ECLI:NL:RBROT:2026:10210

ECLI:NL:RBROT:2026:10210

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer ROT 25/3421
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is over een aantal periodes afgewezen. Over 2007 is er geen sprake van hardheid omdat de terugvordering het gevolg was van een reguliere wijziging. Over de maanden juli 2010 en april tot en met december 2010 en over 2012 bestond er evident geen recht op kinderopvangtoeslag omdat er geen kinderopvang is afgenomen

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

Dienst Toeslagen

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/3421

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer)

en

(gemachtigde: [naam] ).

1. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) over 2007, juli 2010, april tot en met december 2011 en 2012. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk.

Procesverloop

2. Met het besluit van 6 maart 2023 ( [kenmerk 1] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een bedrag van € 59.956,- toegekend aan compensatie over januari tot en met april 2009, 2010 (uitgezonderd juli) en januari tot en met maart 2011. Compensatie is afgewezen over 2006, 2007, 2008, mei tot en met december 2009, juli 2010, april tot en met december 2011 en 2012.

Met het besluit van 20 maart 2023 ( [kenmerk 2] ) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een tegemoetkoming vanwege een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld ( [kenmerk 3] van € 15.781,- toegekend over juli 2010, april tot en met december 2011, 2012 en 2013.

Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 6 maart 2023 deels gegrond verklaard en het compensatiebedrag vastgesteld op € 62.473,-, omdat de bedragen aan toeslagrente en immateriële schadevergoeding niet juist waren berekend. Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 maart 2023 is ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep tegen het bestreden besluit ingesteld en met brieven van

25 juli 2025 en 11 juni 2026 aanvullende beroepsgronden en stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres heeft drie kinderen. Voor twee kinderen (geboren op [geboortedatum 1] en [geboortedatum 2] ) heeft eiseres kinderopvangtoeslag ontvangen. Ze heeft zich op 11 februari 2021 bij de Dienst Toeslagen gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire en heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010 tot en met 2019. Later is de periode van de herbeoordeling gewijzigd naar de jaren 2006 tot en met 2013.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Aan de afwijzing van compensatie over het jaar 2007 is ten grondslag gelegd dat er geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel omdat de terugvordering regulier was. De afwijzing van compensatie over de maanden juli 2010, april tot en met december 2011 en het jaar 2012 is gebaseerd op het gegeven dat uit de KOI-viewer niet is gebleken dat er sprake was van kinderopvang zodat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.

Wettelijk kader

5. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende wettelijke regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De compensatie die naar aanleiding van de integrale beoordeling op grond van de Wht wordt toegekend bestaat uit een limitatief opgesomde reeks schadeposten, waarvan een deel forfaitair is vastgesteld. De berekening van de hoogte van de compensatie vindt plaats aan de hand van deze schadeposten.

6. Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht bepaalt dat geen compensatie wordt toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Uit de toelichting op de Wht blijkt dat daarvan in ieder geval sprake is als uit het dossier blijkt dat evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond in het onderzochte toeslagjaar. Dit is onder meer het geval als het kind in het geheel geen opvang heeft genoten.

Toeslagjaar 2007

7. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het jaar 2007 op de grond dat sprake is geweest van een te harde toepassing van het wettelijk systeem van de kinderopvangtoeslag. De kinderopvanginstelling heeft over 2007 € 1.254,- te veel ontvangen, maar dit bedrag is bij eiseres teruggevorderd. Er is daarom sprake geweest van een te harde toepassing van het wettelijk systeem. In totaal is over het jaar 2017 meer dan € 1.500,- teruggevorderd, zodat de drempel van artikel 2.1, vierde lid, van de Wht wordt gehaald.

Van hardheid van het stelsel kan sprake zijn als de kinderopvangtoeslag aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, maar bij de ouder wordt teruggevorderd, zoals zich over het jaar 2007 heeft voorgedaan. Echter, uit de toelichting op de Wht volgt dat geen sprake is van hardheid van het stelsel als de terugvordering het gevolg is van een zogeheten reguliere wijziging. Daarvan is in dit geval sprake. De terugvordering over 2007 was het gevolg van een afwijking tussen de uren op basis waarvan het voorschot kinderopvangtoeslag was berekend en het daadwerkelijk afgenomen aantal uren kinderopvang en een wijziging in het toetsingsinkomen. De Dienst Toeslagen heeft daarom terecht geen compensatie toegekend over het jaar 2007.

Toeslagjaren 2010 (juli) en 2011 (april tot en met december)

8. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geoordeeld dat eiseres over de maanden juli 2010 en april tot en met december 2011 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag, zodat zij ook geen recht heeft op compensatie over die maanden. De afwezigheid van een registratie in de KOI-viewer betekent niet dat er geen kinderopvang is geweest. Eiseres studeerde, was doelgroeper en heeft verklaard dat de kinderen op de buitenschoolse opvang zaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen aannemelijk gemaakt dat eiseres over de maanden juli 2010 en april tot en met december 2011 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag. Uit de gegevens in de KOI-viewer blijkt dat eiseres kinderopvang heeft afgenomen vanaf 1 januari tot en met 15 juni 2010, vanaf 1 augustus tot en met 31 december 2010 en vanaf 1 januari tot en met 31 maart 2011. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen niet van de gegevens in de KOI-viewer mocht uitgaan. De stelling van eiseres dat zij studeerde en daarom opvang nodig had, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens de gegevens in de KOI-viewer heeft eiseres in het jaar 2010 alleen in de periode van 16 juni tot en met 31 juli 2010 geen opvang afgenomen. Dat betreft de vakantieperiode en het ligt voor de hand dat eiseres gedurende die periode geen studieverplichtingen had. Voor het jaar 2011 is van belang dat eiseres tot 21 februari 2011 heeft gestudeerd (zoals blijkt uit het overzicht van DUO dat eiseres bij haar brief van 11 juni 2026 heeft gevoegd). De stelling van eiseres dat zij ook na 31 maart 2011 opvang nodig had vanwege haar studie, klopt dus niet.

Nu eiseres over de maanden juli 2010 en april tot en met december 2010 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag en gesteld noch gebleken is dat deze ernstige onregelmatigheid niet aan eiseres kan worden toegerekend, heeft de Dienst Toeslagen terecht geconcludeerd dat eiseres over deze maanden geen recht heeft op compensatie.

Toeslagjaar 2012

9. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over het jaar 2012. Eiseres heeft de brieven die aan haar zouden zijn verstuurd met het verzoek om informatie over de opvanglocatie niet ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de brieven met het verzoek om informatie over toeslagjaar 2012 daadwerkelijk aan eiseres zijn verstuurd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat eiseres die brieven niet heeft ontvangen. Door de kinderopvangtoeslag desondanks op nihil te stellen, heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld

Toch heeft eiseres geen recht op compensatie. De Dienst Toeslagen heeft immers terecht gesteld dat er geen aanwijzingen zijn die indiceren dat eiseres in 2012 kinderopvang heeft afgenomen en dus dat evident geen recht bestond op kinderopvangtoeslag. Er zijn geen gegevens over kinderopvang bekend. De enkele omstandigheid dat eiseres vanaf 1 augustus 2012 weer is gaan studeren, maakt niet dat getwijfeld moet worden aan de gegevens in de KOI-viewer. Dat eiseres studeerde, betekent namelijk niet noodzakelijkerwijs dat zij kinderopvang heeft afgenomen. Immers, ook in 2013 studeerde eiseres, maar niet in geschil is dat eiseres in dat jaar geen kinderopvang heeft afgenomen. Verder leidt de rechtbank uit de verklaring van de gemachtigde van eiseres op de hoorzitting in bezwaar af dat eiseres ervan uitging dat zij in 2012 geen kinderopvangtoeslag ontving: “In 2013 heeft belanghebbende geen opvang afgenomen. Dat is juist. Maar zij wist niet eens dat er KOT was toegekend. Zij heeft in 2012 geen geld ontvangen op haar rekening. Hoe had zij moeten weten dat er nog kinderopvang op haar naam stond?” Dat impliceert dat eiseres in 2012 geen kinderopvang heeft afgenomen. Nu eiseres over het jaar 2012 evident geen recht had op kinderopvangtoeslag en gesteld noch gebleken is dat deze ernstige onregelmatigheid niet aan eiseres kan worden toegerekend, heeft de Dienst Toeslagen terecht geconcludeerd dat eiseres over dit jaar geen recht heeft op compensatie.

Overschrijding redelijke termijn

10. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Naar vaste rechtspraak geldt het uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase samen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren, behoudens bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.

De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift ontvangen op 13 april 2023. Op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met afgerond 1 jaar en 4 maanden overschreden. Eiseres heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500,-. Het bestreden besluit is bekendgemaakt op 17 maart 2025, afgerond 1 jaar en 11 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. De overschrijding van de redelijke termijn is dus geheel aan de Dienst Toeslagen toe te rekenen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen een schadevergoeding van € 1.500,- aan eiseres moet betalen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie op grond van de Wht over het jaar 2007, de maand juli 2010, de maanden april tot en met december 2011 en het jaar 2012. Eiseres krijg het griffierecht niet terug. Zij krijg ook geen vergoeding van haar proceskosten.

11. De Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.500,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Eiseres heeft recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,- aan

eiseres;

- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr.J. Nieuwstraten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.B. Plomp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand