ECLI:NL:RBROT:2026:10212

ECLI:NL:RBROT:2026:10212

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 04-08-2026
Datum publicatie 17-08-2026
Zaaknummer ROT 25/2700
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Wabo. Omgevingsvergunning verleend voor het splitsen van een woning in drie appartementen en het maken van twee dakterrassen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat het bouwwerk niet overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat er met het bouwplan geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder. Verder is het bouwplan in overeenstemming met redelijke eisen van welstand. Anders dan het college stelt, is de rechtbank van oordeel dat in het bestemmingsplan geen planologische keuze is gemaakt over de toelaatbaarheid van het realiseren van een dakterras met het daarbij behorende gebruik van het dak als dakterras. De stelling dat het gebruik van het dakterras in overeenstemming is met de bestemming wonen deelt de rechtbank niet. Dat betekent dat de ruimtelijke impact van het gebruik van het dakterras en de daarbij behorende consequenties alsnog moeten worden beoordeeld. Het college heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de wijziging in de aanvraag van ondergeschikte aard is, waarvoor geen nieuwe aanvraag is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank is ook niet onderbouwd dat met het bouwplan geen sprake is van een onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. Verder is in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd of en in hoeverre wordt voldaan aan de planregels voor de aanduiding “karakteristiek”. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Toetsingskader

Besluit omgevingsrecht Artikel 2.7. Planologische gebruiksactiviteiten

Planregels bestemmingsplan “Oudwijk-Zuid”Artikel 1 Begrippen

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/2700

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats 1] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen

(gemachtigden: mr. S. Aleman en mr. B. Koc).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam derde partij] uit [woonplaats 2] (vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. A.J. Exterkate).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning in drie appartementen en het maken van twee dakterrassen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.

1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 11 juli 2024 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het splitsen van de woning aan de [straatnaam 1] in [locatie 1] in drie appartementen en het maken van een dakterras op de dakverdieping van het hoofdgebouw. Met het bestreden besluit van 18 februari 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven en heeft het college ook een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een dakterras op de aanbouw van de begane grond.

2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. Eisers hebben nadere stukken ingediend.

2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] namens eisers, de gemachtigden van het college, en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overgangsrecht Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 december 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

4. Vergunninghouder is eigenaar van de woning aan de [straatnaam 1] in [locatie 1] . Hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het splitsen van de woning in drie appartementen en het maken van een dakterras op de dakverdieping van het hoofdgebouw.

5. Met het primaire besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik (artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo). Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “ [locatie 2] ” (het bestemmingsplan). De gronden hebben, voor zover hier van belang, de bestemming “Wonen” met de bouwaanduiding “karakteristiek” en de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.Het bouwplan is volgens het primaire besluit in strijd met artikel 21.2.1, onder c, van de planregels van het bestemmingsplan, omdat voor het dakterras op de dakverdieping van het hoofdgebouw de maximumbouwhoogte van 11 m met 0,5 m wordt overschreden. Hiervoor is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1º, van de Wabo en artikel 32.1 van de planregels een afwijking van het bestemmingsplan vergund. Daarnaast is het bouwplan in strijd met artikel 30.1 van de planregels, omdat het aantal wooneenheden wordt vergroot. Hiervoor is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, van de Wabo en artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) een afwijking van het bestemmingsplan vergund.

6. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit in stand gelaten met een aanvulling van de motivering. Daarnaast heeft het college met het bestreden besluit naar aanleiding van een wijziging van de aanvraag alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een dakterras op de aanbouw van de begane grond. Dit betreft de activiteiten bouwen en planologisch strijdig gebruik. Het dakterras met hekwerk is in strijd met artikel 21.2.2, aanhef en onder d, van de planregels, omdat de aanbouw hierdoor hoger wordt dan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw. Hiervoor is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2º, van de Wabo en artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II bij het Bor een afwijking van het bestemmingsplan vergund. Volgens het college gaat het om een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.

