeenstemming over de verdeling van de beperkte huwelijksgemeenschap (hierna: huwelijksgemeenschap). Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW). Bij een onroerende zaak vindt levering plaats door een daartoe bestemde notariële akte, gevolgd door de inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers (artikel 3:89 BW).
De peildata
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 20 december 2023.
Voor de peildatum van de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
Voor een saldo van een bankrekening vindt geen waardering plaats. Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de huwelijksgemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
Voor een schuld vindt ook geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
De samenstelling
Volgens partijen dan wel één van hen bestond de huwelijksgemeenschap op de peildatum uit de volgende bestanddelen:
Goederen:
de echtelijke woning aan de [adres] , met daarop rustende hypothecaire geldlening bij Quion 9 B.V. met nummer [nummer 4] ;
de inboedelgoederen;
het saldo op de rekening bij de ING Bank op naam van de man met nummer [rekeningnummer 3] ;
het saldo op de spaarrekening bij de ING Bank op naam van de man met nummer [rekeningnummer 4] ;
het saldo op de rekening bij de ING Bank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 5] ;
het saldo op de spaarrekening bij de ING Bank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 6] ;
het saldo op de betaalrekening bij de Rabobank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 7] ;
et saldo op de betaalrekening bij de Rabobank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 8] ;
het saldo op de rekening bij de ABN AMRO Bank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 9] ;
het saldo op de rekening bij de Rabobank op naam van de vrouw met nummer [rekeningnummer 10] ;
verschillende buitenlandse rekeningen op naam van de vrouw;
de vermogensopbouwende polissen op naam van de vrouw;
de ontslagvergoeding van de man;
de afkoop van het pensioen van beide partijen;
de auto Lexus;
de auto Seat en de daarbij behorende de schadevrije jaren;
de motor Yamaha;
de fietsen van het merk Stromer en van het merk Koga.
Schulden:
de aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2023 en 2024.
Ad a. de echtelijke woning
Partijen zijn het erover eens dat de man in de gelegenheid gesteld moet worden om te onderzoeken of hij in staat is de echtelijke woning over te nemen. Mocht de man hiertoe niet in staat zijn, dan zijn partijen het eens dat de woning wordt verkocht aan een derde.
In geschil is de waarde van de woning en het lukt partijen niet om het eens te worden over de taxateur. Daarom heeft de vrouw voorgesteld het zogenaamde spoorboekje van de rechtbank te gebruiken. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank bepaalt daarom als volgt:
Taxatie
De taxatie zal plaatsvinden op de volgende manier:
binnen twee weken na deze beschikking selecteert de man drie makelaarskantoren (die NWWI-taxaties verrichten) en stuurt deze selectie naar de vrouw,
na ontvangst daarvan kiest de vrouw binnen één week uit die selectie een makelaar,
na deze keuze moet de makelaar binnen zes weken de woning taxeren.
Hierbij geldt dat partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen verrichten:
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot taxatie,
aanleveren van eventueel door de makelaar verzochte documenten;
betaling van hun deel van de eventuele aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar.
Toedeling aan de man
Na ontvangst van het taxatierapport laat de man binnen één week aan de vrouw weten of hij de woning toegedeeld wil krijgen voor de getaxeerde waarde. Als de man de toedeling van de woning wenst, krijgt hij vervolgens drie maanden de gelegenheid te onderzoeken of hij deze toedeling kan financieren en daarmee de vrouw kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
De onder- of overwaarde (getaxeerde waarde minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning) wordt door partijen bij helfte gedragen of gedeeld.
Bij de toedeling van de woning aan de man komen de kosten verbonden aan de verdeling en levering voor zijn rekening.
Verkoop
Als het de man niet lukt de financiering binnen drie maanden te regelen, moet de woning verkocht worden aan een derde. De makelaar die de woning heeft getaxeerd, wordt dan ook de verkopende makelaar. Hierbij geldt dat partijen zo spoedig mogelijk de volgende handelingen verrichten:
invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop,
aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,
leveren van een set sleutels aan de makelaar, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan het bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, binnen de door de makelaar gestelde termijn,
meewerken aan geplande bezichtigingen,
zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging,
alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en (op)levering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
het tekenen van de koopovereenkomst,
het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
Bij dit alles geldt nog het volgende:
voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft,
in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde,
partijen dragen de aan de verkoop en levering verbonden kosten ieder bij helfte,
als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers.
De onder- of overwaarde (verkoopprijs minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning minus (verkoop)kosten) wordt door partijen bij helfte gedragen of gedeeld.
Ad b. de inboedelgoederen
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat zij, al dan niet met hulp van hun advocaten, in onderling overleg de inboedelgoederen zullen verdelen. Er ligt dan ook geen taak meer voor de rechtbank.
Ad c. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van de man
Vast staat dat het saldo op deze betaalrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort, op de peildatum € 5.821,87 bedroeg en bij helfte moet worden verdeeld. De rekening staat op naam van de man zodat de rechtbank begrijpt dat hij de rekening zal voortzetten onder betaling van € 2.640,59 aan de vrouw.
Ad d. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van de man
De rechtbank begrijpt dat deze rekening wordt bedoeld in artikel 1 lid 1, onder b, onder 3 van de huwelijkse voorwaarden waar staat ‘de ING Bank Oranje spaarrekening met het rekeningnummer [rekeningnummer 3] ’. Dit rekeningnummer was ook toen al geen spaarrekening, maar de betaalrekening waaraan de spaarrekening [rekeningnummer 4] gekoppeld is.
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze spaarrekening op de peildatum € 122.237,85 bedroeg en dat hiervan € 26.237,85 gemeenschapsgeld betreft. Dit gemeenschapsgeld moet volgens partijen bij helfte worden verdeeld.
De man stelt dat het restant van het saldo (€ 96.000,-) zijn privévermogen is. De vrouw weerspreekt dit. Gelet op de betwisting van de vrouw ligt het op de weg van de man zijn stelling dat een deel van het saldo privévermogen betreft, nader te onderbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat hij dit niet kan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man er niet in is geslaagd aan te tonen dat het bedrag van € 96.000,- tot zijn privévermogen behoort. Daarmee behoort het gehele saldo op de peildatum tot de huwelijksgemeenschap en moet dit bij helfte worden verdeeld. De rekening staat op naam van de man zodat de rechtbank begrijpt dat hij de rekening zal voortzetten. De man moet in het kader van de verdeling een bedrag van € 61.118,93 aan de vrouw betalen.
Ad e. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 5] op naam van de vrouw
Vast staat dat het saldo op deze betaalrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort, op de peildatum € 12,85 bedroeg en bij helfte moet worden verdeeld. De rekening staat op naam van de vrouw zodat de rechtbank begrijpt dat zij de rekening zal voortzetten onder betaling van € 6,43 aan de man in het kader van de verdeling.
Ad f. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 6] op naam van de vrouw
Niet in geschil is dat het saldo op deze spaarrekening op de peildatum € 95.001,- bedroeg. Vast staat dat deze rekening in de huwelijkse voorwaarden niet is uitgezonderd van de gemeenschap. In geschil is of het saldo op de rekening al dan niet tot de huwelijksgemeenschap behoort en al dan niet bij helfte moet worden verdeeld. De vrouw stelt dat het saldo bestaat uit schenkingen en erfenissen die behoren tot haar privévermogen, zodat het gehele saldo aan haar toegedeeld moet worden. De man weerspreekt dit.
Ter onderbouwing van haar stelling stelt de vrouw dat zij gedurende het huwelijk van partijen een bedrag van € 265.247,- aan schenkingen en erfenissen heeft ontvangen. Van dit bedrag heeft zij € 197.712,- giraal ontvangen en het resterende deel (een bedrag van € 67.525,-) heeft de vrouw contant ontvangen. Ter onderbouwing van de giraal ontvangen schenkingen en erfenissen heeft de vrouw uitdraaien overgelegd van de door haar ontvangen gelden op haar betaalrekening bij de Rabobank eindigend op [nummer 5] (productie 3). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat het voor haar ouders niet mogelijk was de schenkingen en erfenissen rechtstreeks op de spaarrekening van de vrouw te storten, zodat zij de bedragen op haar betaalrekening hebben overgemaakt. De vrouw heeft de ontvangen gelden vervolgens doorgestort naar haar andere spaarrekeningen. Volgens de vrouw was er geen sprake van vermenging van gelden. Zij stelt daartoe dat er op het moment van de storting sprake was van een laag saldo op de betaalrekening en dat dit saldo is gevoed met de schenkingen en erfenissen. Daarmee is volgens de vrouw duidelijk dat het gehele saldo uit schenkingen en erfenissen die niet tot de huwelijksgemeenschap behoren bestaat. Dat er ook ander geld op de betaalrekening werd overgemaakt zoals haar salaris, maakt dat volgens de vrouw niet anders, want dat lage inkomen staat niet in verhouding tot de hoge bedragen ter zake van de schenkingen en erfenissen. De man voert aan dat sprake is van een carrousel aan transacties, waarvan sommige een omschrijving bevatten en andere niet. Volgens de man staat niet vast dat het saldo op de peildatum op deze spaarrekening privévermogen van de vrouw is.
Om te kunnen beoordelen of het saldo op de peildatum privévermogen van de vrouw is, moet de rechtbank kunnen constateren dat op de verschillende data waarop de door de vrouw gestelde schenkingen zijn overgeboekt naar de betaalrekening er geen gemeenschapsgeld op de betaalrekening aanwezig was. Met andere woorden, er moet vastgesteld kunnen worden dat het saldo alleen is gevormd aan de hand van de girale privéstortingen van schenkingen en erfenissen, zodat geen sprake is van gemeenschapsgeld. Gesteld noch gebleken is wat de hoogte was van het saldo op de betaalrekening op de momenten dat een schenking of erfenis werd overgemaakt. Daarnaast is gesteld noch gebleken wat de hoogte van het saldo was op de spaarrekening op het moment dat de vrouw de bedragen heeft doorgestort. Voor de rechtbank moet het gestelde privégeld duidelijk traceerbaar en als zodanig identificeerbaar zijn om vast te kunnen stellen dat het privévermogen is. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw dit niet inzichtelijk heeft gemaakt zodat niet kan worden vastgesteld dat het saldo van de spaarrekening op de peildatum uitsluitend is opgebouwd uit gelden ontvangen uit schenkingen en erfenissen en dus geen sprake is geweest van vermenging. Het is niet de taak van de rechtbank de weg van de gelden en de verschillende saldi op de data van de afzonderlijke overboekingen te achterhalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van gemeenschapsgeld dat verdeeld moet worden. De rekening is inmiddels opgeheven, maar de vrouw moet in het kader van de verdeling een bedrag van € 47.500,50 aan de man betalen.
Ad g. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 7] op naam van de vrouw
Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze betaalrekening op de peildatum € 100.304,- bedroeg. De vrouw stelt dat dit saldo haar privévermogen is, terwijl de man aanvoert dat het tot de huwelijksgemeenschap behoort en bij helfte moet worden verdeeld.
Ter onderbouwing van haar stelling beroept de vrouw zich op dezelfde standpunten als zijn opgenomen onder 3.32. Onder verwijzing naar wat is overwogen onder rechtsoverweging 3.33. is de rechtbank ook voor het saldo op deze rekening van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat het saldo op de peildatum bestaat uit zuiver privévermogen. Het saldo op de peildatum moet daarom bij helfte worden verdeeld.
De rekening staat op naam van de vrouw zodat de rechtbank begrijpt dat zij de rekening zal voortzetten. De vrouw moet in het kader van de verdeling een bedrag van € 50.152,- aan de man betalen.
Ad h. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 8] op naam van de vrouw
Vast staat dat het saldo op deze betaalrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort, op de peildatum € 2.078,04 bedroeg en bij helfte moet worden verdeeld. De rekening staat op naam van de vrouw zodat de rechtbank begrijpt dat zij de rekening zal voortzetten onder betaling van € 1.039,02 aan de man in het kader van de verdeling.
Ad i. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 9] op naam van de vrouw
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat deze rekening door de vrouw is verzwegen. Ter onderbouwing stelt hij dat deze rekening voorkomt in de overgelegde bankafschriften, maar dat de vrouw de rekening niet heeft opgenomen in haar opsomming. De vrouw betwist dat dit een rekening is op haar naam. Volgens haar volgt uit verschillende transacties, waaronder die van 9 september 2024, dat bedragen zijn ontvangen als gevolg van een zogenaamde ‘tikkie’.
De rechtbank constateert dat uit door de vrouw overgelegde bankafschriften als productie 41 volgt dat zij op haar rekening eindigend [nummer 5] meerdere keren bedragen heeft ontvangen van het rekeningnummer eindigend op [nummer 6] . Hierbij staat steeds de omschrijving tikkie. Voor de rechtbank heeft de vrouw daarmee voldoende gemotiveerd betwist dat de rekening eindigend op [nummer 6] tot de gemeenschap behoort.
Ad j. het saldo op rekeningnummer [rekeningnummer 10] op naam van de vrouw
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat ook deze rekening door de vrouw is verzwegen gelet op een overboeking op 3 december 2024 (productie 41 van de zijde van de vrouw). Volgens de man ligt het op de weg van de vrouw informatie te verschaffen over de rekening. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de rekening is geopend na de peildatum.
De rechtbank heeft de vrouw vervolgens in de gelegenheid gesteld stukken hierover in het geding te brengen. Bij bericht van 19 november 2025 heeft de vrouw stukken overgelegd van verschillende rekeningen, maar niet van deze rekening. Bij de door de man genoemde overschrijving van 3 december 2024 staat de afkorting ‘tb’ vermeld. Dit staat voor ‘eigen rekening’. Gezien de tenaamstelling van de rekening lijkt het een rekening van de vrouw te zijn. Gesteld noch gebleken is dat het een rekening betreft met privévermogen van de vrouw. Ook is niet duidelijk geworden wanneer de rekening is geopend, voor of na
20 december 2023. In redelijkheid beslist de rechtbank daarom dat als deze rekening op de peildatum bestond en op naam van de vrouw stond het saldo op de peildatum bij helfte verdeeld moet worden.
Ad k. verschillende buitenlandse rekeningen op naam van de vrouw
Naast de twee hierboven genoemde rekeningen heeft de man gesteld dat de vrouw nog een aantal buitenlandse rekeningen heeft verzwegen en dat zij hierover informatie moet verstrekken. De vrouw heeft erkend dat drie van de door de man genoemde buitenlandse rekeningen op haar naam staan, maar ze voert aan dat deze zijn geopend na de peildatum en daarmee niet tot de huwelijksgemeenschap behoren. De andere twee rekeningen zijn de vrouw niet bekend. Hierna worden de verschillende rekeningen besproken.
De vrouw erkent dat de volgende buitenlandse bankrekeningen op haar naam staan:
de Yapi Kredi Bank ( [rekeningnummer 11] ),
de Nexent Bank ( [rekeningnummer 12] ) en
de Trade Republic Bank ( [rekeningnummer 13] ).
Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft de vrouw bij bericht van
19 november 2025, stukken van deze rekeningen overgelegd. Uit deze stukken volgt dat de genoemde rekeningen zijn geopend ná de peildatum, zoals door de vrouw gesteld. De saldi op deze rekeningen behoren dan ook niet tot de huwelijksgemeenschap.
Wat betreft de bankrekening bij de Belgische Bank ( [rekeningnummer 14] ) verwijst de man naar een transactie op 21 oktober 2024. De rechtbank is van oordeel dat deze rekening, gelet op het bankafschrift, niet op naam van de vrouw staat. De man heeft zijn stelling dat het saldo op deze rekening tot de gemeenschap behoort en verdeeld moet worden onvoldoende onderbouwd gezien de betwisting van de vrouw.
De laatste bankrekening die de man noemt, is een rekening bij de Trade Republic Bank eindigend op [nummer 7] . De rechtbank constateert dat de rekening van de vrouw bij deze bank zowel een Duits IBAN-nummer (zie rechtsoverweging 3.40.) als een Nederlands IBAN-nummer heeft. De rechtbank begrijpt het zo dat de vrouw een rekening heeft geopend bij de Trade Republic Bank en bij die gelegenheid een Duits IBAN-nummer kreeg, dat later is omgezet naar een Nederlands IBAN-nummer. Naar het oordeel van de rechtbank behoort het saldo op deze rekening dus niet tot de huwelijksgemeenschap.
Ad l. de vermogensopbouwende verzekeringen op naam van de vrouw
Tussen partijen staat niet ter discussie dat er twee verzekeringen zijn, maar wel of deze in de verdeling moeten worden betrokken. Uit de stukken volgt dat beide lijfrenteverzekeringen zijn overgezet naar lijfrentespaarrekeningen. In beginsel vallen de baten (de afkoopwaarde) op de peildatum van een vermogensopbouwende verzekering in een huwelijksgemeenschap als de verzekering een waarde vertegenwoordigt waarop een echtgenoot als verzekeringnemer aanspraak kan maken. In dat geval kan het zo zijn dat de waarde bij helfte moet worden gedeeld. In dit geval kan de rechtbank niet vaststellen of de verzekeringen tot de huwelijksgemeenschap behoren.
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de vrouw als begunstigde staat opgenomen op de polissen, maar niet als verzekeringsneemster. Dit betekent dat zij nog geen aanspraak heeft op de waarde, omdat het een aanspraak onder voorwaarde is. Er is niet komen vast te staan dat de vrouw de verzekeringsneemster was op de peildatum en ook is niet bekend wat de exacte waarde is op de peildatum. De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht over de verzekeringen zodat het niet mogelijk is hierover een beslissing te nemen.
Ad m. ontslagvergoeding man
Vast staat dat de man op 25 juli 2014 een ontslagvergoeding van € 10.000,- heeft ontvangen als gevolg van het einde van zijn dienstbetrekking. De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de helft van dit bedrag aan haar moet voldoen. De man voert verweer en stelt dat deze vergoeding aan hem verknocht is, zodat hij recht heeft op het gehele bedrag. Volgens de vrouw heeft de man nagelaten te onderbouwen dat sprake is van verknochtheid. Tussen partijen is in geschil of de ontslagvergoeding tot de huwelijksgemeenschap behoort.
Voor wat betreft de verknochtheid overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalt dat goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270) hangt het antwoord op de vraag of een goed op enigerlei bijzondere wijze aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.
De rechtbank komt niet toe aan de beantwoording van de vraag of de ontslagvergoeding van de man wel of niet verknocht is. De reden daarvan is simpel.
Om een goed wel of niet te kunnen verdelen moet het aanwezig zijn op de peildatum.
De ontslagvergoeding is al lang geleden, in juli 2014, in één keer uitbetaald op een bankrekening van de man waar ook andere bedragen op werden gestort en uitgaven van werden betaald. Op grond van de door partijen verstrekte informatie kan de rechtbank de ontslagvergoeding niet meer als zodanig identificeren in het vermogen van partijen op de peildatum. Dat is ook niet vreemd. Het is immers goed voorstelbaar dat de ontslagvergoeding in de loop van de jaren is uitgegeven. De omstandigheid dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de ontslagvergoeding nog aanwezig was op de peildatum, maakt dat de rechtbank niets met deze vergoeding kan in het kader van de verdeling en dus ook niets met de verzoeken van partijen op dit punt.
Ad n. afkoop pensioen van beide partijen
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat ieder behoudt wat hij of zij heeft ontvangen en dat dit geen onderdeel uitmaakt van de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Ad o. de auto Lexus
Partijen zijn het erover eens dat deze auto wordt toegedeeld aan de man onder verrekening van de helft van de waarde. Over de waarde zijn partijen het ook eens, te weten een bedrag van € 18.550,-. Dit betekent dat de man in het kader van de verdeling een bedrag van € 9.275,- aan de vrouw moet betalen.
Ad p. de auto Seat en schadevrije jaren
Partijen zijn het erover eens dat deze auto wordt toegedeeld aan de vrouw onder verrekening van de helft van de waarde. Over de waarde zijn partijen het ook eens, te weten een bedrag van € 5.450,-. Dit betekent dat de vrouw in het kader van de verdeling een bedrag van € 2.725,- aan de man moet betalen.
Wat betreft de tien schadevrije jaren behorende bij deze auto hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat de man uiterlijk op 17 november 2025 het daartoe bestemde overdrachtsformulier ondertekent en persoonlijk aan de vrouw overhandigt onder voorwaarde dat de vrouw de door haar verzochte dwangsom intrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw dit deel van haar verzoek ingetrokken. Gelet op de bereikte overeenstemming heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek.
Ad q. de motor Yamaha
De man stelt dat de motor, die inmiddels door hem is verkocht voor een bedrag van € 7.000,-, aan hem is verknocht zodat de vrouw geen recht heeft op de helft van het verkoopbedrag. Volgens de man was het motorrijden zijn hobby waar de vrouw niets van wilde weten. Hij is al ruim 40 jaar ‘besmet met het virus motorrijden’ en heeft een emotionele band met zijn motor. De vrouw voert aan dat de motor een gemeenschapsgoed is en er geen sprake is van verknochtheid.
Onder verwijzing naar het eerder genoemde artikel 1:94 lid 3 (oud) BW in rechtsoverweging 3.45. is de rechtbank van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat de motor een zodanig hoogstpersoonlijk goed is dat aan hem is verknocht. De door de man gestelde emotionele band is daartoe niet voldoende, omdat voor de verknochtheid niet de subjectieve beleving, maar de aard of de bestemming van het goed doorslaggevend is. De motor is een gemeenschapsgoed waarvan de waarde bij helfte moet worden verdeeld. Omdat de motor inmiddels is verkocht, moet de man in het kader van de verdeling de vrouw, de helft van de verkoopopbrengst, dus een bedrag van € 3.500,-, betalen.
Ad r. de fietsen van het merk Strömer en Koga
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over dat de fietsen Strömer ST2 Sport en Koga Grand Tourer S aan de man worden toegedeeld en de fietsen Strömer ST2 Comfort en Koga Grand Tourer S-lady aan de vrouw. Dit alles zonder nadere verrekening. Er ligt dan ook geen taak meer voor de rechtbank.
Ad s. inkomstenbelasting 2023 en 2024
De man stelt dat hij aanslagen inkomstenbelasting heeft ontvangen over de jaren 2023 en 2024. Hij heeft deze betaald en de ontvangen aanslagen behoren volgens hem tot de huwelijksgemeenschap, waarbij ieder van partijen voor de helft draagplichtig is. Ook de vrouw stelt dat zij aanslagen heeft ontvangen over die jaren. De rechtbank constateert dat er op de peildatum vorderingen waren van de Belastingdienst op partijen. Ter zake van het (totaal)bedrag dat op de peildatum (20 december 2023) openstond aan belastingschulden zijn partijen op grond van de wet onderling bij helfte draagplichtig. Geen van partijen heeft verzocht een afwijkende draagplicht te bepalen, zodat er in het kader van de verdeling geen taak ligt voor de rechtbank.
Conclusie
De wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap zal gelast worden zoals hiervoor onder de rechtsoverwegingen 3.18. t/m 3.26., 3.28. t/m 3.36, 3.38., 3.48 t/m 3.49. en 3.51 t/m 3.52. is weergegeven.
De overige verzoeken van partijen met betrekking tot de verdeling wijst de rechtbank af gezien de te gelasten wijze van verdeling.
Rente
De vrouw verzoekt te bepalen dat de helft van de door de man ontvangen rente die de man via de rekeningen bij Moneyou (eindigend op [nummer 1] ) en de ING Bank (eindigend op [nummer 2] ) heeft ontvangen aan haar toekomt en dat de man dit bedrag binnen 14 dagen na de door de in deze te wijzen beschikking aan de vrouw moet voldoen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat als zij, bij de verdeling van het saldo op de bankrekening op naam van de man met nummer [rekeningnummer 4] geen recht heeft op de helft van het volledige saldo (waaronder het door de man gestelde bedrag van € 96.000,- dat volgens hem zijn privévermogen betreft), zij de verzochte rente moet ontvangen. De rechtbank begrijpt het verzoek over de rente daarom als een voorwaardelijk verzoek in het geval zij niet de helft van het saldo ontvangt. Uit rechtsoverweging 3.29. volgt dat de vrouw wel recht heeft op de helft van het gehele saldo van deze rekening. Daarmee wordt de voorwaarde niet vervuld en vervalt het verzoek van de vrouw met betrekking tot de rente. Er ligt dan ook geen taak meer voor de rechtbank.
Vergoedingsrechten van de man
De man verzoekt vier verschillende vergoedingsrechten vast te stellen waartegen de vrouw verweer voert. De rechtbank behandelt de vergoedingsrechten hierna per onderwerp afzonderlijk.
Vergoedingsrecht met betrekking tot de aankoop van de grond
De man stelt een vergoedingsrecht te hebben op grond van artikel 2 huwelijkse voorwaarden, omdat hij bij de aankoop van de grond € 134.642,- uit privévermogen heeft voldaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat dit om privévermogen van de man gaat. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt
Op de datum van het huwelijk ( [datum] ) was een totaalbedrag van € 230.000,- uitgesloten van de huwelijksgemeenschap. Dit was privévermogen van de man (artikel 1, lid 1, sub b huwelijkse voorwaarden).Vast staat dat partijen in 2015 een perceel bouwgrond hebben gekocht in Goudswaard waarop zij een woning hebben laten bouwen. De aankoop is verlopen via Koppelaar Notarissen Sliedrecht. Ter onderbouwing heeft de man een bankafschrift overgelegd als productie 6 waaruit blijkt dat hij vanaf de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 3] bedragen heeft overgeboekt naar die notaris, te weten op 13 oktober 2015 (€ 50.000,-), op 14 oktober 2015 (€ 50.000,-) en 15 oktober 2015 (€ 34.462,-), in totaal dus € 134.642,-. De omschrijvingen bij de betalingen zijn gelijk: ‘uitbreiding [locatie] ’. De rechtbank constateert dat de betalingen aan de notaris zijn gedaan vanaf een betaalrekening die niet in de huwelijkse voorwaarden is uitgesloten van het gemeenschapsvermogen. De man stelt dat de bedragen zijn overgeboekt van de spaarrekeningen waarop zijn privévermogen stond en die bij huwelijkse voorwaarden wel zijn uitgesloten, naar zijn betaalrekening. De vrouw heeft dit niet weersproken, maar stelt dat sprake is van vermenging. De vrouw voert daartoe aan dat er veel gelden over en weer zijn geboekt tussen de betaal- en spaarrekeningen en er ook gemeenschapsgeld op de betaalrekening van de man stond.
Voor de rechtbank is allereerst van belang te weten wat het saldo van de betaalrekening was op het moment dat de man vanaf zijn spaarrekeningen de bedragen naar de betaalrekening heeft overgeboekt. Dit is noodzakelijk omdat de man heeft verklaard dat op de betaalrekening ook andere gelden aanwezig waren op het moment van de overboekingen en hij op deze rekening bovendien zijn salaris ontving. Vervolgens is voor de rechtbank van belang te weten wat het saldo van de betaalrekening was op het moment dat de man de verschillende betalingen daadwerkelijk heeft verricht aan de notaris. Om te kunnen vaststellen dat het overgeboekte geld privévermogen van de man was, moet komen vast te staan dat er op dat moment geen gemeenschapsgeld op de betaalrekening aanwezig was. Hiervan zijn geen stukken overgelegd. Ook is niet bekend wat de ontwikkeling van de saldi op de spaarrekeningen die waren uitgesloten van de huwelijksgemeenschap was en of daarop sinds de huwelijkssluiting gemeenschapsgeld terecht is gekomen. Met andere woorden, zijn die uitgesloten rekeningen zuiver gebleven met privévermogen van de man. Voor de rechtbank is niet te achterhalen of de betalingen aan de notaris daadwerkelijk zijn voldaan uit zuiver privévermogen van de man. Dit ligt ook niet op de weg van de rechtbank, maar op de weg van de man. Hij moet aantonen dat zijn privévermogen zuiver is gebleven tijdens de overboekingen van zijn spaarrekening, naar zijn betaalrekening en vervolgens naar de rekening van de notaris. Dit heeft de man onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een vergoedingsrecht.
Vergoedingsrecht met betrekking tot de aflossingen van de hypotheek
De man stelt een vergoedingsrecht te hebben op grond van artikel 2 huwelijkse voorwaarden omdat hij een bedrag van € 132.214,49 uit zijn privévermogen heeft afgelost op de hypothecaire geldlening. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw is het naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat dit om privévermogen van de man gaat. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Ter onderbouwing heeft de man als productie 7 afschriften overgelegd van de betaalrekening van de man eindigend op [nummer 2] over de periode 21 november 2017 tot en met 10 januari 2023. Van deze bankrekening heeft de rechtbank hiervoor al overwogen dat het saldo tot de huwelijksgemeenschap behoort. De rechtbank constateert dat gedurende deze periode verschillende transacties hebben plaatsgevonden. Volgens de man hebben alle transacties in de bankafschriften betrekking op de aflossing van de hypotheek met zijn privévermogen. Uit de stukken volgt dat op 21 november 2017 en 27 november 2018
€ 5.000,- respectievelijk € 20.000,- is overgeboekt op de betaalrekening eindigend op [nummer 2] van de Moneyou spaarrekening eindigend op [nummer 1] die in de huwelijkse voorwaarden is uitgesloten van de huwelijksgemeenschap. Deze bedragen zijn ruim drie jaar na de huwelijksdatum overgeboekt. Voor de rechtbank is niet bekend of het saldo op de Moneyou spaarrekening na de huwelijksdatum zuiver is gebleven of dat daarop in de tussentijd gemeenschapsgelden zijn gestort. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de gelden ontvangen van de Moneyou spaarrekening privévermogen van de man betreffen. De geldstromen zijn niet als zodanig identificeerbaar of traceerbaar.
Vervolgens blijkt uit de afschriften dat op 23 november 2017 een bedrag van € 12.000,- is overgeboekt op de betaalrekening eindigend op [nummer 2] van de spaarrekening bij de ING Bank op naam van de man eindigend op [nummer 3] . Zoals eerder overwogen behoort het saldo op deze laatste rekening tot de huwelijksgemeenschap. Ten slotte volgt uit de bankafschriften dat in voornoemde periode verschillende aflossingen zijn gedaan bij hypotheeknemer Quion.
Het totaal aan aflossingen overstijgt de hiervoor genoemde op de betaalrekening overgeboekte bedragen. Daarbij komt dat de rechtbank niet kan concluderen dat de op de betaalrekening ontvangen bedragen privévermogen betreffen. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat alle aflossingen zijn gedaan met gemeenschapsgeld omdat de aflossingen zijn betaald van de tot de huwelijksgemeenschap behorende rekening op naam van de man eindigend op [nummer 2] waarvan vast staat dat het saldo uit gemeenschapsgeld bestond en dat niet vast is komen te staan dat er privévermogen van de man op deze rekening aanwezig was. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een vergoedingsrecht.
Vergoedingsrecht met betrekking tot een aantal door de man betaalde lasten
De man stelt een vergoedingsrecht te hebben op grond van artikel 2 huwelijkse voorwaarden omdat hij de kosten voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (€ 7.723,88), de aansluitkosten voor Evides (€ 1.060,-) en de aansluitkosten voor Stedin (€ 1.129,60) heeft betaald. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat dit om privévermogen van de man gaat. De rechtbank overweegt als volgt.
Ter onderbouwing heeft de man als productie 9 afschriften overgelegd van zijn betaalrekening eindigend op [nummer 2] over de periode 9 februari 2016 tot en met 22 maart 2016. De rechtbank constateert dat op deze rekening bedragen zijn ontvangen van de eerdere genoemde spaarrekeningen bij de ING Bank eindigend op [nummer 3] en bij Moneyou eindigend op [nummer 1] . Uit de afschriften blijkt verder dat de kosten voor de vergunning en de aansluitkosten van Evides en Stedin zijn betaald van voornoemde betaalrekening. Echter, net zoals is overwogen bij de hypotheekaflossingen, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze kosten daadwerkelijk met privévermogen van de man is betaald. Daarvoor heeft de man zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een vergoedingsrecht.
Vergoedingsrecht met betrekking tot (de aanschaf van) de auto en de fietsen
De man stelt een vergoedingsrecht te hebben op grond van artikel 2 huwelijkse voorwaarden omdat hij de aankoop van de auto, de fietsen en de premies van de fietsen van het merk Riese Muller uit zijn privévermogen heeft betaald. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat dit om privévermogen van de man gaat. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Net als bij de aflossing van de hypotheek is het niet mogelijk de geldstromen op de betaal- en spaarrekening te volgen en vast te stellen dat ten tijde van de betalingen er zuiver privévermogen op beide bankrekeningen van de man stond. Volgens de man heeft hij de aanschaf van de Honda Civic in 2015 met privévermogen betaald. Daartoe heeft hij productie 10 en 11 overgelegd. Uit productie 11 volgt dat er op 18 november 2015 een bedrag van € 10.000,- van de hiervoor eerder genoemde Moneyou spaarrekening is ontvangen en dat op 23 november 2018 het aankoopbedrag van € 10.400,- aan de garage is betaald van de betaalrekening van de man eindigend op [nummer 2] . Voor de rechtbank is niet bekend wat de hoogte van de saldi van de spaar- en betaalrekening was op het moment van de aankoop en dus staat niet vast dat er bij de aankoop op die rekening alleen privévermogen stond. Ditzelfde geldt voor de inruil van de Honda voor een Lexus in 2018. De man stelt bij deze inruil een bedrag van € 21.000,- uit privévermogen te hebben betaald. Uit de door de man overgelegde productie 13 volgt wel dat er van de Moneyou spaarrekening op 19 december 2018 een bedrag van € 22.000,- is ontvangen op de betaalrekening van de man eindigend op [nummer 2] en dat er op 25 december 2018 een bedrag van € 21.000,- is betaald aan Lexus Rotterdam. Echter, ook hier kan de rechtbank niet vaststellen of op dat moment de saldi op beide rekeningen van de man alleen privévermogen betrof. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van vergoedingsrechten.
Hoewel er uit de door de man overgelegde productie 24 (aanschaf fietsen van het merk Riese Muller) en 25 (verzekering fietsen) volgt dat vlak voor of op de dag van de betaling van de betaalrekening eindigend op [nummer 2] bedragen zijn ontvangen van de spaarrekening van de man eindigend op [nummer 3] , heeft de rechtbank hiervoor al vastgesteld dat het saldo op deze spaarrekening tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de betalingen zijn gedaan met privévermogen van de man. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een vergoedingsrecht.
Conclusie vergoedingsrechten van de man
Gelet op bovenstaande wijst de rechtbank de verzoeken van de man tot het vaststellen van vergoedingsrechten af.
Vergoedingsrecht van de vrouw
De vrouw verzoekt primair vast te stellen dat het aandeel van de vrouw in de
aankoop van de grond en in de aflossing van de hypothecaire geldlening gelijk is aan die van de man en dat de helft van de overwaarde van de woning minus de openstaande hypotheekschuld aan de vrouw toekomt. Subsidiair verzoekt de vrouw een vergoedingsrecht vast te stellen waarbij het aandeel van de vrouw in de aankoop van de grond ten minste € 60.000,- bedraagt en het aandeel van de vrouw in het aflossen van de hypothecaire geldlening ten minste € 26.000,- bedraagt.
De rechtbank heeft hiervoor de vergoedingsrechten van de man met betrekking tot de aanschaf van de grond en de woning en de aflossing van de hypothecaire geldlening afgewezen. Daarmee is impliciet voldaan aan hetgeen de vrouw primair heeft verzocht. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van haar subsidiaire verzoek.
Kosten huishouding
De man verzoekt een verrekenvordering vast te stellen op basis van artikel 3.b van de huwelijkse voorwaarden omdat partijen volgens hem niet naar evenredigheid hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding en dit alsnog verrekend moet worden.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De man stelt dat de vrouw niet conform de bepaling in de huwelijkse voorwaarden heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding. Daartoe stelt de man dat zijn bijdrage in de kosten van de huishouding naar evenredigheid van de inkomens van beide partijen hoger is geweest. De man heeft bij bericht van 21 mei 2025 stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling. Volgens de vrouw heeft de man bij haar tijdens het huwelijk, gelet op de organisatie van hun financiën, het vertrouwen gewekt dat er (later) geen verrekening meer zou plaatsvinden over de kosten van huishouding. De man heeft jarenlang ‘stil’ gezeten en verzuimd een deugdelijke administratie te voeren, aldus de vrouw. Zij doet een beroep op rechtsverwerking.
De rechtbank zal allereerst het meest verstrekkende verweer van de vrouw bespreken, te weten het beroep op rechtsverwerking.
Uit vaste rechtspraak volgt dat rechtsverwerking kan worden aangenomen als de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Daarvoor is enkel tijdsverloop onvoldoende; er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden als het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt (zie onder meer Hoge Raad
12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24). In zijn algemeenheid zal dus niet snel sprake zijn van rechtsverwerking; dit zal alleen onder bijzondere omstandigheden het geval kunnen zijn.
Tijdens de mondelinge behandeling is aan partijen gevraagd of er tijdens de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden is gesproken met de notaris over de inhoud hiervan. Partijen hebben beiden verklaard dat er uitvoerig met de notaris is gesproken en dat de inhoud aan hen is uitgelegd. Zo heeft de man te kennen gegeven meerdere keren contact te hebben gezocht met de notaris om verduidelijking te krijgen. Ook de vrouw heeft aangegeven dat zij nadere toelichting van de notaris heeft gevraagd en die ook heeft gekregen. Met betrekking tot het artikel over de kosten van de huishouding hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de notaris hen er uitdrukkelijk op heeft gewezen hun financiële administratie goed bij te houden om de geldstromen te kunnen herleiden. Daarbij heeft de notaris hen geadviseerd een gezamenlijke bankrekening te openen voor de kosten van de huishouding zodat zij zouden bijdragen naar rato van ieders inkomen. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man het niet nodig vond hiervoor een aparte bankrekening te openen en dat alles van hen samen was. Daarop heeft de man aangegeven dat hij tijdens het huwelijk nooit aan verrekening heeft gedacht tot het moment dat de vrouw een erfenis zou gaan ontvangen. Volgens de man hebben de gebeurtenissen in die periode alles veranderd.
De rechtbank constateert dat partijen tot 2023 nooit hebben gesproken over de kosten van de huishouding en de bijdrage van ieder van partijen hieraan. Zij hebben er niet alleen nooit over nagedacht of gesproken; zij hebben er al die jaren ook nooit naar gehandeld. Het advies van de notaris bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden was duidelijk. Partijen erkennen beiden dat zij jarenlang dit advies niet hebben opgevolgd. De rechtbank is van oordeel dat de man onder deze omstandigheden, dus actief anders handelen dan het advies van de notaris en jarenlang niet naar rato van inkomen bijdragen in de kosten van de huishouding, niet tijdens de echtscheidingsprocedure alsnog kan verzoeken dat partijen tot verrekening over moeten gaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn recht hierop verwerkt. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de man af.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. In het geval dat geen sprake zou zijn van rechtsverwerking, dan zou de rechtbank het verzoek van de man ook afgewezen hebben. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld dan wel zijn verzoek tot verrekening van de huishoudkosten onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Hij laat na een concreet bedrag te verzoeken. In de stukken geeft de man aan dat hij de vordering niet kan specificeren, omdat hij niet beschikt over de benodigde gegevens en stukken van de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man echter desgevraagd expliciet verklaard dat hij wel over voldoende stukken beschikt om tot een berekening te komen, maar dit niet heeft gedaan. De man heeft zelfs zijn verzoeken die betrekking hadden op het doen afgeven door de vrouw van de benodigde stukken, ingetrokken.
Benadeling
De man verzoekt het bedrag vast te stellen dat de vrouw aan hem moet voldoen, althans aan de gemeenschap moet vergoeden primair op grond van het verzwijging en subsidiair op grond van verspilling.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Verzwijging
De rechtbank beoordeelt eerst de door de man genoemde primaire grondslag van zijn verzoek. De man stelt dat de vrouw door verschillende dubieuze transacties en het verzwijgen van bankrekeningen als deelgenoot op grond van artikel 3:194 lid 2 BW haar aandeel in de geldbedragen op de diverse genoemde bankrekeningen aan de man verbeurt omdat zij opzettelijk die tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt. De vrouw voert verweer.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad heeft beslist dat de sanctie in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW pas ingaat nadat de verdeling heeft plaatsgevonden (of zo begrijpt de rechtbank: nadat de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap is gelast). Tot aan dat moment kunnen partijen nog melding maken van (het bestaan van) een vermogensbestanddeel dat in de (wijze van) verdeling betrokken moet worden (ECLI:NL:HR:2015:3475). Omdat de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen nog niet heeft plaatsgevonden is het beroep van de man op artikel 3:194 lid 2 BW prematuur en zal de rechtbank hieraan voorbij gaan.
Verspilling
Wat betreft de subsidiaire grondslag beoordeelt de rechtbank alleen de standpunten voor zover deze zijn ingebracht in de overgelegde stukken voorafgaand aan de zitting. Het pas tijdens de mondelinge behandeling ingenomen standpunt dat de vrouw de overgelegde bankafschriften heeft gemanipuleerd door transacties weg te halen, acht de rechtbank te laat en in strijd te zijn met de goede procesorde. De vrouw heeft ook bezwaar gemaakt tegen het betrekken van dit nieuwe standpunt in de procedure.
Met betrekking tot de standpunten ingenomen in de stukken overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 1:164 lid 1 BW is een echtgenoot, na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden, als een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door deze echtgenoot is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 1:88 BW zonder de vereiste toestemming of machtiging heeft verricht.
De man verwijt de vrouw dat zij gelden van de gemeenschap heeft verspild. Hij stelt daartoe dat zij verschillende transacties heeft weggelakt in de door haar overgelegde bankafschriften van het jaar 2023 (productie 41).
De man heeft als productie 44 de bankafschriften overgelegd waarin de weggelakte transacties wel zijn opgenomen. De vrouw voert aan dat zij de door de man genoemde transacties al in haar verweerschrift van 4 maart 2025 heeft genoemd als zijnde haar privévermogen. Er is daarom geen sprake van benadeling van de gemeenschap, aldus de vrouw. Daarnaast voert zij aan dat de buitenlandse rekeningen geopend zijn na de peildatum.
De door de wet gebruikte terminologie: lichtvaardig en verspillen, veronderstelt dat er sprake moet zijn van opzettelijk benadelen of zonder enige redelijke grond verteren van gemeenschapsgoederen. De rechtbank constateert dat de man de gestelde verspilling niet heeft onderbouwd. Een enkele overboeking is nog niet aan te merken als een verspilling.
De vrouw was immers bestuursbevoegd. Het lag op de weg van de man nader toe te lichten waarom dit verspilling is. Dat heeft hij niet gedaan.
De rechtbank wijst het verzoek van de man af.
Regresvordering
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw de helft van de door de man betaalde aanslagen inkomstenbelastingen over de jaren 2023 (€ 16.225,-) en 2024 (€ 27.602,-) aan hem voldoet.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De rechtbank neemt aan dat de man de gestelde aanslagen uit 2023 en 2024 van in totaal € 43.827,- na de peildatum heeft betaald nu aanslagen inkomstenbelastingen in de regel het jaar volgend op het jaar waarop de aanslag ziet worden vastgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij (de rechtbank begrijpt: na de peildatum) over de jaren 2023 en 2024 ook aanslagen heeft ontvangen en betaald.
De man heeft daarop te kennen gegeven dat hij dan een deel van de aanslagen van de vrouw aan haar zal moeten betalen. Volgens de vrouw betaalden partijen gedurende het huwelijk altijd ieder hun eigen aanslagen en zij ziet niet in waarom dit nu anders zou zijn. De man erkent dat een ieder de eigen aanslagen betaalde, maar dit betekent niet dat ze er niet samen verantwoordelijk voor zijn. Daarover hebben partijen geen afspraken gemaakt, aldus de man.
De rechtbank begrijpt de stelling van de man aldus dat op de peildatum sprake was van een vordering IB van de belastingdienst op partijen over de periode 1 januari 2023 tot 20 december 2023 ter hoogte van afgerond € 15.744,-. De vrouw heeft dit niet weersproken. Dit betreft een gemeenschapsschuld waarvoor partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel en onderling voor de helft draagplichtig zijn. De man heeft onweersproken gesteld dat hij de volledige schuld betaald heeft. Dat betekent dat de man op grond van artikel 6:10 BW regres heeft op de vrouw voor de helft van het door hem betaalde bedrag. De rechtbank zal de vrouw daarom veroordelen om een bedrag van € 7.872,- aan de man te betalen uit hoofde van regres.
Voor het overige wordt de vordering van de man afgewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in de periode van 20 december 2023 tot en met 31 december 2024 fiscaal partner van elkaar waren. Fiscaal partnerschap brengt echter niet zonder meer gezamenlijke aansprakelijkheid voor belastingschulden met zich mee, in die zin dat partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel en onderling voor de helft draagplichtig zijn. De man heeft niet gemotiveerd waarom het in dit geval anders ligt.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] ;
bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] die aan de man onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten tot het moment waarop de man de woning goederenrechtelijk geleverd krijgt, maar uiterlijk tot zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, die nu op nihil wordt gesteld;
gelast de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 3.18. t/m 3.26., 3.28. t/m 3.36, 3.38., 3.48 t/m 3.49. en 3.51 t/m 3.52.;
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 7.872,- uit hoofde van regres;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, voorzitter en mr. L. Berghuis-Knijff en mr. S. Wahedi, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.M. de Witte, griffier, op 28 januari 2026.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.