7. Eisers wonen aan de [straatnaam 2] in [locatie 3] . Hun perceel grenst aan het perceel van vergunninghouder. Eisers zijn het niet eens met de splitsing van de woning in drie appartementen en het maken van twee dakterrassen.

8. In artikel 2.10 van de Wabo is bepaald op welke gronden een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden geweigerd. Dit zijn onder meer strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en strijd met redelijke eisen van welstand.Voor de activiteit planologisch strijdig gebruik is een binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan vergund. Uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 1°, van de Wabo volgt dat de activiteit moet voldoen aan de afwijkingsregels in het bestemmingsplan en niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast is een afwijking van het bestemmingsplan vergund op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wabo en artikel 4 van bijlage II bij het Bor een afwijking van het bestemmingsplan vergund. Ook hiervoor geldt dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

8.1. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, zoals die vóór 1 januari 2024 luidden, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoogd gebruik

9. Eisers vrezen dat het pand voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan waar de omgevingsvergunning in voorziet. De woning werd en wordt gebruikt voor kamerverhuur aan arbeidsmigranten. In juli 2023 is bij een controle geconstateerd dat de woning werd gebruikt voor kamerverhuur aan twaalf personen die niet één huishouden vormen. Hiervoor is op 19 februari 2024 een last onder dwangsom opgelegd aan de huurder van het pand. Volgens eisers wordt de woning nog steeds gebruikt voor kamerverhuur aan arbeidsmigranten en zijn er recent nog nieuwe arbeidsmigranten gehuisvest.

9.1. Het college is bekend met de illegale situatie van kamerverhuur in de woning en heeft hiertegen handhavend opgetreden, maar dit staat los van de vergunningverlening. De omgevingsvergunning maakt het huisvesten van meerdere personen die geen gezamenlijk huishouden voeren niet mogelijk. Op grond van de omgevingsvergunning mogen drie reguliere woningen worden gerealiseerd, die elk door één huishouden moeten worden bewoond. De omgevingsvergunning legaliseert de illegale bewoning dus niet.

9.2. Bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan moet op grond van vaste rechtspraak niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar moet mede worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming is indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Het concrete, beoogde gebruik van een bouwwerk kan op voorhand een reden zijn om een omgevingsvergunning voor bouwen te weigeren, maar alleen als op grond van de bouwkundige inrichting of anderszins redelijkerwijs valt aan te nemen dat dit gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan die, waarin de bestemming voorziet. De in de aanvraag opgenomen indeling van de woning bevat geen aanwijzingen dat het pand wordt ingericht voor kamerbewoning. Alhoewel de rechtbank goed begrijpt dat eisers vrezen dat de eerdere illegale kamerverhuur zal worden voortgezet, biedt dat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat na de verbouwing opnieuw illegale kamerverhuur zal plaatsvinden. Vergunninghouder heeft dat ook betwist, hij wil de woning splitsen in drie zelfstandige wooneenheden, die worden verhuurd aan één huishouden of maximaal twee personen die niet tot één huishouden behoren. Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat het bouwwerk niet overeenkomstig de bestemming wordt gebruikt. Indien de woning in de toekomst toch in strijd met de omgevingsvergunning wordt gebruikt, is dat een kwestie van handhaving.

Aantasting van het woon- en leefklimaat

10. Eisers zijn het niet eens met de splitsing van de woning in drie appartementen. Zij vrezen dat het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Het splitsen van het pand in drie afzonderlijke wooneenheden zal namelijk tot meer geluidsoverlast leiden dan wanneer het pand als één wooneenheid wordt gebruikt. Het college heeft daar te weinig rekening mee gehouden en heeft volstaan met een algemene overweging dat in stedelijk gebied meer hinder moet worden geduld.

10.1. In het bestreden besluit heeft het college een aanvullende motivering gegeven over de gevolgen van de splitsing in drie appartementen. Het college heeft er daarbij op gewezen dat de kwaliteit van de geluidwering op grond van het Bouwbesluit 2012 gelijk moet zijn aan de kwaliteit vóór de verbouw (het rechtens verkregen niveau). Het college ziet geen reden om aan te nemen dat door reguliere bewoning van de appartementen onaanvaardbare geluidhinder zal ontstaan. Er worden mogelijk meer contact- en leefgeluiden waargenomen door de buren, maar het pand is gelegen in een stedelijk gebied en heeft een woonbestemming. Enige mate van geluidhinder is inherent aan wonen in een stedelijk gebied. Dat er door de splitsing mogelijk meer leefgeluid wordt ervaren, is volgens het college daarom geen reden om niet mee te werken aan afwijken van het bestemmingsplan. Volgens het college kan ook in de situatie dat de gehele woning door één gezin wordt bewoond geluidsoverlast worden ondervonden. Als zich geluidsoverlast voordoet, kunnen geluidwerende maatregelen worden getroffen.

10.2. De rechtbank is van oordeel dat het college zich met de gegeven motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mogelijk is dat het bouwplan leidt tot een toename van geluid voor eisers, maar dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat weliswaar sprake is van een toename van het aantal woningen, maar dat het gaat om een groot pand van circa 300 m2, gelegen in een stedelijke omgeving, waarbij geldt dat enige geluidhinder inherent is aan het wonen in stedelijk gebied. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ondergeschikte wijziging van de aanvraag (dakterras op aanbouw)

11. Eisers zijn het er niet mee eens dat met het bestreden besluit alsnog een omgevingsvergunning is verleend voor een dakterras op de aanbouw van de begane grond.Het college stelt zich volgens hen ten onrechte op het standpunt dat de toevoeging van het dakterras vanwege de aard en omvang, uiterlijke verschijningsvorm en ruimtelijke uitstraling een ondergeschikte wijziging is. Zij verwijzen op dit punt naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin is overwogen dat het maken van een dakterras op geen enkele manier samenhangt met de splitsing van het pand in drie appartementen en een eigen afweging vergt, waarin onder meer privacyaspecten een belangrijke rol spelen. Het college is er volgens eisers bij de beoordeling ten onrechte van uitgegaan dat er vanaf het dakterras binnen de eerste twee meter zicht is op een plat dak. Volgens eisers is er vanaf het dakterras juist rechtstreeks zicht op grote delen van hun tuin. Over de aard en omvang stellen eisers dat een dakterras naar zijn aard een verblijfsruimte is met een gebruiksruimte die verschilt van de splitsing van een woning. Het toevoegen van een hekwerk en privacyscherm is een substantiële wijziging van de verschijningsvorm. Over de ruimtelijke uitstraling stellen eisers dat de gevolgen van een dakterras, zoals verblijf, geluid en zicht, losstaan van de splitsing van de woning en zelfstandig moeten worden gewogen.In het verweerschrift heeft het college gewezen op de proceseconomie, maar volgens eisers kan dit geen reden zijn om de wijziging als ondergeschikt aan te merken. In een afzonderlijke aanvraag had het dakterras integraal kunnen worden getoetst aan alle relevante kaders, zoals onder meer cultuurhistorie en welstand. Volgens eisers is verder sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering, ernstige aantasting van de privacy en onaanvaardbare geluidhinder, zodat het college het dakterras op de aanbouw van de begane grond ook om die redenen niet had mogen vergunnen.

11.1. Het college stelt dat het dakterras op de aanbouw van de begane grond in de oorspronkelijke aanvraag ten onrechte als bestaand was aangeduid. Tijdens de bezwaarprocedure heeft vergunninghouder deze omissie gecorrigeerd en een gewijzigde tekening ingediend. Hierdoor is het dakterras op de aanbouw onderdeel van de aanvraag geworden. Het college heeft de toevoeging van dit dakterras in afwijking van het advies van de bezwarencommissie aangemerkt als een wijziging van ondergeschikte aard. Met het bestreden besluit is alsnog een omgevingsvergunning verleend voor het dakterras op de aanbouw. Het dakterras heeft een oppervlakte van 6 m2. Dit is zowel op zichzelf genomen als in relatie tot het gehele bouwplan (ruim 300 m2) beperkt. De uiterlijke verschijningsvorm van het pand verandert vrijwel niet, omdat slechts een hekwerk met een hoogte van 1 m wordt toegevoegd op de bestaande aanbouw. Het dakterras ligt in de steeg tussen de panden en komt slechts voor een klein deel voorbij de achtergevels. Verder stelt het college zich op het standpunt dat de ruimtelijke uitstraling van het dakterras op de aanbouw minimaal is. De privacy van naburige percelen is niet in het geding, omdat slechts een klein deel van het terras voorbij de achtergevels van de panden komt en er vanaf dat deel van het dakterras binnen 2 m geen rechtstreeks uitzicht is op naburige percelen. Het uitzicht wordt namelijk geblokkeerd door de aanbouw van het naburige pand op de begane grond. Hierdoor is het uitzicht binnen de eerste 2 m uitzicht op een plat dak. Het overige uitzicht is zijdelings. Verder vindt het college het gebruik van een dakterras, met enige geluidhinder, passend in een stedelijke omgeving. Volgens het college is het gebruik van het dakterras ook in overeenstemming met de woonbestemming van het perceel.Verder stelt het college zich op het standpunt dat het aanmerken als wijziging van ondergeschikte aard de proceseconomie bevordert. Eisers hebben er geen voordeel bij als een nieuwe aanvraag moet worden ingediend voor het dakterras met een afzonderlijke bezwaar- en beroepsprocedure.

11.2. Niet in geschil is dat de wijziging van de aanvraag in bezwaar alleen mogelijk is als sprake is van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag. Op grond van vaste jurisprudentie is daarbij van belang of de aard en omvang, de uiterlijke verschijningsvorm en ruimtelijke uitstraling ingrijpend wijzigen ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan.

11.3. Ten aanzien van het oprichten van het hekwerk van 1 m kan de rechtbank op zichzelf het standpunt van het college volgen dat sprake is van een beperkte wijziging van de aard en omvang en uiterlijke verschijningsvorm van het bouwplan. Anders dan het college stelt, is de rechtbank echter van oordeel dat in het bestemmingsplan geen planologische keuze is gemaakt over de toelaatbaarheid van het realiseren van een dakterras met het daarbij behorende gebruik van het dak als dakterras. De stelling dat het gebruik als dakterras in overeenstemming is met de bestemming wonen deelt de rechtbank dan ook niet. Dat betekent dat de ruimtelijke impact van het gebruik van het dakterras en de daarbij behorende consequenties, waaronder mogelijke hinder voor de buren, alsnog moeten worden beoordeeld. Het college heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de wijziging in de aanvraag van ondergeschikte aard is, waarvoor geen nieuwe aanvraag is vereist.

11.4. De beroepsgrond slaagt. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

11.5. Gelet op het oordeel van de rechtbank over het dakterras op de aanbouw op de begane grond, zullen de inhoudelijke gronden van eisers die zien op dit dakterras, waaronder de stelling dat het dakterras een evidente privaatrechtelijke belemmering en een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van eisers oplevert, niet meer aan de orde komen in deze uitspraak. Voor zover in de weergave van de beroepsgronden hierna nog wordt geduid op het dakterras op de aanbouw, zal de rechtbank daar in de beoordeling dus niet op ingaan.

Planregels voor de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”

12. Eisers voeren aan dat het college het bouwplan ten onrechte niet uitdrukkelijk heeft getoetst aan de planregels voor de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”.Volgens eisers wordt de kapvorm van het dak gewijzigd door de toevoeging van het dakterras op het dak van het hoofdgebouw. Dit is volgens hen in strijd met artikel 26.2, onder a, sub 5, van de planregels. Bovendien mag er op grond van artikel 26.2, onder c, van de planregels uitsluitend worden gebouwd indien de cultuurhistorische waarden daardoor niet onevenredig worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de commissie voor welstand en monumenten. In het primaire besluit wordt slechts verwezen naar een positief advies van de commissie, maar het advies is niet bijgevoegd en er is niet vermeld hoe het advies tot stand is gekomen en wat de inhoud ervan is. Het college heeft bovendien niet onderbouwd waarom geen sprake is van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden.

12.1. Het college stelt dat de aanvraag getoetst is aan de planregels voor de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”, maar dat daarbij geen strijdigheden zijn geconstateerd. Dit volgt volgens het college impliciet uit het bestreden besluit. Volgens het college is het dakterras op de dakverdieping van het hoofdgebouw niet in strijd met artikel 26.2, onder a, sub 5, van de planregels. De kapvorm blijft volgens het college namelijk ongewijzigd.De bouw van het dakterras veroorzaakt volgens het college geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden. De Adviescommissie omgevingskwaliteit heeft op 21 maart 2024 geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college heeft zich op dit advies gebaseerd.

12.2. De rechtbank is met het college van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 26.2, onder a, sub 5, van de planregels, omdat de kapvorm ongewijzigd blijft. Het dak heeft schuine zijkanten en een groot plat deel in het midden. Die vorm verandert niet door het realiseren van een dakterras van 10 m2 midden op het platte deel van het dak.

12.3. Op grond van artikel 26.2 onder c, van de planregels moet schriftelijk advies worden ingewonnen bij de commissie voor welstand en monumenten. In het bestreden besluit is niet ingegaan op de verenigbaarheid van het bouwplan met de planregels voor de dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie”, zodat de rechtbank met eisers van oordeel is dat niet is onderbouwd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. Voor zover het college hiervoor verwijst naar de welstandsadviezen, wijst de rechtbank erop dat de welstandsadviezen geen betrekking hebben op de cultuurhistorische waarden, zodat dat advies hiervoor niet als grondslag kan dienen. Evenmin is duidelijk of de adviescommissie omgevingskwaliteit ook daadwerkelijk over dit aspect heeft geadviseerd, noch heeft het college hierover een standpunt ingenomen.

12.4. De beroepsgrond slaagt. In het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd of en in hoeverre is voldaan aan artikel 26.2 onder c, van de planregels.

Planregels voor de aanduiding “karakteristiek”

13. Eisers betogen dat het college het bouwplan ten onrechte niet heeft getoetst aan de planregels voor de aanduiding “karakteristiek”. Volgens artikel 31.1.1, onder a, van de planregels mogen de bestaande goot- en bouwhoogte niet worden gewijzigd, maar het college heeft toch een wijziging van de bouwhoogte vergund. Voor zover het college hiervoor gebruik heeft gemaakt van de algemene afwijkingsbevoegdheid uit artikel 32.1 van de planregels, heeft het niet gemotiveerd waarom in dit geval gebruik is gemaakt van deze discretionaire bevoegdheid.Verder mag op grond van artikel 31.1.1, onder b, van de planregels de bestaande afdekking van gebouwen en kapvorm/nokrichting niet worden gewijzigd. De toevoeging van het dakterras en van drie dakramen en een dakluik zorgt volgens eisers voor een verandering van de bestaande afdekking van gebouwen en de kapvorm. Daarnaast mag op grond van artikel 31.1.1, onder c, van de planregels alleen worden gebouwd, indien de beeldbepalende en karakteristieke waarden daardoor niet onevenredig worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten. Het college heeft volgens eisers niet gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden.

13. Het college stelt dat over de hoogteoverschrijding door het dakterras op de dakverdieping in het primaire besluit is overwogen dat met toepassing van artikel 32.1 van de planregels een afwijking kan worden vergund. Tijdens de bezwaarprocedure is opnieuw advies gevraagd aan de Adviescommissie omgevingskwaliteit. De commissie heeft gemotiveerd waarom het hekwerk voor het dakterras niet in strijd is met het gemeentelijke beleid. Dit impliceert dat het hekwerk ook niet in strijd is met de karakteristieke waarden en met de bescherming die voortkomt uit de status van beeldbepalend pand.

14.1. Het bestemmingsplan bevat in artikel 31 (algemene aanduidingsregels) bouwregels voor de aanduiding “karakteristiek”. Vergunninghouder heeft er terecht op gewezen dat de aanduiding “karakteristiek” in het bestemmingsplan alleen is toegekend aan het hoofdgebouw en niet aan de aanbouw, zodat artikel 31.1.1 alleen geldt voor het dakterras op het dak van het hoofdgebouw. Anders dan vergunninghouder is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond in het nadere stuk van eisers, inhoudende dat in strijd met artikel 31.1.1, onder b, van de planregels sprake is van een veranderde afdekking door de toevoeging van het dakterras, drie dakramen en een dakluik, niet in strijd is met de goede procesorde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat dit onderdeel kan worden beschouwd als een nader argument in het kader van de al eerder aangevoerde beroepsgrond dat niet wordt voldaan aan de bouwregels voor de aanduiding “karakteristiek”.

14.2. Het dakterras op het hoofdgebouw is strijdig met artikel 31.1.1, onder a, van de planregels omdat de bestaande goot- en bouwhoogte volgens die bepaling niet mag worden gewijzigd. Het college heeft ter zitting bevestigd dat met toepassing van artikel 32.1 van de planregels is afgeweken van artikel 31.1.1, onder a. Volgens het college is bedoeld om hiermee een hekwerk van 1 m toe te staan, maar daarbij is niet onderkend dat (onbedoeld) vergunning is verleend voor de op de tekening weergegeven situatie, waarmee de afwijking groter is dan de binnenplanse afwijkingsnorm van 10%. Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

14.3. Anders dan eisers stellen wordt de kapvorm/nokrichting van het hoofdgebouw niet gewijzigd (artikel 31.1.1, onder b). Eisers wijzen er naar het oordeel van de rechtbank wel terecht op dat de afdekking wordt gewijzigd door de toevoeging van het dakterras, drie dakramen en een dakluik. Het college heeft dat in het bestreden besluit niet onderkend.

14.4. Ten aanzien van de stelling van eisers dat niet is voldaan aan het criterium uit artikel 31.1.1, onder c, van de planregels verwijst de rechtbank naar wat hiervoor in rechtsoverweging 12.3 is opgemerkt over de dubbelbestemming. Het in die overweging verwoorde oordeel geldt eveneens voor dit onderdeel.

14.5. De beroepsgrond slaagt. In het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd of en in hoeverre wordt voldaan aan artikel 31.1.1, onder a, b en c, van de planregels.

Beeldbepalend pand/welstand

15. Eisers betogen dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijke welstandsbeleid uit de Welstandsnota Vlaardingen (de welstandsnota). Zij stellen dat het pand een beeldbepalend pand is en in een beschermd welstandsgebied ligt. Volgens de welstandsnota moeten bestaande hoogtes in principe worden gehandhaafd en moeten wijzigingen van ondergeschikte aard zijn en in dezelfde stijl worden uitgevoerd. In de beoordeling van het pand als beeldbepalend object staat het volgende: “Bouwstijl heeft een zeer hoge waarde. Uniciteit heeft een hoge waarde. Verstoring gaafheid is beperkt. Verstoring ensemble is zeer minimaal”. Het pand heeft invloeden van de historiserende stijl en de Jugendstil. Volgens eisers worden deze waarden verstoord en zijn de toevoegingen niet in de historiserende stijl of Jugendstil. Door het dakterras met hekwerk, drie dakramen en een dakluik neemt de verstoring van de gaafheid en het ensemble toe. Het college heeft niet gemotiveerd waarom dat aanvaardbaar is. Het college heeft verwezen naar een advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit waarin wordt geconcludeerd dat het hekwerk voor het dakterras niet in strijd is met het gemeentelijke beleid. Volgens eisers heeft het college daaruit ten onrechte geconcludeerd dat het hekwerk ook niet in strijd is met de karakteristieke waarden en de bescherming uit de status van beeldbepalend pand.

15.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. De Adviescommissie omgevingskwaliteit heeft een positief advies gegeven. Tijdens de bezwaarprocedure is opnieuw advies gevraagd aan de commissie. De commissie heeft in het advies gemotiveerd waarom het hekwerk voor het dakterras niet in strijd is met het gemeentelijke beleid. Dit impliceert dat het hekwerk ook niet in strijd is met de karakteristieke waarden en met de bescherming die voortkomt uit de status van beeldbepalend pand.

15.2. De Adviescommissie omgevingskwaliteit heeft twee positieve adviezen uitgebracht. In het tweede advies heeft de commissie de algemene uitgangspunten voor het beschermd gezicht aangehaald en is tot de conclusie gekomen dat het hekwerk ondergeschikt en goed voorstelbaar is. Over het hekwerk rondom het dakterras dat is geplaatst op het achterste dakvlak, wordt opgemerkt dat dit niet zichtbaar is vanaf de openbare weg en dat het passend is binnen de criteria uit de Welstandsnota. De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de adviezen van de welstandscommissie tot de conclusie heeft kunnen komen dat is voldaan aan de welstandseisen voor het beschermd gezicht en dat het bouwplan daarom in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Eisers hebben geen tegenadvies ingebracht, waaruit het tegendeel is gebleken.

15.3. Deze beroepsgrond slaagt niet.Herhaling bezwaarschrift

16. Eisers verwijzen voor het overige naar de gronden uit het bezwaarschrift. Het college heeft gereageerd op de bezwaargronden en deze bezwaargronden weerlegd. Eisers hebben in beroep niet toegelicht waarom deze reactie onjuist of onvolledig zou zijn. Deze gronden kunnen reeds daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Dit betekent dat het college opnieuw op de aanvraag van vergunninghouder moet beslissen. Ten aanzien van het dakterras op de aanbouw op de begane grond geldt dat het college moet beslissen op een nieuwe aanvraag in een nieuw primair besluit.

18. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eisers moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, voorzitter, en mr. J. Fransen en mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. R. Teuben, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…)

Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…)

Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Bijlage II, artikel 4 Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

(…) 4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;

(…)

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;

(…)

In deze regels wordt verstaan onder:

(…)1.69 wooneenheid: een tot bewoning bestemde ruimte of complex van ruimtes, die respectievelijk dat vanuit bouwtechnisch oogpunt gezien, blijvend is bedoeld voor permanente bewoning, met dien verstande dat ten hoogste één huishouden per wooneenheid is toegestaan.

(…)

Artikel 21 Wonen21.1 BestemmingsomschrijvingDe voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:a. woningen;(…)21.2 Bouwregels21.2.1 Hoofdgebouwena. Hoofdgebouwen mogen slechts binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. Per bouwperceel is slechts één hoofdgebouw toegestaan;

c. De (goot- en) bouwhoogte van een hoofdgebouw mag (mogen) niet meer bedragen dan:

1. het aantal meters zoals ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; of

2. het aantal bouwlagen zoals ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' is aangegeven, waarbij:• de hoogte van een bouwlaag niet meer mag bedragen dan 4 m op de begane grondlaag en 3,5 m op de overige bouwlagen;

• uitsluitend indien in de bestaande situatie een kap aanwezig is: bovenop het aantal aangegeven bouwlagen tevens een kap is toegestaan met een maximum hoogte van 4 m;

• ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dakopbouw' een dakopbouw is toegestaan, waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de kap;

d. In aanvulling op het bepaalde onder c. moet ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bovenste bouwlaag terugliggend' de bovenste bouwlaag minimaal 1,5 meter ten opzichte van de voorgevel (terugliggend) worden gebouwd;

e. In afwijking van het bepaalde onder a. is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - onderdoorgang' op de begane grondlaag geen bebouwing toegestaan;

f. In afwijking van het bepaalde in artikel 30.1 geldt dat het aantal wooneenheden niet meer mag bedragen dan het aantal zoals ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven.

Bijbehorende bouwwerken Bij ieder hoofdgebouw mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht, met dien verstande dat:

a. de gezamenlijke grondoppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 50 m2 per bouwperceel;

b. de gronden gelegen achter de achtergevel van de hoofdgebouwen tussen de zijgevel(s) en/of gemeenschappelijke scheidingsmuren voor tenminste 50% van de oppervlakte onbebouwd en onoverdekt blijven; in afwijking daarvan zijn, indien de oppervlakte van het erf minder bedraagt dan 45 m2, in ieder geval bijbehorende bouwwerken toegestaan met een gezamenlijke grondoppervlakte van 10 m2;

c. van vrijstaande bijbehorende bouwwerken de goothoogte ten hoogste 2,5 meter en de bouwhoogte ten hoogste 3,5 meter bedraagt;

d. van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en/of uitbreiding van hoofdgebouwen, de goothoogte ten hoogste gelijk mag zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw;

e. naast de hoofdgebouwen te realiseren bijbehorende bouwwerken moeten worden gebouwd op een afstand van ten minste 3 meter achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.

Artikel 26 Waarde - Cultuurhistorie 26.1 Bestemmingsomschrijving

Algemeen

De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van het 'Beschermd Stadsgezicht Vlaardingen'.

Prioriteitenstelling

Indien er strijd ontstaat tussen het bepaalde in de bestemming Waarde - Cultuurhistorie en het bepaalde in de overige daar voorkomende bestemmingen (behoudens de bestemming Waterstaat - Waterkering), prevaleert het bepaalde in de bestemming Waarde - Cultuurhistorie.

Bouwregels

a. Op de voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

1. de voorgevel van de gebouwen dient in de grens van het bouwvlak te worden geplaatst;

2. in hoeksituaties dient ook de naar de weg gekeerde zijgevel van een gebouw in de grens van het bouwvlak te worden geplaatst;

3. onderbrekingen in de gevelwand in de vorm van stegen dienen behouden te blijven;

4. de pandbreedte van de gebouwen dient ten minste 4 meter te bedragen en ten hoogste 12 meter;

5. een afdekking met een kap is uitsluitend toegestaan indien in de bestaande situatie een kap aanwezig is, waarbij;

de nokrichting van de kap van gebouwen dient evenwijdig te lopen aan de zijgevel, tenzij de bestaande nokrichting al anders loopt; de bestaande kapvorm en nokrichting mogen niet worden gewijzigd; waarbij een plat dak is toegestaan indien in de bestaande situatie al een plat dak aanwezig is;

b. het bepaalde onder a geldt niet voor bouwplannen die (mede) ten doel hebben het herstel van de oorspronkelijke waarden van de betreffende bouwwerken;

c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de cultuurhistorische waarden daardoor niet onevenredig worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.

Artikel 30 Algemene bouwregels

Aantal wooneenheden

Het aantal wooneenheden zoals aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het plan mag niet worden vergroot, behalve wanneer dat elders in deze regels expliciet is aangegeven.

Artikel 31 Algemene aanduidingsregels

Karakteristieke bebouwing

Bouwregels aanduiding 'karakteristiek'

Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' gelden de volgende bouwregels:

a. de bestaande goot- en bouwhoogte mag niet worden gewijzigd;

b. de bestaande afdekking van gebouwen en kapvorm/nokrichting mag niet worden gewijzigd;

c. ten behoeve van de onderliggende, voor deze gronden geldende bestemming mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de beeldbepalende en karakteristieke waarden daardoor niet onevenredig worden aangetast en daarover schriftelijk advies is ingewonnen bij de Commissie voor welstand en monumenten.

Artikel 32 Algemene afwijkingsregels

Afwijken van voorgeschreven maatvoering

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels voorgeschreven maatvoering, met ten hoogste 10%.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand